Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8705

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
Awb 11/31277
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 2011 (LJN: BR4438), van oordeel dat niet kan worden gezegd dat zicht op verwijdering naar China ontbreekt. Dit oordeel is door de Afdeling nogmaals bevestigd in de uitspraak van 31 augustus 2011 (201107938/1/V3). Thans bestaat er geen aanleiding voor een ander oordeel, met name nu uit de aanvullende informatie van verweerder van 12 oktober 2011 blijkt dat op

13 september 2011 en 26 september 2011 twee Chinese vreemdelingen vrijwillig en op eigen verzoek in persoon zijn gepresenteerd bij de Chinese ambassade. Dit terwijl Chinese vreemdelingen tot voor kort enkel schriftelijk konden worden gepresenteerd. Eiser moet weliswaar worden toegegeven dat de twee presentaties niet hebben geleid tot afgifte van een lp, maar de rechtbank is van oordeel dat het feit dat persoonlijke presentaties (weer) mogelijk zijn, blijk geeft van een wijziging in de houding van de Chinese autoriteiten ten opzichte van de procedure ter zake van het verstrekken van lp’s. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het in beide gevallen ongedocumenteerde Chinezen betrof en dat van eiser op grond van zijn medewerkingplicht mag worden verwacht dat hij zich ook meldt bij de Chinese ambassade om op eigen verzoek in persoon te worden gepresenteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 31277

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2011 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Tang),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Op 23 februari 2011 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Tevens is om schadevergoeding verzocht.

Bij faxbericht van 28 september 2011 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.C. van Paridon, waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.O. Stiphout.

Met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen.

Bij faxbericht van 12 oktober 2011 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.

Eisers gemachtigde heeft bij faxbericht van 13 oktober 2011 op deze informatie gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:64 van de Awb om uitspraak te doen zonder behandeling van het beroep ter nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de uitspraakdatum heeft bepaald op heden.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaring geboren op 3 december 1969 en van Chinese nationaliteit.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 juni 2011 (AWB 11 / 18616) de bewaring tot de dag van sluiting van het onderzoek, te weten 15 juni 2011, rechtmatig geacht.

3. Eiser heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat de omstandigheid dat Chinese vreemdelingen in persoon zijn gepresenteerd niet kan leiden tot de conclusie dat er zicht op uitzetting naar China is, nu er nog steeds geen laissez-passers (lp’s) zijn afgegeven. Daarbij moet volgens eiser in aanmerking worden genomen dat er al vijftien maanden geen lp’s zijn afgegeven door de Chinese autoriteiten, niet aan ongedocumenteerden maar ook niet aan gedocumenteerden. Voorts wijst eiser op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bepaald dat verweerder voortvarendheid dient te betrachten bij het maken van een nieuwe afspraak met de Chinese autoriteiten. Verweerder heeft dit echter nog niet bewerkstelligd zodat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser wijst in dit verband tevens op een uitspraak van deze rechtbank van 29 augustus 2011 waarin is geoordeeld dat “Bij het uitblijven van een concrete datum voor een vervolggesprek echter op enig moment geconcludeerd zal worden dat er onvoldoende voortvarend wordt gehandeld.” Tot slot wijst eiser erop dat de bewaring van eiser thans reeds meer dan zeven maanden voortduurt en dat hij immer consequent heeft verklaard over het ontbreken van documenten.

4. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er nog steeds - een redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde deze verwijdering te effectueren.

5. Uit de gedingstukken - met name de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage - blijkt dat laatstelijk op 19 september 2011 is gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten inzake de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een lp. Voorts is laatstelijk op 26 september 2011 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.

6. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar de uitspraak van

de Afdeling van 29 juli 2011 (LJN: BR4438), van oordeel dat niet kan worden gezegd dat zicht

op verwijdering naar China ontbreekt. Dit oordeel is door de Afdeling nogmaals bevestigd in de uitspraak van 31 augustus 2011 (201107938/1/V3). Thans bestaat er geen aanleiding voor een ander oordeel, met name nu uit de aanvullende informatie van verweerder van 12 oktober 2011 blijkt dat op 13 september 2011 en 26 september 2011 twee Chinese vreemdelingen vrijwillig en op eigen verzoek in persoon zijn gepresenteerd bij de Chinese ambassade. Dit terwijl Chinese vreemdelingen tot voor kort enkel schriftelijk konden worden gepresenteerd. Eiser moet weliswaar worden toegegeven dat de twee presentaties niet hebben geleid tot afgifte van een lp, maar de rechtbank is van oordeel dat het feit dat persoonlijke presentaties (weer) mogelijk zijn, blijk geeft van een wijziging in de houding van de Chinese autoriteiten ten opzichte van de procedure ter zake van het verstrekken van lp’s. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het in beide gevallen ongedocumenteerde Chinezen betrof en dat van eiser op grond van zijn medewerkingplicht mag worden verwacht dat hij zich ook meldt bij de Chinese ambassade om op eigen verzoek in persoon te worden gepresenteerd.

7. Voorts ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend de uitzetting van eiser ter hand neemt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat indien voldoende regelmatig bij de buitenlandse autoriteiten wordt geïnformeerd naar de op dat moment lopende onderzoeken, hetgeen ook is gebeurd, aan de eisen van voortvarendheid is voldaan. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat er voldoende regelmatig vertrekgesprekken met eiser worden gevoerd. Nu er voorts, zoals hiervoor overwogen, sprake is van een wijziging in de houding van de Chinese autoriteiten ten opzichte van de procedure ter zake van het verstrekken van lp’s, in die zin dat (ook) ongedocumenteerde Chinezen in persoon kunnen worden gepresenteerd, acht de rechtbank geen gronden aanwezig voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.

8. Ten aanzien van de vraag of de bewaring, waarvan de duur ten tijde van het sluiten van het vooronderzoek ruim zeven maanden bedraagt, nog altijd mag voortduren, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2011 (LJN: BP9560), als volgt.

9. In artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn is het volgende opgenomen:

“ 5. De bewaring wordt gehandhaafd zolang de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen en zij noodzakelijk is om een geslaagde verwijdering te garanderen. Iedere lidstaat stelt een maximale bewaringsduur vast die niet meer dan zes maanden mag bedragen.

6. De lidstaten kunnen de in lid 5 bedoelde termijn overeenkomstig de nationale wetgeving slechts in beperkte mate en ten hoogste met nog eens twaalf maanden verlengen indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat:

de betrokken onderdaan van een derde land niet meewerkt, of

de nodige documentatie uit derde landen op zich laten wachten.”

10. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, het standpunt kunnen innemen dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat eiser geen acties heeft ondernomen die kunnen bijdragen aan zijn vertrek uit Nederland. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank bij de belangenafweging terecht groot gewicht toegekend aan het feit eiser aanvankelijk heeft verklaard dat zijn (verlopen) Chinees paspoort bij een vriend in China ligt. De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat de bewaring van eiser nog altijd mag voortduren.

11. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2011.

w.g. mr. R.A. Debets,

griffier w.g. mr. A.W.P. Letschert,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 oktober 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.