Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8660

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
Awb 11/27706 en Awb 11/27705
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het nemen van een besluit op de herhaalde asielaanvraag in strijd met zijn beleid, zoals geformuleerd in C14/5 Vc 2000, niet ambtshalve beoordeeld of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM. Beroep in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: Awb 11/27706 (voorlopige voorziening)

Awb 11/27705 (beroep)

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam1]

geboren op [geboortedatum1]

van Somalische nationaliteit

alias

[naam2],

geboren op [geboortedatum1] ,

van Somalische nationaliteit,

alias

[naam3]

geboren in [jaartal]

van Somalische nationaliteit

alias

[naam4]

geboren op [geboortedatum2]

van Jemenitische nationaliteit

alias

[naam5]

geboren op [geboortedatum1]

van Somalische nationaliteit

V-nummer: [nummer],

verzoeker,

gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L.H.C. de Vries, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 17 augustus 2011 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 25 augustus 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 25 augustus 2011 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Bij verzoekschrift van 25 augustus 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten tot op het beroep is beslist. Op 13 september 2011 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending aan verzoeker.

1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 16 september 2011. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2. Verzoeker heeft eerder, te weten op 17 juli 2007, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 11 mei 2009 is deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c en f, Vw 2000. Allereerst heeft verweerder overwogen dat verzoeker zich niet onverwijld heeft gemeld, nu hij op 12 juni 2007 Nederland is binnengekomen en zich pas op 19 juni 2007 heeft gemeld. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat verzoeker verwijtbaar geen documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd en niet beschikt over reisdocumenten ter onderbouwing van zijn reisverhaal. Voorts heeft verzoeker zijn reisverhaal niet nader onderbouwd door middel van gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over zijn verblijf in Spanje, zijn verblijf in Duitsland en Zwitserland heeft verzwegen, zich van meerdere aliassen heeft bediend en onderzoek naar zijn identiteit onmogelijk maakt door het Jemenitische paspoort, waarvan hij zich in zijn asielprocedure in Spanje heeft bedient, niet te overleggen. Dit alles maakt de verklaringen van verzoeker ongeloofwaardig. Vanwege de twijfel aan zijn identiteit en nationaliteit, kwam verzoeker evenmin in aanmerking voor een vergunning op grond van het toentertijd geldende categoriale beschermingsbeleid voor Zuid en Centraal Somalië. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak van 31 december 2009, Awb 09/17841, het hiertegen gerichte beroep van 18 mei 2009 ongegrond verklaard. Daarmee is de beslissing op de aanvraag van 17 juli 2007 in rechte onaantastbaar.

2.3. Verzoeker heeft aan zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag van 17 augustus 2011 ten grondslag gelegd dat hij herenigd wil worden met zijn gezin. De vrouw en kinderen van verzoeker zijn in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef, eerste lid, onder b. Verzoeker heeft de resultaten van een DNA-analyse overgelegd om daarmee aan te tonen dat hij de vader is van de kinderen.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, afgewezen, onder verwijzing naar het besluit van 11 mei 2009. Daarbij is overwogen dat de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als nieuw in de zin van artikel 4:6 Awb, nu verzoeker opnieuw geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aan te tonen. Het is aan verzoeker om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken, iets waarin verzoeker nog immer niet is geslaagd. De omstandigheid dat verzoeker de biologische vader van de kinderen is, doet daaraan niets af. Verweerder overweegt nog dat verzoeker het bestaan van een huwelijksrelatie niet heeft aangetoond en evenmin aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk in gezinsverband met zijn gestelde echtgenote en twee kinderen te hebben samengewoond.

2.5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat nu hij een verklaring onder ede omtrent zijn identiteit heeft afgelegd, van deze gegevens moet worden uitgegaan. Verzoeker is van mening dat verweerder ambtshalve aan artikel 8 EVRM had moeten toetsen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit heeft gedaan.

Beoordeling van het verzoek

2.6. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van 31 december 2009 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) - onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 - volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de AbRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.7. De AbRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, Vw, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door verzoeker ter ondersteuning van zijn herhaalde asielaanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangedragen die maken dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling dient plaats te vinden als hiervoor omschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de twijfel ten aanzien van de identiteit en nationaliteit van verzoeker nog immer niet is weggenomen. Dat verzoeker de biologische vader van [kind1], [kind2] en [kind3] is, doet daaraan niets af. Ook aan het feit dat verzoeker een verklaring onder ede omtrent zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd kan, in het licht van zijn eerdere verklaringen en gegevens die hij heeft overgelegd, geen overwegende waarde worden gehecht. Aangezien er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, en evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest Bahaddar, kunnen het bestreden besluit voor zover dat strekt tot afwijzing van de asielaanvraag, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, niet door de rechtbank worden getoetst. Aan een beoordeling van hetgeen overigens door verzoeker in dit verband naar voren is gebracht komt de rechtbank hierdoor niet meer toe. Nader onderzoek kan in zoverre redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het beroep wordt in zoverre met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb ongegrond verklaard.

2.9. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw is de minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, slechts ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met:

a. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;

b. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

2.10. Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) wordt, voor zover hier van belang, als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb aangewezen de beperking "verblijf op grond van artikel 8 EVRM".

2.11. Ingevolge artikel C14.5 Vreemdelingencirculaire (Vc) wordt, voor zover hier van belang, ambtshalve getoetst aan artikel 8 EVRM indien de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat genoemd beleid op hem van toepassing is.

2.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval, krachtens wettelijk voorschrift en het eigen geformuleerde beleid, gehouden was in de asielprocedure ambtshalve te toetsen of verzoeker op grond van artikel 8 EVRM verblijf moet worden toegestaan. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt duidelijk dat de aanvraag gericht is op het verblijven bij zijn in Nederland wonende gezin. Het verweer dat sprake is van een zogenoemde "waterscheiding" en dat artikel 8 EVRM in de reguliere procedure aan bod dient te komen, houdt gelet op bovenstaande geen stand.

2.13. Nu verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet ambtshalve heeft getoetst of aan verzoeker verblijf moet worden toegestaan op grond van artikel 8 EVRM, heeft verweerder in strijd met artikel 4:84 Awb niet overeenkomstig zijn beleidsregel gehandeld.

2.14. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb gegrond verklaard voor zover verweerder niet heeft getoetst of verzoeker op grond van artikel 8 EVRM verblijf moet worden toegestaan. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Verweerder dient met in achtneming van deze uitspraak alsnog ambtshalve te beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf op grond van artikel 8 EVRM". De rechtbank geeft hiervoor een termijn van acht weken.

2.15. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

2.16. Voor veroordeling overeenkomstig artikel 8:75, eerste lid, Awb van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 874,-- [1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1].

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover verweerder bij het nemen van het besluit van 25 augustus 2011, niet heeft getoetst of verzoeker op grond van artikel 8 EVRM verblijf moet worden toegestaan, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 augustus 2011, voor zover verweerder daarbij niet heeft getoetst of verzoeker op grond van artikel 8 EVRM verblijf moet worden toegestaan;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de datum van verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen ambtshalve dient te beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf op grond van artikel 8 EVRM";

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 11/27706 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Schothorst, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2011.

de griffier de rechter

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.