Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8525

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/29276 en 11/29277
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvang termijn artikel 59, vierde lid, Vw 2000 gelijk aan de datum waarop de vreemdeling te kennen geeft asiel te willen in Nederland?

Samenvatting:

Het betreft een bewaringszaak van een Sri-lankaans echtpaar dat vlak voor de geplande uitzetting (3 augustus 2011) op 2/8/2011 een asielaanvraag indient.

De vlucht wordt geannuleerd en eisers worden vervolgens op 9 augustus 2011 feitelijk in de gelegenheid gesteld de aanvraag te ondertekenen.

Verweerder heeft vervolgens op 16 september 2011 afwijzend op deze aanvragen beslist.

De vraag die voorlag was of moet worden aangenomen dat de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 was aangevangen op het moment dat eisers te kennen hadden gegeven asiel te willen aanvragen of dat de termijn begon op het moment van feitelijke ondertekening van de aanvraag.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu verweerder niet eenduidig is in zijn mededelingen is omtrent de vraag of nog immer sprake is van een vaste gedragslijn dat het moment waarop de vreemdeling te kennen geeft asiel te willen aanvragen geldt als datum waarop de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 begint te lopen.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor geconstateerde gebrek aan eenduidigheid gelet op de aard van de procedure – het betreft vrijheidsbeneming – in het voordeel van eisers dient te worden uitgelegd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verweerder ook thans als gedragslijn hanteert dat op een asielaanvraag wordt beslist binnen zes weken nadat een vreemdeling tijdens de vreemdelingenbewaring kenbaar heeft gemaakt asiel te willen aanvragen.

Door eerst op 16 september 2011 op de asielaanvragen te beslissen is de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 verstreken en hebben eisers te lang op de b-grond van artikel 59 in bewaring gezeten.

Beroep gegrond, opheffen ibs en toekenning van schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/29276 VRONTN S4 en AWB 11/29277 VRONTN S4

Uitspraak van 5 oktober 2011 op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdelingen genaamd althans zich noemende:

[...],

geboren 1975,

van Sri Lankaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

thans verblijvende in het detentiecentrum Rotterdam,

eiser,

en

[...],

geboren 1977,

van Sri Lankaanse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

thans verblijvende in het detentiecentrum Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: D.A. Riezebos,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 maart 2011 zijn eisers op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 7 april 2011 heeft de rechtbank laatstelijk geoordeeld dat de oplegging en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring van eiser niet onrechtmatig zijn. Bij uitspraak van 31 augustus 2011 heeft de rechtbank laatstelijk geoordeeld dat de voortduring en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring van eiseres niet onrechtmatig zijn.

Naar aanleiding van de indiening van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 heeft verweerder de maatregelen van bewaring bij besluiten van 9 augustus 2011 voortgezet op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 16 september 2011 heeft verweerder de aanvragen van eisers waaraan zij rechtmatig verblijf ontleenden, afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten van 16 september 2011 zijn de maatregelen van bewaring voortgezet op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

Eisers hebben op 9 september 2011 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, waarbij is verzocht om toekenning van schadevergoeding.

De beroepen zijn met toepassing van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd behandeld ter openbare zitting van 29 september 2011. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst teneinde verweerder de gelegenheid te geven voor de beoordeling relevant geachte vragen te beantwoorden.

Vervolgens is namens eisers een wrakingsverzoek ingediend. Het wrakingsverzoek is bij mondelinge uitspraak van 29 september 2011 afgewezen.

Bij fax van 30 september 2011 heeft verweerder betreffende vragen beantwoord. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Op 3 oktober 2011 is van gemachtigde van eisers een schriftelijke reactie ontvangen.

Nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere beroepen feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die (het voortduren van) de bewaring onrechtmatig maken.

Beoordeeld moet worden of verweerder de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid,

Vw 2000 heeft geschonden. Voor de beantwoording van die vraag is van doorslaggevend belang op welke datum de termijn van het vierde lid van artikel 59 Vw 2000 is aangevangen. Daarover verschillen partijen van mening. Volgens eisers is de termijn aangevangen op 2 augustus 2011, de datum waarop zij te kennen hebben gegeven een asielaanvraag te willen indienen. Verweerder daarentegen stelt zich op het standpunt dat de termijn is aangevangen op 9 augustus 2011, de datum waarop eisers hun asielaanvragen daadwerkelijk hebben ingediend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h, Vw 2000.

Ingevolge artikel 59, vierde lid, Vw 2000 duurt bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

Op grond van het bepaalde in paragraaf A6/5.3.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 begint de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning asiel (bepaalde of onbepaalde tijd) hebben ingediend en rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder f of g, Vw 2000, te lopen op de dag waarop de aanvraag door het bestuursorgaan is ontvangen en eindigt op de dag na de dag waarop de beslissing bekend gemaakt is.

Ingevolge artikel 3.108, tweede lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de aanvraag door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediend op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats.

Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling aan verweerder kenbaar gemaakte intentie om een asielaanvraag in te dienen gelijk dient te worden gesteld met de daadwerkelijke indiening van die aanvraag, nu een in bewaring gestelde vreemdeling die een asielaanvraag wil indienen voor de daadwerkelijk indiening daarvan afhankelijk is van verweerder. Daarbij hebben eisers verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 november 2010 (LJN: BO4812).

Naar het oordeel van de rechtbank gaan eisers eraan voorbij dat de Afdeling in voornoemde uitspraak heeft geoordeeld dat de gelijkstelling van de kenbaar gemaakte intentie een asielaanvraag in te dienen met de daadwerkelijke indiening daarvan geldt voor de toepassing van het in paragraaf A4/4.1 Vc 2000 neergelegde beleid.

Volgens paragraaf A4/4.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dient bij contacten met de diplomatieke vertegenwoordiging ter verkrijging van de voor het vertrek benodigde (vervangende) reisdocumenten voorzichtigheid te worden betracht in verband met het verbod op refoulement. Dit betekent in beginsel – uitzonderingen daargelaten – dat het aanvragen van een (vervangend) reisdocument bij de autoriteiten van het land van herkomst, indien het om een asielzoeker gaat, pas dient te geschieden na een uitspraak van de rechter in beroep, of, wanneer het indienen van een rechtsmiddel geen opschortende werking heeft (hoger beroep), tot het moment waarop de rechter heeft geoordeeld over het eventuele verzoek om een voorlopige voorziening.

Voor de toepassing van dat beleid dient ervan te worden uitgegaan dat een vreemdeling reeds als asielzoeker wordt aangemerkt indien hij aan verweerder de intentie te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te dienen.

Hoewel ook voor wat betreft de aanvang van de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 geldt dat de in bewaring gestelde vreemdeling die een asielaanvraag wil indienen voor de daadwerkelijke indiening daarvan afhankelijk is van verweerder, kan uit voornoemde uitspraak niet zonder meer worden afgeleid dat ook voor de toepassing van dat artikel de intentie een asielaanvraag in te dienen gelijkgesteld moet worden met de daadwerkelijke indiening daarvan. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2004 (LJN: AR8107), waarin de Afdeling heeft overwogen dat de datum waarop de aanvraag overeenkomstig artikel 3.108 Vb 2000 is ingediend, geldt als datum waarop de aanvraag is ontvangen. Een eerder ingediende gebrekkige aanvraag werd niet als aanvang van de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 aanvaard. Dat deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 6 juni 2002 (LJN: AE7279) in afwijking daarvan heeft geoordeeld dat de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 is gaan lopen op de dag waarop eiseres aan verweerder een door haar ondertekende verklaring heeft gezonden waarin is aangegeven dat zij asiel wenst aan te vragen, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, reeds omdat deze uitspraak is gedaan vóór 2 december 2004, de datum waarop de Afdeling eerdergenoemde uitspraak heeft gedaan.

Eisers hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verweerder als vaste gedragslijn hanteert dat de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 aanvangt op de datum waarop de vreemdeling aan verweerder heeft kenbaar gemaakt een asielaanvraag te willen indienen.

Verweerder heeft desgevraagd toegelicht dat gedurende een korte periode in het najaar van 2007 die gedragslijn weliswaar is gevolgd, maar dat verweerder deze gedragslijn nadien weer heeft verlaten. Voorts hebben er geen daadwerkelijke juridische en beleidsmatige wijzigingen op dit gebied plaatsgevonden, aldus verweerder. Zowel voor, tijdens, als na die korte periode in de tweede helft van 2007 bleef het beleid gelden dat het moment van ontvangst bij het bestuursorgaan van de asielaanvraag leidend is voor het startmoment van de termijn bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000.

Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder voorgehouden dat verweerder in het voorjaar van 2010 in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2010

(LJN: BN0229) het standpunt heeft ingenomen dat zij de vaste gedragslijn hanteert om op een asielaanvraag te beslissen binnen zes weken nadat een vreemdeling tijdens de vreemdelingenbewaring kenbaar heeft gemaakt asiel te willen aanvragen. Verweerders gemachtigde heeft daarop geantwoord dat die bewuste gedragslijn slechts korte tijd in het najaar van 2007 is gehanteerd.

De rechtbank stelt vast dat niet door middel van een beleidswijziging is kenbaar gemaakt dat en met ingang van welke datum verweerder de gedragslijn met betrekking tot de aanvang van de termijn van het vierde lid van artikel 59 Vw 2000 is gaan hanteren en – indien en voorzover daarvan sprake is – dat en met ingang van welke datum verweerder die gedragslijn heeft verlaten. Gelet daarop is de vreemdeling en ook de rechtbank afhankelijk van de mededelingen die verweerder daarover doet. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de mededelingen die namens verweerder worden gedaan niet eenduidig zijn. De rechtbank doelt daarmee op het door verweerder gedane mededeling in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2010. Die mededeling wijkt af van de mededelingen die verweerder in deze zaak heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor geconstateerde gebrek aan eenduidigheid gelet op de aard van de procedure – het betreft vrijheidsbeneming – in het voordeel van eisers dient te worden uitgelegd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verweerder ook thans als gedragslijn hanteert dat op een asielaanvraag wordt beslist binnen zes weken nadat een vreemdeling tijdens de vreemdelingenbewaring kenbaar heeft gemaakt asiel te willen aanvragen.

Gelet daarop en in aanmerking genomen de door eisers bij bief van 16 september 2011 overgelegde brief van de asieladvocaat van 2 augustus 2011 en de fax van R.A.M. Rooijakkers, medewerker Feitelijk Vertrek, van 3 augustus 2011, moet ervan worden uitgegaan dat de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 op 2 augustus 2011 is ingegaan. Voornoemde termijn eindigde derhalve op 13 september 2011.

Nu verweerder eerst op 16 september 2011 op de door eisers ingediende asielaanvragen heeft beslist, heeft de bewaring van eisers op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 langer dan zes weken geduurd. De rechtbank acht de bewaring dan ook met ingang van 14 september 2011, de dag nadat de termijn van zes weken was verstreken, onrechtmatig. Gelet hierop worden de beroepen gegrond verklaard en dient de bewaring met ingang van heden te worden opgeheven.

Aan de orde is vervolgens de vraag of de onrechtmatigheid en opheffing van de bewaring tot toekenning van schadevergoeding dient te leiden. De rechtbank is van oordeel dat – zoals in onderhavige zaken – bij onrechtmatig bevonden bewaring in beginsel aanspraak bestaat op schadevergoeding. Van het afzien van schadevergoeding dan wel matiging kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding eisers ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eisers ten laste van de Staat een schadevergoeding van € 80,- per dag toe te kennen voor de 21 dagen die zij vanaf 14 september 2011 hebben doorgebracht in het detentiecentrum. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 1.680,- per persoon zal worden toegekend.

Nu de beroepen gegrond worden verklaard, bestaat er aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. De kosten worden overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht met betrekking tot samenhangende zaken begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt

€ 437,-).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart de beroepen gegrond;

-beveelt de opheffing van de maatregelen van bewaring met ingang van heden;

-kent aan de eisers ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van ieder € 1.680,-;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 874,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door A.P. Kuiters, griffier.

w.g. A.P. Kuiters w.g. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: