Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8440

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/4918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na een negatief afloopbericht van de trainer heeft de Stichtinhg CBR bij besluit van 21 december 2010 het rijbewijs van eiser met ingang van 28 december 2010 voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat eiser niet heeft meegewerkt aan de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA). De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het negatief afloopbericht van de trainer en de aanvullende reactie van 27 april 2011 niet kan worden nagegaan of eiser verstorend gedrag vertoond heeft. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4918

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. C.P. Zwaanswijk),

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster

(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerster het rijbewijs van eiser met ingang van

28 december 2010 voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Eiser heeft op 20 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 juni 2011 beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 20 september 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 16 april 2010 heeft verweerster eiser de verplichting opgelegd om deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA).

1.2. Bij brief van 1 november 2010 heeft verweerster eiser opgeroepen voor de EMA, waarbij naast kennisgeving van de cursusdata aan eiser wat de regels zijn voor deelname aan de EMA. Onder meer is daarbij opgenomen dat eiser verplicht is actief deel te nemen aan de EMA en het groepsproces niet mag verstoren. Ook is onder het kopje regels opgenomen dat de trainer bij de start van de EMA de overige regels uitlegt. Daarbij heeft verweerster benadrukt dat eisers rijbewijs ongeldig wordt verklaard als hij zich niet aan deze regels houdt of op een andere manier niet meewerkt aan de EMA.

1.3. Trainer [trainer] van GGZ Reclassering Palier heeft een negatief afloopbericht opgemaakt waarin is aangegeven dat eiser op demonstratieve wijze niet heeft deelgenomen aan de cursus. In de toelichting is het volgende opgenomen:

'Betrokkene is op dag 1 reeds eenmaal gewaarschuwd voor groepsverstorend gedrag. Op dag 2 deed dit groepsverstorende gedrag zich wederom voor. Hij ondermijnde het programma door alles ter discussie te stellen en in het negatieve te trekken. Verder stelde hij de rol van cursusleider ter discussie, deze had de telefoon nog aanstaan in verband met laatkomers door het winterse weer en dat het voor hen wel consequenties zou hebben op het moment dat de telefoon aanstaat.'

1.4. Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerster het rijbewijs van eiser met ingang van 28 december 2010 voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat eiser niet heeft meegewerkt aan de EMA. Hiertegen heeft eiser bij brief van 20 januari 2011 bezwaar gemaakt.

1.5. Eiser is op 23 februari 2011 gehoord door verweerster. Naar aanleiding van dit gehoor en de aanvullende bezwaargronden van 1 maart 2011, waarbij eiser een verklaring van medecursist [A] heeft overgelegd waarin deze medecursist heeft aangegeven dat hij geen aanleiding gezien heeft die geleid heeft tot het wegsturen van eiser bij de cursus en dat de cursusleider eiser niet officieel gewaarschuwd heeft, heeft verweerster de trainer verzocht op de bezwaren te reageren.

2. De kennelijk door tussenkomst van een derde op schrift gestelde nadere reactie van de trainer, die op 27 april 2011 aan verweerster is verzonden, gesteld dat eiser een dusdanig verstorende invloed had op het groepsproces dat de trainer hem gedurende de cursusdagen herhaaldelijk tot de orde moest roepen. Een 'gele kaart' is niet gegeven maar de herhaaldelijke vermaningen van de trainer waren dusdanig directief en duidelijk dat eiser hieruit had moeten concluderen dat hij zijn houding en gedrag diende te wijzigen bij gebreke waarvan hij uitgesloten zou worden voor verdere deelname. Desondanks continueerde eiser zijn gedrag, hetgeen de trainer aanleiding gaf hem te verwijderen. Eiser geeft tijdens de hoorzitting een andere lezing aan het gebeurde en een verdraaid beeld van hetgeen zich werkelijk voordeed. De trainer constateerde dat medecursisten sterk non-verbaal reageerde op het gedrag van eiser; bij hen zag de trainer verzuchtende en geërgerde mimiek en zij gingen als eiser aan het woord was 'achterover hangen'.

3. Bij het thans bestreden besluit van 4 mei 2011 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit van 21 december 2010 in stand gelaten.

4. Eiser kan zich niet met verweersters standpunt verenigen en voert daartoe aan dat er geen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Hij stelt dat hij op cursusdag twee antwoord heeft gegeven op de vragen die hem werden gesteld door de trainer, hij zich niet beledigend of bedreigend heeft uitgelaten en hij actief heeft meegedaan in de discussies. Er was geen sprake van onvoldoende medewerking aan de EMA. Eiser heeft geen gele kaart gekregen en hij en zijn medecursisten waren volledig verrast door het besluit van de trainer. Hiertoe heeft eiser ook een verklaring van een medecursist overgelegd. Voorafgaand aan de cursus is eiser geïnformeerd dat bij het niet verlenen van de vereiste medewerking eerst een gele kaart zou worden gegeven. Nu dit niet is gebeurd heeft verweerster in strijd met de vooraf afgesproken regels gehandeld door eiser uit te sluiten van verdere deelname. Voorts is onvoldoende onderzoek gedaan omtrent de gedragingen van eiser en mogelijke waarschuwingen van de trainer. Het besluit is daarbij innerlijk tegenstrijdig, nu een verklaring van een medecursist als niet betrouwbaar wordt bestempeld, terwijl het verzuchtende en geërgerde mimiek van medecursisten, zoals beweerdelijk waargenomen door de trainer, wel voldoende betrouwbaar zouden zijn om eiser tegen te werpen dat hij niet voldoende medewerking heeft verleend aan de EMA.

5.1. Ingevolge artikel 131, vierde lid, van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994, voor zover thans van belang, legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. De aan deze maatregelen verbonden kosten komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge artikel 131, vierde lid dient te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

5.2. Ingevolge artikel 9 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, voor zover thans van belang, verleent betrokkene onder meer de vereiste medewerking aan de EMA niet, indien hij demonstratief niet aan de cursus deelneemt, zich tijdens de cursus agressief gedraagt of tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1. Verweerder heeft niet gemotiveerd betwist dat de voorafgaande afspraak, zoals gemaakt in het voorgesprek, inhoudt dat aan deelnemers van de EMA, voor tot verwijdering van de EMA wordt overgegaan, eerst een gele kaart wordt gegeven. Evenmin is door verweerder betwist dat eiser geen gele kaart heeft gekregen voorafgaand aan zijn verwijdering van de EMA.

6.2. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van het negatief afloopbericht van de trainer en de aanvullende reactie van 27 april 2011 niet kan worden nagegaan of eiser verstorend gedrag vertoond heeft. Niet valt na te gaan hoe eiser zich gedragen heeft, of dit gedrag verstorend was en welke reactie hierop door de trainer is gegeven. Het afloopbericht noch de aanvullende reactie bieden daartoe voldoende feitelijke informatie. Deze stukken bevatten slechts de kwalificatie van de gedragingen en geen beschrijving van hetgeen is voorgevallen.

6.3. Verweerder heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 18 augustus 2010 (LJN BN4284), waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft overwogen dat een trainer die werkzaamheden verricht in het kader van een EMA-cursus kan worden geacht over de ervaring en deskundigheid te beschikken die benodigd is voor het beoordelen van het gedrag van een cursist en voor het opstellen van een verslag van zijn bevindingen hieromtrent. Gelet hierop kan door het CBR, en evenzo de rechtbank, in beginsel van de zorgvuldigheid en juistheid van de totstandkoming en de inhoud van een verslag van bevindingen uit worden gegaan.

Nu echter in het geheel geen informatie over hetgeen feitelijk is voorgevallen gedurende de twee cursusdagen beschikbaar is, kan de rechtbank niet beoordelen of door de trainer zodanige waarschuwingen aan het adres van eiser zijn gegeven dat deze laatste, mede gelet op het door hem op dat moment vertoonde gedrag, kon begrijpen dat hem, ook al werd de term 'gele kaart' niet gebruikt, een als gele kaart te kwalificeren waarschuwing werd gegeven.

De rechtbank voegt daaraan toe dat de door eiser zelf ten tijde van de hoorzitting gememoreerde gedragingen in ieder geval niet zonder meer kunnen leiden tot de conclusie dat sprake was van demonstratief niet meewerken.

7. Uit het vorengaande volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het besluit van 4 mei 2011 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

8. De rechtbank ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het bezwaar van eiser gegrond te verklaren, en op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb het primaire besluit te herroepen.

9. Verweerder wordt, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1748,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 4 mei 2011;

3 verklaart het bezwaar van eiser gegrond;

4 herroept het primaire besluit van 21 december 2010;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1748,-, welke kosten verweerder dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

6 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.