Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT8308

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
17-10-2011
Zaaknummer
11/29313
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

3 EVRM,bewijs,onderzoeksplicht,artikel 3.109, lid 5, Vb 2000

Tav 3 EVRM. Verzoekers verklaringen over het ontstaan van de littekens alsmede de littekens zelf heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een begin van bewijs. In de zienswijze heeft verzoeker aangegeven dat hij tot dan nog geen arts over zijn littekens heeft kunnen raadplegen. Niet is gebleken dat verzoeker in de periode tot aan de zitting een poging heeft gedaan voornoemd begin van bewijs te vergaren. Verweerder heeft zich, bij gebrek aan het begin van bewijs van de kant van verzoeker, terecht op het standpunt gesteld dat er geen verplichting voor hem bestond onderzoek te (laten) verrichten naar de littekens van verzoeker, ter beantwoording van de vraag of deze littekens verenigbaar zijn met verzoekers asielrelaas en zijn verklaringen op dit punt onderbouwen. Een dergelijke verplichting vloeit evenmin voort uit artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000, nu dit een procedurele bepaling betreft die als doel heeft de zorgvuldigheid van de asielprocedure te bevorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 11/29313 (voorlopige voorziening)

Awb 11/29312 (beroep)

Uitspraak

in het geding tussen:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum],

van Ugandese nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], verzoeker,

gemachtigde mr. G.J. van der Graaf, advocaat te

Arnhem;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. H.R.D. Leene,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 31 augustus 2011 heeft verzoeker een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 8 september 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 9 september 2011 is daartegen beroep ingesteld. Verzoeker mag de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van 9 september 2011 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 30 september 2011.

Bij brieven van 30 september 2011 en 4 oktober 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat uitzetting achterwege blijft totdat op voormeld verzoek van 9 september 2011 is beslist. De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om bij uitspraak van 5 oktober 2011 bij wijze van ordemaatregel te bepalen dat het verweerder verboden is verzoeker uit te zetten totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

Het verzoek is ter zitting van 11 oktober 2011 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de uitspraak in beroep moet worden verboden.

2.2 Blijkens de gronden van het verzoek en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of de weigering om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te verlenen, in stand kan blijven.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit niet tevens een besluit bevat omtrent de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker, omdat hij toerekenbaar geen of onvoldoende reis- of identiteitsdocumenten dan wel andere bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, heeft overgelegd. Voorts heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat het relaas de positieve overtuigingskracht mist die in dat geval geëist mag worden om de juistheid ervan aan te kunnen nemen. Verweerder acht het relaas daarom ongeloofwaardig.

Verzoeker heeft de juistheid van dat oordeel betwist.

2.4 De voorzieningenrechter zal toetsen of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het relaas geen geloof kan worden gehecht.

2.5 Voor zover verzoeker in beroep ter betwisting van het standpunt van verweerder ten aanzien van het ontbreken van documenten heeft volstaan met een verwijzing naar zijn zienswijze, geldt dat hij aldus het bestreden besluit, waarin verweerder gemotiveerd op de zienswijze is ingegaan, niet gemotiveerd heeft betwist. Het door verzoeker aangevoerde biedt, gelet hierop, geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem kan worden tegengeworpen. De beroepsgrond faalt dan ook.

2.6 Indien zich één van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden voordoet, mogen in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.7 Verzoeker heeft betoogd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat zijn verklaringen niet geloofwaardig zijn, althans dat dit niet deugdelijk is gemotiveerd.

Verzoeker heeft betwist dat hij op grond van zijn werk voor de heer [de man] op de hoogte moet zijn van feiten omtrent [de man] die voor dat werk volstrekt irrelevant zijn, althans waarvan niet valt in te zien waarom werknemers van [de man] dit vanwege hun werkzaamheden zouden moeten weten. Voorts heeft verweerder verzoekers verklaringen omtrent de reden van zijn aanhouding ten onrechte als vaag aangemerkt. Bovendien heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop hij zijn shirt binnenstebuiten heeft aangetrokken. Er moet sprake zijn geweest van miscommunicatie tijdens het nader gehoor, aldus verzoeker.

Ten slotte heeft verzoeker betoogd dat verweerder nader onderzoek had dienen te verrichten, onder meer naar de littekens die hij heeft overgehouden aan de mishandelingen waarvan hij het slachtoffer is geworden, aldus verzoeker. Hij heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 9 maart 2010 (LJN: BM4069) en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 augustus 2011 (LJN: BR5421). Tevens heeft verzoeker gewezen op het bepaalde in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000).

2.7.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van verzoeker verwacht mag worden dat hij op de hoogte is van de volledige naam van zijn gestelde werkgever. De voorzieningenrechter acht volstrekt begrijpelijk dat een werknemer niet op de hoogte is van alle namen van zijn werkgever. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat de volledige naam van [de man] blijkens het gestelde op pagina 9 van het nader gehoor volgens verweerder [d[de man] zou luiden. De naam ‘[de man]’ vindt de voorzieningenrechter echter niet terug in openbare bronnen op internet, wel de naam ‘[de man]’.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijnaam van verzoekers gestelde werkgever ‘[de man]’ algemeen bekend zou moeten zijn bij personen zoals verzoeker zodat hem in redelijkheid niet verweten kan worden dat hij daarvan niet op de hoogte was.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorts de enkele omstandigheid dat verzoeker niet wist of uit het huwelijk van zijn gestelde werkgever kinderen zijn geboren, in redelijkheid niet voldoende worden geacht voor de conclusie dat sprake is van een vaagheid, hiaat, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden.

Gelet echter op het nationaalrechtelijke toetsingskader, op grond waarvan slechts een enkele vaagheid, hiaat, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom kan leiden dat van positieve overtuigingskracht geen sprake is, heeft verweerder zich desondanks in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht ontbeert. De voorzieningenrechter neemt daartoe in aanmerking dat verzoeker tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij zijn shirt binnenstebuiten heeft aangetrokken. Hij is tijdens het nader gehoor met deze tegenstrijdigheid geconfronteerd en heeft deze noch ontkend, noch hiervoor een verklaring gegeven, hetgeen onwaarschijnlijk maakt dat de tegenstrijdigheid voortvloeit uit miscommunicatie tijdens het nader gehoor.

Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat de leeftijd die staat vermeld op de door hem overgelegde identiteitskaart niet overeenkomt met de door hem opgegeven leeftijd, hetgeen verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft gebracht dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen.

2.7.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers stelling dat verweerder nader onderzoek had dienen te verrichten, onder meer naar zijn littekens, faalt. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat op verweerder ten aanzien van de vraag of sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) de plicht rust ‘a rigourous scrutiny’ te verrichten. Uit de uitspraken van het EHRM en de Afdeling waarnaar verzoeker heeft verwezen, leidt de voorzieningenrechter echter af dat op de vreemdeling - naast een stelplicht - de plicht rust een begin van bewijs te overleggen dat bij terugkeer sprake zal zijn van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eerst dan ontstaat voor verweerder de plicht ‘a rigourous scrutiny’ te verrichten.

Verzoekers verklaringen over het ontstaan van de littekens alsmede de littekens zelf heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet hoeven aanmerken als een begin van bewijs. In de zienswijze van 7 september 2011 heeft verzoeker aangegeven dat hij tot dan nog geen arts over zijn littekens heeft kunnen raadplegen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker in de periode tot aan de zitting op 11 oktober jl. een poging heeft gedaan voornoemd begin van bewijs te vergaren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich, bij gebrek aan het begin van bewijs van de kant van verzoeker, terecht op het standpunt gesteld dat er geen verplichting voor hem bestond onderzoek te (laten) verrichten naar de littekens van verzoeker, ter beantwoording van de vraag of deze littekens verenigbaar zijn met verzoekers asielrelaas en zijn verklaringen op dit punt onderbouwen. De voorzieningenrechter is evenmin van oordeel dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000, nu dit een procedurele bepaling betreft die als doel heeft de zorgvuldigheid van de asielprocedure te bevorderen.

2.8 Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het relaas geen geloof kan worden gehecht. Gelet daarop is er geen grond voor het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te verlenen niet in stand kan blijven.

2.9 Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, tevens het beroep ongegrond.

2.10 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door deze en mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.