Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7652

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 11 / 11710
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het besluit van 13 april 2010 is eiser op grond van artikel 67, eerste lid aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ongewenst verklaard.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 11 / 11710

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser], eiser,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 maart 2011

Kenmerk: 0510.05.0346

V-nummer: 270.853.6274

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 13 april 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het besluit van 10 maart 2011 is namens eiser (tijdig) beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingesteld door I. Wudka, advocaat te Maastricht. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 29 april 2011.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011, alwaar eiser en zijn gemachtigde - met kennisgeving - niet zijn verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Overwegingen

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

Eiser, die is geboren op 12 mei 1977 en de Marokkaanse nationaliteit bezit, is op of omstreeks 5 november 2009 aangehouden wegens het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, voor welk feit hij op 8 februari 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden. Eiser is 7 november 2009 gehoord, kennelijk in het kader van een voornemen hem ongewenst te verklaren. Bij die gelegenheid heeft eiser als volgt verklaard:

Ik zat in Luik en ik had gehoord dat hier werk te vinden was. Ik woon in Turijn, Via Montanoro nummer 16. Ik ben op dit moment werkeloos. Ik heb gewerkt in een auto-onderdelenfabriek. Ik krijg een Italie geen inkomsten meer. Ik heb een half jaar een uitkering gehad maar deze is afgelopen. Ik heb wel een ziektekonstenverzekering [sic] in Italie. In Italie heb ik een permanente verblijfsvergunning. Ik heb in Italie alleen een broer wonen. Ik heb geen familie of relatie in Nederland. Het opgegeven adres klopt en U kunt de post daar naar toe sturen. Als ik ongewenst wordt verklaard kom ik hier niet meer.

Eiser is na zijn veroordeling op 9 februari 2010 in vrijheid gesteld en heeft een aanzegging gekregen om Nederland te verlaten voor 11 februari 2010.

Op 25 maart 2010 is namens de korpschef van het regionaal politiekorps Limburg-Zuid een voorstel ingediend tot ongewenstverklaring van eiser. Op dit voorstel is bij het veld “Verblijfplaats vreemdeling” met pen vermeld: “Via Montanaro 16 te Turijn in Italië”.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit van 13 april 2010 is eiser op grond van artikel 67, eerste lid aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ongewenst verklaard. Het besluit is (niet aangetekend) gestuurd naar het volgende adres:

Aan de heer [eiser]

[adres], Italië

Van het besluit is voorts mededeling gedaan in de Staatscourant van 31 mei 2010, nr. 8200.

Het tegen dit besluit namens eiser ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde termijn is ingediend. Verweerder acht deze overschrijding, gelet op de mededeling van het besluit in de Staatscourant, niet verschoonbaar nu het bezwaar ook niet binnen vier weken na deze mededeling is ingediend.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het besluit van 13 april 2010 eerst aan hem bekend is gemaakt op 29 december 2010, toen hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld. Het op 24 januari 2010 ingediende bezwaarschrift tegen dit besluit is binnen de bezwaartermijn en derhalve tijdig ingediend, aldus eiser.

Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Indien de bekendmaking van het besluit, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, wordt ingevolge artikel 67, tweede lid, van de Vw 2000 van het besluit mededeling gedaan in de Staatscourant.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2001 (LJN AE3239) - blijkt dat toezending van een besluit in beginsel kan geschieden aan het laatstelijk aan een bestuursorgaan opgegeven (correspondentie)adres.

In paragraaf A5/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is, voor zover thans van belang, vermeld dat het origineel van het besluit tot ongewenstverklaring aan de vreemdeling in persoon wordt uitgereikt door de vreemdelingenpolitie. Kan uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet plaatsvinden, dan wordt deze - met de brochure - per aangetekende brief gezonden aan zijn laatst bekende adres, wordt afschrift aan de gemachtigde gezonden, zo die er is, en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Staatscourant plaats. Tevens wordt in deze paragraaf verwezen naar het beleid opgenomen in paragraaf B1/9.7.7 van de Vc 2000. Daarin is, voor zover thans van belang, vermeld dat een beschikking die niet aan de vreemdeling in persoon kan worden uitgereikt, door de politie bij aangetekende brief wordt verzonden aan het laatst bekende (GBA)adres van de vreemdeling.

De rechtbank acht dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het in geval van eiser niet om een adres in Nederland gaat en het adres niet met een objectieve bron gestaafd is, zoals de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij veronderstelt dat het hiervoor vermelde beleid enkel betrekking heeft op in Nederland bekende adressen van een vreemdeling.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 13 april 2010 met de niet aangetekende verzending en de publicatie in de Staatscourant niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Er was een adres van eiser bij verweerder bekend, namelijk het adres in Italië. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet langer op dit laatst bekende adres woonachtig was. Verweerder had dan ook overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb en zijn eigen beleid, zoals hierboven vermeld, het besluit bij aangetekende brief aan het laatst bekende adres in Italië moeten toezenden. Indien verweerder twijfels had of eiser nog steeds op het opgegeven adres woonde ofwel twijfel had of dit adres wel bestond, had het op zijn weg gelegen dit te onderzoeken. Dit klemt te meer nu het adres van eiser bij toezending van het besluit van 13 april 2010 op een andere wijze is geschreven dan in het proces-verbaal van 9 november 2009 en verweerder ook op geen enkel moment navraag heeft gedaan naar de postcode van dit adres. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, niet in dat voormeld beleid enkel en alleen betrekking heeft op adressen in Nederland, nu dit niet expliciet in het beleid is vermeld. Voor zover het beleid melding maakt van toezending aan het laatst bekende (GBA)adres van een vreemdeling, kan de plaatsing van de letters “GBA” tussen haakjes niet anders worden uitgelegd dat daarmee de mogelijkheid wordt opengelaten dat toezending van een besluit kan plaats vinden naar een ander adres dan een GBA-adres. Dat dit ander adres alleen een adres in Nederland zou (kunnen) zijn is, zoals reeds is overwogen, niet expliciet in het beleid vermeld. Overigens blijkt uit (overweging 12 van) de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 oktober 2009 (nr. AWB 08/39217, aangehecht) dat het in de (uitvoerings)praktijk van verweerder niet ongebruikelijk is dat besluiten als hier in geding aangetekend naar een bij verweerder laatst bekend adres in het buitenland worden gestuurd.

Onder de hiervoor gegeven omstandigheden moet worden geoordeeld dat verweerder bij de toezending van het besluit van 13 april 2010 niet volgens zijn eigen beleid heeft gehandeld, hetgeen in strijd is met artikel 4:84 van de Awb. De uitspraken van de Afdeling waar verweerder in dit kader in het verweerschrift naar heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel nu deze uitspraken zien op een casuspositie waarin het laatste adres van de vreemdeling niet bekend was, dan wel de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. Verweerder had derhalve niet op de in het bestreden besluit gegeven gronden kunnen besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, zodat het besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het beroep is derhalve gegrond te achten, het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt is toegekend (voor het indienen van het beroepschrift) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Beslist wordt daarom als aangegeven in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 437, - (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan de griffier van de rechtbank;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.

w.g. T. Horsten-Kuijpers w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden: 12 oktober 2011

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan artikel 85, eerste of tweede lid, van de Vw 2000.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.