Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7466

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
AWB11/5273
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het COA heeft een verzoek om vergoeding van kosten voor het verrichten van een contra-expertise taalanalyse door De Taalstudio afgewezen. De reden daarvoor is dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan het verzoek van het COA om de identiteit van de contra-expert bekend te maken. Deze identiteit is volgens het COA nodig om de noodzakelijkheid van de kosten te kunnen beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in beginsel onvoldoende grond bestaat om reeds op voorhand te twijfelen aan de deskundigheid van een onder verantwoordelijkheid van De Taalstudio op te stellen contra-expertise taalanalyse. Door het COA is in de gegeven omstandigheden niet deugdelijk gemotiveerd waarom controle van de onafhankelijk en de deskundigheid van de contra-expert al dient plaats te vinden voor het opstellen van de contra-expertise, en niet achteraf zou kunnen. Het standpunt van het COA dat steeds vaker wordt geconstateerd dat de contra-experts die door De Taalstudio worden ingeschakeld, niet voldoen aan de eisen ten aanzien van de deskundigheid en de onafhankelijkheid, is niet afdoende onderbouwd. Het argument dat met een controle vooraf wordt voorkomen dat de vreemdeling achteraf wordt geconfronteerd met het niet betalen van de vergoeding of een terugvordering van de vergoeding acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend. Het besluit wordt wegens een motiveringsgebrek vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: AWB 11 / 5273

Uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2011 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M.E.T. Hogervorst),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een vergoeding voor de kosten van het verrichten van een contra-expertise taalanalyse, afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011. Ter zitting is eiseres niet in persoon verschenen en heeft zij zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.M. Bongaarts die als waarnemer van haar gemachtigde aanwezig was. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.A. van der Valk- in ’t Veen en mr. M. Snippe.

Overwegingen

1. Bij schrijven van 14 december 2010 heeft eiseres aan verweerder verzocht de kosten van een contra-expertise taalanalyse die door De Taalstudio zal worden verzorgd, tot een bedrag van € 796,00 te vergoeden. Verweerder heeft om aanvullende informatie gevraagd, waaronder de identiteitsgegevens van de contra-expert die de contra-expertise in opdracht van eiseres zal gaan verrichten. Eiseres heeft in reactie hierop laten weten dat De Taalstudio niet bereid is de identiteit van de contra-expert aan verweerder of de IND bekend te maken.

Vervolgens heeft verweerder de aanvraag afgewezen en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij zich als gevolg van de weigering niet ervan heeft kunnen vergewissen dat de contra-expert voldoende onafhankelijk en deskundig is en dat de aan het te verrichten onderzoek verbonden kosten redelijkerwijs niet voor vergoeding als buitengewone kosten in aanmerking komen.

2. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en overweegt daartoe als volgt.

3. In artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categoriën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) is bepaald dat een asielzoeker een vergoeding kan ontvangen voor buitengewone kosten, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005, die hij heeft gemaakt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn buitengewone kosten noodzakelijke kosten die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald. Voorts bepaalt het derde lid van voormeld artikel dat buitengewone kosten slechts worden betaald voor zover vooraf door het orgaan aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om toestemming. Vervolgens bepaalt het vierde lid dat een asielzoeker aanspraak maakt op vergoeding van buitengewone kosten in geval het noodzakelijke kosten betreft en in die kosten niet op andere wijze kan worden voorzien.

4. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 19 maart 2010 (gepubliceerd onder LJN: BL9320) komt verweerder bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, Rva 2005, beoordelingsvrijheid toe, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Het is aan verweerder om te beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn en naar aard en omvang in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald. Het staat verweerder vrij, gezien zijn beperkte financiële middelen, rekening te houden met de aard en de omvang van de kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd. De rechtbank dient die beoordeling terughoudend te toetsen. Deze terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechtbank moet toetsen of de besluitvorming over de vraag, of sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 2005, voldoet aan algemene rechtsbeginselen, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij zich in het kader van de toetsing van de noodzakelijkheid een oordeel moet vormen over de deskundigheid en onafhankelijkheid van de opsteller van het contra-expertiserapport van de taalanalyse. De Afdeling heeft in dat kader in de uitspraak van 1 september 2010 (201002786/1/V1) geoordeeld dat de eis van verweerder dat De Taalstudio en dus de vreemdeling inzichtelijk maakt wie op welke wijze de contra-expertise heeft verricht, niet onredelijk is. In de onderhavige procedure staat centraal de vraag of verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de hiervoor bedoelde toets dient plaats te vinden bij de beoordeling van het verzoek en dat daarvoor is vereist dat eiseres voorafgaand aan het nemen van het besluit, beschikt over de identiteitgegevens van degene die het contra-expertiserapport van de taalanalyse zal gaan opstellenverstrekt, ook al is op dat moment de contra-expertise nog niet uitgevoerd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

6. Blijkens de aan het thans bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag van eiseres, is zij voornemens de contra-expertise te laten uitvoeren onder verantwoordelijkheid van De Taalstudio. De Afdeling heeft in de uitspraak van 12 november 2007 (LJN: BB8491) geoordeeld dat De Taalstudio, waar het gaat om het uitvoeren van een taalanalyse, een als deskundig bekend staand bureau is. De Afdeling heeft voorts in de uitspraak van 16 april 2010 (LJN: BM2266) overwogen dat uit een ter zitting door De Taalstudio gegeven toelichting over zijn werkwijze, volgt dat hij slechts externe wetenschappelijk opgeleide linguïsten inschakelt met actuele kennis, blijkend uit bijvoorbeeld recente publicaties, van de taal waarover zij rapporteren. Uit de toelichting volgt volgens de Afdeling verder dat de aan De Taalstudio verbonden linguïsten een controle verrichten van het taalkundig gehalte van de door de extern ingeschakelde linguïst gebezigde argumentatie alsmede een redactionele controle van het rapport uitvoeren. Een met toepassing van deze werkwijze van De Taalstudio door een extern inschakelde linguïst uitgebrachte taalanalyse wordt door de Afdeling als een deskundigenrapport aangemerkt.

In de uitspraak van 31 augustus 2010 (LJN: BO1345) heeft de Afdeling geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de identiteit van de opsteller van de contra-expertise vooralsnog niet uit de contra-expertise blijkt niet als vanzelf meebrengt dat die opsteller niet kan worden beschouwd als onafhankelijk en deskundig. Waar het naar het oordeel van de Afdeling op aan komt, is of controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek is verricht. Daartoe dient de identiteit van de contra-expert bij De Taalstudio bekend te zijn en dient De Taalstudio bereid te zijn desgevraagd het COA danwel de rechter, desnoods onder geheimhouding, de identiteit van de opsteller mede te delen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de onder 5. genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, niet volgt dat de deskundigheid en de onafhankelijkheid al voorafgaand aan het besluit moeten kunnen worden geverifieerd. De Afdeling overweegt immers dat met beschikbaarheid van de identiteitsgegevens bij De Taalstudio, aldus achteraf door het COA kan worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise werkelijk onafhankelijk en deskundig is.

Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat in beginsel onvoldoende grond bestaat om reeds op voorhand te twijfelen aan de deskundigheid en onafhankelijkheid van de contra-expert, die onder verantwoordelijkheid van De Taalstudio een contra-expertise taalanalyse zal opstellen, en om die reden geen toestemming te verlenen voor het maken van de kosten. Verweerder heeft weliswaar betoogd dat hij steeds vaker heeft moeten constateren dat het Bureau Land en Taal (BLT) herhaaldelijk en in toenemende mate de deskundigheid en de onafhankelijkheid heeft betwist van enkele contra-experts die met enige regelmaat door De Taalstudio ingezet worden, maar de gegrondheid van deze betwistingen van BLT niet aannemelijk gemaakt met bijvoorbeeld jurisprudentie. Het vorenoverwogene brengt mee dat de rechtbank verweerder niet volgt in het door zijn vertegenwoordigers ter zitting naar voren gebrachte argument dat controle vooraf, middels bekendmaking van de identiteit van de contra-expert, steeds noodzakelijk is. Hier kan het argument van verweerder dat dit ook in het belang is van de vreemdeling omdat daarmee voorkomen wordt dat achteraf de vergoeding niet wordt betaald of wordt teruggevorderd omdat niet is voldaan aan de onafhankelijkheid en deskundigheid van de contra-expert, niet aan afdoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit door hem gestelde belang in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiseres bij toestemming voor de contra-expertise en controle achteraf. Dit geldt temeer omdat verweerder de voorwaarde van het bekend maken van de identiteit en het voldoen aan de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid, kan verbinden aan de uitbetaling van de kosten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder op ondeugdelijke gronden is gekomen tot een weigering van de toestemming en afwijzing van de vergoeding. Het beroep is dan ook gegrond.

7. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 437, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 874, (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.

Aldus gedaan door mrs. A.W.P. Letschert (voorzitter), F.H. Machiels en B.J. Zippelius in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2011.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. A.W.P. Letschert,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.