Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7389

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
11/12634 en 11/12635
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Macedonië; Roma; rechtsvermoeden; artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, Vw 2000.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat in algemene zin geconcludeerd moet worden dat Macedonië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. In gelijke zin oordeelt de rechtbank ten aanzien van de nakoming van die verdragsverplichtingen jegens Roma als zodanig. Verweerder kan tevens gevolgd worden in zijn standpunt dat de individuele asielrelazen van eisers evenmin aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat Macedonië in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen niet naleeft. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet is gebleken dat er sprake was van dusdanige discriminatie, als gevolg waarvan eisers ernstig beperkt waren in hun bestaansmogelijkheden en dat het voor eisers onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eisers hebben voort nog betoogd dat zij geen bescherming konden krijgen van de (hogere) autoriteiten tegen de discriminatie. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt dat aan het zogenoemde beschermingsvraagstuk niet wordt toegekomen, nu van discriminatie in vorenbedoelde zin geen sprake is. Uit het voorgaande volgt dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat in Macedonië geen vervolging dreigt of andere risico’s als genoemd in artikel 29, eerste lid aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Dit rechtsvermoeden hebben eisers niet weerlegd, Verweerder heeft derhalve artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 terecht toegepast en vervolgens terecht geconcludeerd dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunningen. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11 / 12634 en AWB 11 / 12635

Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 oktober 2011 in de zaak tussen

[eiser], eiser, en [eiseres], eiseres, mede namens hun minderjarige zoon

[zoon], hierna gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 25 maart 2011 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2011.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van Laarhoven. Als tolk was aanwezig [naam tolk].

Overwegingen

1. Eisers zijn afkomstig uit Macedonië en hebben de Roma etniciteit. Eisers hebben op 7 oktober 2010 asiel gevraagd. Ter onderbouwing van hun aanvraag hebben eisers verklaard dat zij in hun land van herkomst worden vervolgd vanwege hun etniciteit. Zij worden immers door de overheid alsook door medeburgers gediscrimineerd. Zo zijn eisers op enig moment door de politie uit huis gezet en zijn goederen van eiser in beslag genomen. De politie heeft hierbij geweld gebruikt tegenover eiser. Eiseres heeft op haar beurt ook problemen ondervonden van de zijde van de politie. Als de politie zag dat zij in containers op zoek was naar statiegeldflessen, werd zij uitgescholden en bespuugd en nam de politie de flessen af. Medeburgers scholden eiseres uit en ontzegden haar de toegang tot de plaatselijke moskee. Daarnaast werden eisers stelselmatig uitgesloten van medische voorzieningen en kregen zij ook geen bijstandsuitkering. Ook het vinden van een reguliere baan lukte eisers niet vanwege hun etniciteit.

2. Verweerder ziet geen aanleiding om eisers de gevraagde vergunning te verlenen. Aan de afwijzing van de aanvragen heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 ten grondslag gelegd. Eisers zijn afkomstig uit Macedonië, dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en de andere in artikel 30, onder d, van de Vw 2000 genoemde verdragen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt, aldus verweerder, dat Macedonië in de praktijk jegens Roma de verdragsverplichtingen niet nakomt en derhalve niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Gelet hierop bestaat volgens verweerder het algemeen rechtsvermoeden dat er geen rechtsgrond is voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, van de Vw 2000. De door eisers gestelde discriminatoire bejegening door autoriteiten en medeburgers leidt niet tot de conclusie dat het aangewezen is om een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000 te verlenen, aldus verweerder.

3. Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of het bestreden besluit de toets in rechte kan doorstaan.

4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 wordt bij het

onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor

bepaalde tijd mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de andere in artikel 30, onder d, van de Vw 2000 bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

6. Volgens onderdeel C4/3.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) worden de in de voormelde bepaling bedoelde landen beschouwd als veilige landen van herkomst en om deze reden bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat in het betrokken land geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b of c, van de Vw 2000. Aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat weliswaar partij is bij het

Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, van de

Vw 2000, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de

verdragsverplichtingen niet naleeft, wordt artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de

Vw 2000 niet tegengeworpen. Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort gehandhaafd worden. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit zo’n land, zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt. Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele vreemdeling zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De vreemdeling moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij vandaan komt. De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de vreemdeling. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door verweerder bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft.

7. Niet in geschil is dat Macedonië partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de andere in artikel 30, onder d, van de Vw 2000 bedoelde verdragen. In geschil is of uit feiten van algemene bekendheid dan wel uit de asielrelazen van eisers is af te leiden dat Macedonië in de praktijk die verdragsverplichtingen ten aanzien van hen niet nakomt en, gelet daarop, niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd.

8. Verweerder heeft zijn standpunt, dat aangenomen kan worden dat Macedonië in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft, gebaseerd op het door de Europese Commissie op 14 oktober 2009 uitgebrachte rapport ‘The Former Yugoslav Republic of Macedonia 2009 Progress Report’ (SEC (2009)1335) over de voortgang van de hervormingen in Macedonië. In dat rapport staat onder meer vermeld dat Macedonië een aantal flinke stappen heeft gezet om hervormingen door te voeren, dat de verkiezingen in 2008 volgens internationale standaarden en OVSE-observatie goed zijn verlopen, dat het democratisch proces goed functioneert en de regering stabiel is. Ook op het gebied van politie en justitie zijn goede resultaten bereikt. Hoewel vooruitgang is geboekt met belangrijke doelstellingen uit het akkoord van Ohrid, zijn verdere inspanningen nodig om aan de doelstellingen van het akkoord te voldoen. Daarnaast heeft verweerder gewezen op de oproep van het Europees Parlement aan de Europese Raad in januari 2010 om, gelet op de positieve ontwikkelingen in Macedonië, zo spoedig mogelijk met toetredingsonderhandelingen te beginnen en op het feit dat ten aanzien van personen uit Macedonië die in het bezit zijn van een biometrisch paspoort geen visumplicht meer geldt voor de Europese Unie.

9. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat op basis van bovengenoemde bronnen in algemene zin geconcludeerd moet worden dat Macedonië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. In gelijke zin oordeelt de rechtbank ten aanzien van de nakoming van die verdragsverplichtingen jegens Roma als zodanig. In dat verband verwijst de rechtbank naar een uitspraak van nevenzittingsplaats Arnhem van 24 maart 2011 (AWB 10/39692 en 10/39684). Hierin is – kort gezegd – overwogen dat, hoewel uit algemene bronnen volgt dat de Roma discriminatoir worden bejegend, hun levensomstandigheden in Macedonië zwaar zijn en hun positie zorgelijk is, uit die bronnen ook is op te maken dat de Macedonische autoriteiten de positie van de Roma in Macedonië proberen te verbeteren. In ieder geval kan uit deze informatie niet in algemene zin worden afgeleid dat Macedonië zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de relevante mensenrechtenverdragen, niet naleeft. Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2011 (nr. 201106433/1) waarin een gelijkluidend oordeel van zittingsplaats Arnhem (uitspraak van 6 juni 2011, zaaknummers AWB 11/16349, 11 /16350, 11/16493 en 11/16494) is bevestigd. De in deze rechtsoverweging genoemde uitspraken zijn te raadplegen via www.raadvanstate.nl.

10. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat verweerder tevens gevolgd kan worden in zijn standpunt dat de individuele asielrelazen van eisers evenmin aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat Macedonië in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen niet naleeft. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet is gebleken dat er sprake was van dusdanige discriminatie, als gevolg waarvan eisers ernstig beperkt waren in hun bestaansmogelijkheden en dat het voor eisers onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

11. Hiertoe heeft verweerder terecht gesteld dat de ontruiming van de woning en de inbeslagname van de goederen het gevolg waren van het feit dat eisers de huur van de woning al enige tijd niet hadden betaald. Voor de betaling van de huur waren eisers reeds meerdere malen aangemaand. Evenmin kan uit eisers verklaringen worden opgemaakt dat zij geen werk konden krijgen vanwege hun Roma afkomst. Voorts blijkt uit eisers verklaringen niet dat zij geen toegang zouden hebben tot de medische zorg of dat de aan eisers geboden zorg van mindere kwaliteit is omdat zij Roma zijn. Dat de problemen van eisers met het ontvangen van een uitkering waren ingegeven door hun afkomst, is ook niet aannemelijk gemaakt.

12. Eisers hebben voort nog betoogd dat zij geen bescherming konden krijgen van de (hogere) autoriteiten tegen de discriminatie. Eisers hebben zich beroepen op het Country Report on Human Rights Practices – Macedonia van het US Department of State uit 2009. In dat rapport wordt verwezen naar een onderzoek door de Council of Europe’s Committee for the Prevention of Torture, waarin klachten opgenomen zijn over rechters en aanklagers die niets doen met informatie over mishandelingen. Uit het Macedonia Progress Report komt volgens eisers voorts naar voren dat Roma buitenproportioneel te maken hebben met politiegeweld en dat Roma terughoudend zijn met het indienen van aanklachten tegen de politie.

13. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt dat aan het zogenoemde beschermingsvraagstuk niet wordt toegekomen, nu van discriminatie in vorenbedoelde zin geen sprake is. De rechtbank laat deze grond dan ook buiten verdere beoordeling.

14. Uit het voorgaande volgt dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat in Macedonië geen vervolging dreigt of andere risico’s als genoemd in artikel 29, eerste lid aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Dit rechtsvermoeden hebben eisers niet weerlegd, Verweerder heeft derhalve artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 terecht toegepast en vervolgens terecht geconcludeerd dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunningen.

15. De beroepen zijn dan ook ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.