Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7172

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/3767
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ3368, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beslissen. Artikel 105 van de Wet op de jeugdzorg. Verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) of op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ? Verweerster is ten onrechte uitgegaan van een verzoek op grond van de Wbp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3767

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[A] en [B], te [plaats], eisers

(gemachtigde: [C]),

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, verweerster.

Procesverloop

Bij faxbericht van 8 oktober 2010 hebben eisers verweerster verzocht om inzage in en afschrift van stukken.

Bij schrijven van 17 november 2010 hebben eisers verweerster in gebreke gesteld.

Bij faxbericht van 23 april 2011 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek. Hierbij hebben zij verzocht om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 29 juli 2011 ter zitting behandeld.

[A] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers.

Verweerster is -met bericht- niet verschenen.

Overwegingen

1.1 Op 8 oktober 2010 hebben eisers het volgende verzoek ingediend:

"Hierbij verzoeken ouders, naar aanleiding van een recentelijk gedane opdracht van een kinderrechter van de Rechtbank Groningen aan een jeugdinstelling, inzage en afschrift van het complete dossier wat u in uw bezit heeft betreffende eerder genoemde kinderen

Daarnaast wordt verzocht om de BIG registratiegegevens van de gedragswetenschappers/artsen die bij uw instelling werken."

1.2 Op 14 oktober 2010 heeft verweerster naar aanleiding van het verzoek van eisers een brief verstuurd met het verzoek contact op te nemen voor een afspraak.

1.3 Bij brief van 17 november 2010 hebben eisers verweerster erop gewezen dat inmiddels vijf weken zijn verstreken sinds het verzoek en dat zij nog niets hebben gehoord.

1.4 Op 4 januari 2011 heeft verweerster eisers per e-mailbericht verzocht aan te geven welke stukken uit de dossiers eisers willen bekijken.

1.5 Bij e-mailbericht van 5 januari 2011 hebben eisers aangegeven dat zij beschikken over de beschikkingen van rechtbanken en de verweerschriften vanaf 2007, maar dat zij geen relevante informatie hebben zoals onderzoeken AMK, contactjournalen, gespreksverslagen etc. Zij willen inzage en afschrift van al deze op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij afzonderlijk e-mailbericht van dezelfde datum hebben eisers voorts aangegeven dat zij een afschrift willen van alle stukken betreffende de drie kinderen, met uitzondering van de beschikkingen en verweerschriften vanaf 2007.

1.6 Op 7 januari 2011 zijn stukken afgeleverd bij eisers. Bij e-mailbericht van 23 februari 2011 hebben eisers verweerster een overzicht gestuurd met gegevens die nog ontbreken.

1.7 Bij e-mailbericht van 25 februari 2011 heeft verweerster aangegeven dat de gedragsdeskundigen niet BIG-geregistreerd zijn en ook niet verplicht zijn dat te doen.

1.8 Op 2 maart 2011 hebben eisers ontbrekende stukken ontvangen. Bij e-mailbericht van 3 maart 2011 hebben eisers aangegeven dat een aantal stukken nog steeds ontbreekt. Verweerster heeft bij e-mailbericht van 4 maart 2011 aangegeven deze stukken niet in haar bezit te hebben.

2 Verweerster heeft het verzoek opgevat als een verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Zij heeft zich onder verwijzing naar artikel 105 van de Wet op de jeugdzorg op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk. Voorts heeft verweerster gesteld dat de ouders in elk geval op 3 maart 2011 alle stukken uit het dossier waar zij recht op hebben, hebben ontvangen.

3 Eisers hebben aangevoerd dat verweerster nog steeds geen besluit heeft genomen in de zin van de Awb. Het verzoek is gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het verzoek om de BIG-registraties van de gedragswetenschappers is geen verzoek op grond van de Wbp. Het converteren van een Wob-verzoek in een Wbp-verzoek is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (4 juni 2008, LJN: BD3104) niet toegestaan. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij nog steeds niet over alle gevraagde stukken beschikken.

4 Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 105 van de Wet op de jeugdzorg gelden een beslissing van een stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een zorgaanbieder op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, van de Wbp, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 van die wet, ook voor zover de stichting, de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de zorgaanbieder de beslissing heeft genomen als bestuursorgaan, voor de toepassing van Hoofdstuk 8 van die wet, als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar moet maken tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

5 De rechtbank stelt vast dat eisers in hun verzoek noch de Wbp, noch de Wob als grondslag van het verzoek hebben genoemd. Het verzoek om de gegevens inzake de BIG-registraties van de gedragswetenschappers en artsen ziet op een bestuurlijke aangelegenheid en kan -nu het niet ziet op persoonsgegevens van eisers- niet anders worden opgevat dan als een verzoek op grond van de Wob. Ook het verzoek om inzage en afschrift van de dossiers heeft betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid. Gelet op de tekst van het verzoek bestond er geen aanleiding aan te nemen dat dit gedeelte van het verzoek was gebaseerd op de Wbp en niet op de Wob. Eisers hebben bij brief van 13 juni 2011 aangegeven dat hun verzoek is gebaseerd op de Wob. Het had op de weg van verweerster gelegen om bij eisers na te vragen op welke wetgeving hun verzoek was gebaseerd. Verweerster is dan ook ten onrechte uitgegaan van een Wbp-verzoek (vergelijk de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2008).

6 Niet is gebleken dat verweerster een besluit heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van eisers. Verweerster heeft derhalve niet tijdig een besluit genomen op het verzoek.

7 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

8 De rechtbank zal op grond van artikel 8:55c van de Awb de hoogte van de dwangsom vaststellen. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerster de ingebrekestelling van 17 november 2010 op 18 november 2010 heeft ontvangen. De hierin gestelde termijn van twee weken heeft daarmee gelopen tot en met 2 december 2010. Vanaf 3 december 2010 is de volgende dwangsom verbeurd:

- de eerste 14 dagen (3 december 2010 tot en met 16 december 2010) € 20,- per dag is € 280,-;

- de tweede 14 dagen (17 december 2010 tot en met 30 december 2010) € 30,- per dag is € 420,-;

- de derde 14 dagen (31 december 2010 tot en met 13 januari 2011) € 40,- per dag is € 560,-.

De door verweerster verbeurde dwangsom beloopt daarmee in totaal € 1.260,-.

9 Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerster opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eisers.

10 De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerster een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

11 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerster te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 218,50 (2 punten x factor 0,25 x € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden en ter hoogte van welk bedrag dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van die wet zijn verbeurd.

12 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerster het betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- dient te vergoeden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eisers gegrond;

- stelt vast dat verweerster als gevolg van het niet tijdig beslissen op het verzoek een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-;

- draagt verweerster op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eisers;

- bepaalt dat verweerster aan eisers een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-.

- veroordeelt verweerster in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 218,50, te betalen aan eisers;

- gelast dat verweerster het door eisers betaalde griffierecht van € 152,- aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.