Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
402529 KG ZA 11-1058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering betreft opheffen bevoegdheid deurwaarder inzake beslaglegging ten laste van de Libische Staat c.s.. Een gelegd conservatoir beslag is na aanzegging van de Minister opgeheven en voorgenomen beslag is ivm die aanzegging niet gelegd. Beslag is in strijd met immuniteit van executie (vgl HR 11-07-08). Vermogensbestanddelen zouden commerciële bestemming hebben? Op dit punt geldt een presumptie van immuniteit (vgl VN-Verdrag 02-12-04). ook is beslag in strijd met VN-sancties ingevolge Resolutie 1970 (2011).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 402529 / KG ZA 11-1058

Vonnis in kort geding van 22 september 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk Société Sorelec SA,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te St-Jean de Braye Cedex (Frankrijk),

eiseres,

advocaat mr. T.D. de Groot te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te ’s-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 september 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 26 februari 2011 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) een resolutie aangenomen (Resolution 1970 (2011)) die alle lidstaten van de VN –kort gezegd– verplicht om met onmiddellijke ingang alle vermogensbestanddelen op hun grondgebied, die eigendom zijn of onder controle staan van een aantal specifiek aangewezen personen en instellingen uit Libië, te bevriezen.

1.2. De verplichtingen in deze resolutie zijn onder meer uitgewerkt in de Europese Verordening 204/2011 van 2 maart 2011 (hierna ook: de Vo). Het doel van de Vo is te garanderen dat de beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië in alle Europese lidstaten uniform door de marktdeelnemers worden toegepast. Bijlage II bij de Vo bevat een lijst met namen van natuurlijke en rechtspersonen die door de Veiligheidsraad van de VN of door het Sanctiecomité zijn aangewezen als entiteiten tegen wie de sancties zich richten. Op deze lijst staan onder meer de Centrale Bank van Libië, de Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation. Artikel 5 lid 1 en 2 van de Vo luidt als volgt:

1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de in bijlagen II en III genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen, worden bevroren.

2. Aan of ten behoeve van de in bijlagen II en III genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen mogen geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.

1.3. Op 17 maart 2011 heeft de VN Veiligheidsraad een nieuwe resolutie uitgevaardigd (Resolution 1973 (2011)); deze nieuwe resolutie (hierna: de resolutie) kwam in de plaats van voormelde resolutie van 26 februari 2011.

1.4. Bij verzoek van 4 juli 2011 heeft eiseres de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht om verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder een drietal in Nederland gevestigde banken ten laste van de Libische Staat en de Centrale Bank van Libië, met begroting van haar vordering op € 445.000.000,--. Daarbij heeft eiseres onder meer gesteld dat zij in september 1979 met de Libische Staat heeft gecontracteerd voor de bouw van 70 scholen en 200 logementsgebouwen in Libië, maar dat het project niet kon worden afgerond omdat de Libische Staat vanaf 1985 verdere uitvoering van het contract heeft verhinderd ten gevolge waarvan eiseres schade heeft geleden. Ook heeft eiseres in het rekest vermeld dat zij na onderhandelingen met de Libische Staat over terug te ontvangen garanties, een bedrag van 153.120.000 Franse Franc door de Centrale Bank van Libië gerestitueerd heeft gekregen. Daarnaast heeft eiseres in het rekest gesteld dat zij op 23 september 1994, over de vergoeding van de opgelopen rente en andere schadeposten, met de Libische Staat een aanvullend akkoord heeft gesloten maar dat vervolgens de Centrale Bank van Libië haar verplichting om aan eiseres een bedrag van 228.973.000 Franse Frank te betalen, niet is nagekomen. In het rekest wordt onder meer vermeld dat onder de Libische Staat ook wordt begrepen de Libische investeringsautoriteit (Libyan Investment Authority).

1.5. Na daartoe verkregen verlof van 5 juli 2011 heeft eiseres deurwaarder Van Beest te Delft de opdracht gegeven om (een deel van) de beslagen te leggen. Vervolgens heeft de deurwaarder gedaagde in kennis gesteld van deze opdracht ingevolge artikel 3a lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Dit artikel (waarin met Onze Minister de minister van Veiligheid en Justitie wordt bedoeld) luidt als volgt:

De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële regeling is vastgesteld.

In artikel 3a lid 2 is het volgende bepaald:

Onze Minister kan een gerechtsdeurwaarder aanzeggen dat een ambtshandeling die aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem reeds is verricht, in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.

1.6. Bij e-mail van 6 juli 2011 heeft (een juridisch medewerker van) het Ministerie van Veiligheid en Justitie de deurwaarder geantwoord –zakelijk weergegeven– dat uit de stelling in het beslagrekest dat de vermogensbestanddelen die de genoemde derden onder zich hebben bestemd zijn voor beleggingsdoeleinden, wordt afgeleid dat er sprake is van gelden met een commerciële bestemming. Daaraan is onder meer toegevoegd dat het beslag geoorloofd is voor zover die vermogensbestanddelen inderdaad een commerciële en geen publieke bestemming hebben.

1.7. Bij beslagrekest van 26 augustus 2011 heeft eiseres bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht om verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag alsmede conservatoir beslag op aandelen ten laste van de Libische Staat. Ook daarna, op respectievelijk 31 augustus en 1 september 2011 heeft eiseres de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht om verlof voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van de Libische Staat dan wel de Centrale Bank van Libië. In de rekesten ten laste van de Libische Staat wordt vermeld dat onder de Libische Staat mede wordt begrepen voormelde Libyan Investment Authority alsmede de National Oil Corporation van Libië.

1.8. Na daartoe verkregen verlof op respectievelijk 26 augustus en 1 september 2011 heeft eiseres deurwaarder Triquart van GGN Van Mastrigt & Partners opdracht verleend om beslag te leggen. Omdat deurwaarder Triquart de toestemming van gedaagde af wilde wachten, heeft eiseres de opdracht ook gegeven aan deurwaarderskantoor Incassade. Laatstgenoemde heeft op 1 september 2011 een aantal beslagen gelegd.

1.9. Bij brief van 2 september 2011 heeft deurwaarder Triquart van de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) een aanzegging ex artikel 3a, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet d.d. 31 augustus 2011 ontvangen. In de aanzegging wordt gerefereerd aan de opdracht aan deurwaarder Triquart en de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam waarbij verlof tot beslaglegging is verleend. De aanzegging luidt als volgt:

Ik acht deze ambtshandeling, na consultatie van mijn ambtgenoot van Buitenlandse zaken in strijd met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat, voor zover het voorgenomen beslag entiteiten betreft die vallen onder het VN sanctieregime voor Libië, op basis van VN Veiligheidsraadresolutie 1970 van 26 februari 2011. Het betreffen in ieder geval de in het verzoekschrift genoemde Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation.

De uitzondering in resolutie 1970 voor wat betreft beslagen en rechterlijke uitspraken die dateren van voor de aanname deze resolutie is niet van toepassing, nu ten aanzien van de Nederlandse rechtsorde uit de overgelegde stukken niet blijkt van een rechterlijke uitspraak of beslag van voor 26 februari 2011.

Voor zover het conservatoir beslag ten laste zou worden gelegd van de Libische Staat, niet betreffende entiteiten op de sanctielijst, geldt dat dit alleen geoorloofd is voor zover het gelden, vorderingen en roerende zaken betreft die een commerciële – en geen publieke – bestemming hebben.

Op grond van artikel 3a, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet zeg ik om bovengenoemde reden de gerechtsdeurwaarder en zijn kantoorgenoten aan dat deze ambtshandeling, voor zover betrekking hebbend op de entiteiten die vallen onder het VN sanctieregime, strijdig is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat en uitvoering daarvan moet worden geweigerd.

Deze aanzegging is met onmiddellijke ingang van kracht en zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.

1.10. Bij brief van 6 september 2011 heeft deurwaarder A. Hennink, werkzaam bij deurwaarderskantoor Incassade, een soortgelijke aanzegging ontvangen, uitgebreid met de Central Bank of Libya.

1.11. Als gevolg van de aanzeggingen zijn de in opdracht van eiseres gelegde beslagen opgeheven en de door haar voorgenomen beslagen niet gelegd.

2. Het geschil

2.1. Eiseres vordert na wijziging van eis –zakelijk weergegeven– de onbevoegdheid van de gerechtsdeurwaarders Triquart en Hennink en hun kantoorgenoten als gevolg van de aanzeggingen aan hen van 31 augustus en 6 september 2011 met onmiddellijke ingang op te heffen.

2.2. Daartoe voert eiseres onder meer het volgende aan.

Noch de resolutie noch de Vo waarin de tenuitvoerlegging van de resolutie in de Europese Unie (EU) is geregeld verbiedt het leggen van conservatoir beslag ten laste van de in de resolutie genoemde entiteiten. Ingevolge artikel 5 lid 2 van de Vo mogen weliswaar geen tegoeden of economische middelen ter beschikking worden gesteld aan de entiteiten die vallen onder de bevriezing van de resolutie maar dit betreft geen conservatoire beslaglegging. Als gevolg van een conservatoir beslag worden immers aan deze entiteiten geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld. Subsidiair geldt dat de bevriezing niet ziet op verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst van vóór de resolutie zoals bepaald in artikel 10 van de Vo. De overeenkomsten waar eiseres zich op beroept dateren van september 1979 en mei 2001. Het ‘beveiligingsmechanisme’’ in artikel 10 ten aanzien van de vrijgave van tegoeden zet de mogelijkheid van conservatoir beslag niet opzij. Omdat gedaagde in de e-mail van 6 juli 2011 (hiervoor vermeld onder 1.6) heeft laten weten dat op basis van de mededelingen in het beslagrekest de beslagobjecten gelden met een commerciële bestemming waren, speelt in deze zaak niet het probleem dat de beslagobjecten een publieke bestemming hebben. De aanzeggingen hebben dus geen betrekking op de tegoeden en economische middelen van de Libische Staat met een publieke bestemming. Overigens is het VN sanctieregime ook van toepassing op de Libische Staat nu de daarmee verweven entiteiten Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation direct onder de bevriezing van de resolutie vallen.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De vraag is of gedaagde gehouden is voormelde aanzeggingen op te heffen.

3.2. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de aanzeggingen op twee gronden stoelen. Volgens gedaagde is enerzijds, inzake de Centrale Bank van Libië, de Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation, de resolutie van toepassing en geldt voor de beslagen ten laste van de Libische Staat dat conservatoire beslaglegging uitsluitend mogelijk is voor zover het vermogensbestanddelen met een commerciële bestemming zou betreffen.

3.3. Voorop staat dat de soevereiniteit van staten uitgangspunt is in het volkenrecht. Daarbij heeft gedaagde erop gewezen dat op hem de verantwoordelijkheid rust om op grond van het volkenrecht de immuniteit van vreemde staten op zijn grondgebied te waarborgen en dat de immuniteit van executie in de weg staat aan conservatoire beslaglegging ten aanzien van staatseigendommen, in dit geval van de Libische Staat. Gedaagde heeft wat dit betreft gerefereerd aan een uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2008 (LJN: BD1387) waarin wordt geconcludeerd dat de immuniteit van executie zowel betrekking heeft op executiemaatregelen als op conservatoire maatregelen. Geoordeeld wordt dat voor zover eiseres heeft willen betogen dat conservatoire beslaglegging geen deel uitmaakt van de immuniteit van executie, zij daarmee de heersende jurisprudentie op dit punt miskent.

3.4. De vraag is voorts of het in deze zaak slechts gaat om vermogensbestanddelen die een commerciële bestemming hebben. Op dit punt wordt gedaagde gevolgd in zijn verweer dat de enkele stelling van eiseres dat de beoogde beslagobjecten een commerciële bestemming hebben, niet toereikend is. In dit verband heeft gedaagde gewezen op de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna; het VN-verdrag), dat op 2 december 2004 zonder stemming werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN. Volgens gedaagde bieden de bepalingen inzake de immuniteit van executie in dit Verdrag, hoewel het nog niet in werking is getreden, een belangrijk richtsnoer bij de beantwoording van de vraag naar de reikwijdte van de immuniteit van executie. Daarbij heeft gedaagde gerefereerd aan het hiervoor in 3.3 vermelde arrest van de Hoge Raad. Geoordeeld wordt dat, mede gelet op dit VN-verdrag, uitgangspunt is dat er een presumptie van immuniteit geldt. In de conclusie van de advocaat-generaal voor voormeld arrest wordt eveneens geconcludeerd dat slechts indien wordt vastgesteld dat de goederen van de vreemde staat niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden, een beroep op immuniteit van executie kan worden ontzegd. De Hoge Raad heeft zich in het arrest bij deze conclusie aangesloten. Ingevolge bedoelde conclusie is het enkele feit dat een bankrekening mogelijk ook ten dele zal worden aangewend voor de financiering van zaken die niet specifiek tot de overheidstaak te rekenen zijn, onvoldoende en ontbreekt immuniteit alleen indien de beslaglegger kan bewijzen dat –een bepaald deel van– de gelden bestemd is voor commerciële doeleinden. In de onderhavige zaak heeft eiseres wel gesteld dat de vermogensbestanddelen waarop zij conservatoir beslag wil doen leggen bestemd zijn voor commerciële doeleinden, maar zulks is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Een en ander leidt tot de conclusie dat conservatoire beslaglegging ten laste van de Libische Staat afstuit op de immuniteit van executie. Dit brengt met zich dat gedaagde niet gehouden is de aanzeggingen op dit punt op te heffen.

3.5. Gedaagde heeft voorts als verweer aangevoerd dat in artikel 21 van het VN-verdrag expliciet is bepaald dat tegoeden van de centrale bank van een staat niet worden geacht een commerciële non-gouvernementele bestemming te hebben. In dat verband heeft gedaagde betoogd dat, omdat op de immuniteit voor conservatoire maatregelen minder snel een uitzondering wordt aanvaard, a fortiori moet worden aangenomen dat tegoeden van de centrale bank van een staat niet vatbaar zijn voor conservatoire maatregelen. Eiseres heeft dit betoog niet met kracht van argumenten betwist. Geoordeeld wordt dat ook wat conservatoire beslaglegging ten laste van de Centrale Bank van Libië betreft gedaagde niet gehouden is de aanzeggingen op te heffen.

3.6. Omdat op de tegoeden van de Centrale Bank van Libië, zoals op de tegoeden van de in de beslagrekesten vermelde entiteiten Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation, het VN-sanctieregime in beginsel van toepassing is, zal hierna worden ingegaan op de stelling van eiseres dat gedaagde gehouden is de aanzeggingen op te heffen omdat artikel 5 lid 1 en 2 van de Vo, althans artikel 10 van de Vo daartoe noopt. De voorzieningenrechter merkt op dat het navolgende, voor zover dat ziet op genoemde entiteiten, in feite aanvullend is op voorgaand oordeel dat conservatoire beslaglegging ten laste van de Libische Staat afstuit op immuniteit van executie. Immers in de visie van eiseres zijn beide entiteiten te vereenzelvigen met de Libische Staat, met als consequentie dat genoemd oordeel ook op hen van toepassing is.

3.7. Gedaagde heeft wat dit betreft als verweer aangevoerd dat voor zover eiseres recht en belang mocht hebben bij enig beslag ten laste van de Centrale Bank van Libië, de Libyan Investment Authority en de Libyan National Oil Corporation, dit afstuit op het VN-sanctieregime. Op dit punt verschillen partijen van mening of conservatoire beslaglegging in strijd is met artikel 5 lid 2 van de Vo. Volgens gedaagde zou hij, indien conservatoir beslag ten aanzien van deze Libische entiteiten zou worden toegestaan, niet aan zijn verplichtingen op grond van de resolutie kunnen voldoen, nu deze verplichtingen immers niet alleen gelden voor het bevriezen van tegoeden maar ook tot het toestaan van uitzonderingen op de bevriezing zoals omschreven in de door de resolutie omschreven gevallen. Ook zou conservatoir beslag, in de visie van gedaagde, verhinderen dat hij aan zijn verplichting kan voldoen om eraan bij te dragen dat de tegoeden die onder de sanctieregeling vallen, in een later stadium aan het –nieuwe– Libische gezag ter beschikking worden gesteld.

3.8. Tegenover het verweer van gedaagde heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de beoogde reikwijdte van de ‘asset freeze’ eng geïnterpreteerd dient te worden of dat de voorgenomen conservatoire maatregelen op geen enkele manier in strijd zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de resolutie en de Vo. Geoordeeld wordt dat bevriezing zoals door de resolutie wordt beoogd zich niet verdraagt met een conservatoir beslag dat immers een wijziging in de rechtstoestand van een goed brengt. Dat eiseres in deze zaak een beroep kan doen op een uitzondering in geval er bijvoorbeeld sprake is van een justitieel retentierecht of een justitieel vonnis daterend van vóór de inwerkingtreding van de sancties, is voorshands niet gebleken. Een en ander leidt tot de conclusie dat naar voorlopig oordeel de door eiseres beoogde conservatoire beslaglegging in strijd is met artikel 5 lid 2 van de Vo. Het beroep van eiseres op de uitzondering van artikel 10 van de Vo slaagt evenmin. In dit artikel is –kort gezegd– bepaald dat indien betaling verschuldigd is op grond van een overeenkomst daterend van vóór de inwerkingtreding van de ‘asset freeze’ de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in dit geval Nederland, onder voorwaarden toestemming kunnen geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden. Omdat van een bereidheid tot een dergelijke toestemming niet is gebleken, kan eiseres geen beroep doen op deze uitzonderingsbepaling.

3.9. Al het voorgaande leidt ertoe dat gedaagde niet gehouden is voormelde aanzeggingen op te heffen. Daarom moet de vordering van eiseres afgewezen worden. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.376,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2011.

AB