Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6233

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
1048037 \ CV EXPL 11-2285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsverwerking van vordering betreffende respectievelijk salaris, compensatie rust-, en feestdagen, vermeende niet betaalde uren tijdens meeerdaagse reizen, vrije dagen, spaaruren, toeslagen etc van buschauffeur jegens zijn (ex-) werkgever, een busreisonderneming. De vordering is pas ruim twee jaar na beëindiging van dienstverband ter kennis gebracht van ex-werkgever door buschauffeur, die maandelijks een salarisstrook ontving en tevens maandelijlkse urenstaten ontving waarop bovengenoemde items (vrije dagen etc) vermeld stonden. Buschauffeur rekende wel af met de (ex-)werkgever inzake onkostenvergoeding tijdens meerdaagse reizen. Het wel afrekenen inzake die onkostenvergoedingen, maar het achterwege laten van reclame betreffende de andere fianciële verplichtingen van de (ex-)werkgever is een handelen en/of nalaten waardoor het recht is verwerkt de al of niet correcte voldoening aan die verplichtingen alsnog ter dicussie te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie Leiden

gk

Rolnr.: 1048037 \ CV EXPL 11-2285

Datum: 27 juli 2011

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Blom (FNV),

tegen

[gedaagde],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings/kantoorplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.J.M. Mommers (KNV).

Partijen worden aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 1 maart 2011 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties.

Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast.

De comparitie is gehouden op 29 juni 2011; van het verhandelde is aantekening gehouden.

Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft [eiser] nog een tweetal producties overgelegd, waartegen door [gedaagde] bezwaar is gemaakt. De kantonrechter heeft geen kennis genomen van deze producties.

Feiten

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.

1. [Eiser], geboren op [geboortedatum 1965], is van 14 juni 1999 tot 1 september 2006 in dienst geweest van [gedaagde] (laatstelijk) als touringcarchauffeur. Het laatstelijk verdiende salaris bedroeg € 2.009,30 exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

2. Op de dienstbetrekking tussen partijen was de CAO Besloten Busvervoer (hierna: “de CAO”) van toepassing, zoals deze gold respectievelijk vanaf 1 april 2004 tot en met 31 december 2005 en vanaf 1 januari 2006 tot en met 30 juni 2008.

3. Bij brief van 5 januari 2009 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat [eiser] nog € 5.883,39 tegoed heeft wegens verkeerde toepassing van de CAO met betrekking tot onder meer compensatie rust- en feestdagen, berekening uren tijdens meerdaagse reizen, vrije dagen, spaaruren en toeslagen.

Vordering

1. [Eiser] vordert een bedrag ad € 4.183,83 bruto ter zake van salaris en toeslagen en een bedrag ad € 1.699,56 bruto ter zake vergoeding niet genoten vakantiedagen over de periode 1 januari 2004 tot 1 september 2006. Tezamen uitkomende op het bovengenoemde bedrag ad € 5.883,39.

Een en ander vermeerderd met € 300,-- ex BTW aan buitengerechtelijke kosten, wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% en voorts veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2. Daartoe stelt [eiser] – kort samengevat – dat [gedaagde] de genoemde CAO niet goed heeft toegepast op de punten van respectievelijk compensatie rust- en feestdagen, berekening uren tijdens meerdaagse reizen, vrije dagen, spaaruren toeslagen etc. [Eiser] verwijst naar de loonstroken en urenstaten, alsmede aan een door hem gemaakte berekening aan de hand daarvan.

3. [Eiser] stelt steeds bezwaar te hebben gemaakt tegen de loonstroken en urenstaten. Voorts stelt [eiser] in april 2006 alle tachograafschijven te hebben opgevraagd bij [gedaagde], doch niet te hebben gekregen.

Verweer

1. Primair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de vordering veel te laat is ingesteld. [Gedaagde] mag van een werknemer verwachten dat hij/zij binnen bekwame tijd na ontvangst van de urenstaat protesteert, indien er zaken naar zijn/haar mening niet juist zouden zijn, als gevolg waarvan er te weinig zou zijn uitbetaald. [Eiser] beschikte over de per maand opgemaakte loonstroken en de urenstaten. De urenstaten werden aanvankelijk met enige vertraging van ongeveer drie maanden na de referentiemaand aan [eiser] verstrekt, doch gaandeweg werd die periode ingekort. In ieder geval had [eiser] aan de hand van de loonstroken en urenstaten binnen een termijn van 30 dagen, althans een redelijke termijn na ontvangst van beide stukken betreffende de referentiemaand kunnen protesteren. Dat heeft [eiser] steeds nagelaten.

[Gedaagde] verwijst naar diverse vonnissen van kantonrechters, die een reactietermijn van 30 dagen als genoemd in de bij de betreffende zaken spelende cao en/of chauffeurshandboek redelijk achten, althans uitgaan van de bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 en 7:23 BW.

2. Na beëindiging van het dienstverband heeft [eiser] de tachograafschijven opgevraagd. [Gedaagde] heeft geantwoord dat [eiser] ze kon komen inkijken. Het is een te groot pak om geheel te kopiëren.

3. Met betrekking tot het fenomeen “reismappen” rekende [eiser] wel af met [gedaagde] door deze mappen, zij het soms veel te laat, in te leveren. Met de reismap wordt het volgende bedoeld.

In verband met onderweg te verwachten kosten ontvangt een chauffeur van zijn werkgever voorafgaand aan de rit contant een voorschot. Na terugkomst dient de chauffeur alle daadwerkelijk gemaakte kosten te inventariseren, en, voorzien van bonnen, af te rekenen. Een resterend voorschot dient aan de werkgever teruggegeven te worden, en indien de kosten hoger waren dan het voorschot, dient de werkgever extra kosten te vergoeden. Het is onbegrijpelijk dat [eiser] geen afrekening heeft laten volgen met betrekking tot de thans gevorderde posten.

4. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de dagvaarding wat betreft de ingestelde vorderingen niet duidelijk is. In het lichaam van de dagvaarding worden andere bedragen genoemd dan in het petitum ervan. Voorts worden verwijten gemaakt ten aanzien van vermeende verkeerde toepassing van een aantal CAO-bepalingen zonder dat dit wordt gespecificeerd. Volstaan wordt met verwijzing naar een berekening (productie 4 bij dagvaarding) zonder dat wordt aangegeven wat [gedaagde] verkeerd zou hebben berekend.

[Eiser] legt alle loonstroken en urenstaten over zonder specifiek de achtergrond van de vorderingen te belichten. [Eiser] heeft ontvangen wat hem toekomt volgens [gedaagde].

5. Op grond van het bovenstaande dient [eiser] in zijn vorderingen niet –ontvankelijk te worden verklaard, althans dienen deze te worden afgewezen met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Beoordeling

1. Gebleken is dat de functie van touringcarchauffeur grote variatie in de werktijden en bestemmingen met zich brengt. Onregelmatigheid is meer regel dan uitzondering. De CAO kent dan ook uitvoerige regelingen met betrekking tot werktijden en arbeidsadministratie, overuren, spaaruren, toeslagen, verlofrechten en vakantierechten etc.

Maandelijks werd aan [eiser] een loonstrook verschaft. Ook ontving [eiser] de urenstaten, waarop het aantal gewerkte uren, ziektedagen, compensatierustdagen, compensatiefeestdagen, verlofdagen, werkdagen, feestdagen, rustdagen, toeslagen en onkosten werden vermeld. Deze urenstaten kreeg [eiser] ongeveer drie maanden na de referentiemaand.

Met betrekking tot de meerdaagse reizen, die ook vermeld staan op de urenstaten, ontving [eiser] telkens de hierboven bedoelde reismap met voorschotten. Deze voorschotten werden na de betreffende maanden tussen partijen separaat afgerekend qua hotelkosten, diners, lunches en parkeergelden. Het wel reageren op het punt van onkosten bij meerdaagse reizen, maar het achterwege laten van reclame betreffende de andere financiële verplichtingen van [gedaagde] jegens [eiser] merkt de kantonrechter aan als een handelen en/of nalaten van [eiser] waardoor [gedaagde] door tijdsverloop in een nadelige positie wordt gebracht. [Gedaagde] mag er van uitgaan dat op een gegeven moment de door haar toegepaste berekeningen tussen partijen vaststaan en niet opnieuw na lange tijd weer ter discussie worden gesteld. De loonstroken en urenstaten geven vrij uitvoerig diverse bedragen weer betreffende gewerkte uren en andere hierboven genoemde items. Op het moment van verkrijging daarvan door [eiser] liggen de feiten en gegevens bij [eiser] en [gedaagde] nog redelijk vers in het geheugen om door [eiser] te kunnen worden getoetst en door hem met [gedaagde] te kunnen worden besproken.

2. De tachograafschijven komen pas aan de orde wanneer [eiser] aangeeft, dat het aantal uren op de urenstaat betreffende een referentiemaand niet klopt.

3. De CAO kent geen termijn waarbinnen van de werknemer verwacht wordt bezwaar te maken tegen de inhoud van de loonstroken en urenstaten. Daarnaast is niet op andere wijze tussen partijen een termijn overeengekomen, waarbinnen de werknemer kan reclameren betreffende de loonstroken in combinatie met de urenstaten. Dit was wel het geval in de door de kantonrechter te Utrecht besliste zaak (rolno 11502 CV-97-750 d.d. 10 juni 1998) waarbij tussen de betreffende partijen in het chauffeurshandboek een reclametermijn van 30 dagen was overeengekomen. Deze termijn werd door de Utrechtse kantonrechter niet te kort bevonden.

In het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch besliste geval (appelzaak rolno 75497/HA ZA 02-24 d.d. 18 februari 2004) was in het geheel geen reclametermijn overeengekomen. De Bossche rechtbank overwoog dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de werknemer, die het met de afrekening van zijn werkgever niet eens is, protesteert wanneer het hem uitkomt. Hij dient dat binnen redelijke termijn te doen. De kantonrechter is deze mening ook toegedaan en sluit zich aan bij het algemeen rechtsbeginsel dat men binnen bekwame tijd dient te protesteren. Dit naar analogie van het bepaalde in de artikelen 6:89 en 7:23 BW. Een reclametermijn van twee maanden acht de kantonrechter ten deze redelijk.

4. [Eiser] heeft ter comparitie verklaard, dat voortschrijdend inzicht tot het late protest heeft geleid. Daardoor is zijn in de dagvaarding vervatte stelling, dat hij telkens heeft geprotesteerd tegen de loonstroken, ontkracht.

Nu [eiser] wel de onkosten van meerdaagse reizen met [gedaagde] afrekende, doch heeft nagelaten te protesteren betreffende overige financiële verplichtingen van [gedaagde], heeft hij jegens [gedaagde] niet te goeder trouw gehandeld en heeft hij ruim twee jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de gegeven omstandigheden het recht verwerkt de specificaties op urenstaten en loonstaten ter discussie te stellen.

5. De verjaringstermijn van vijf jaren staat er niet aan in de weg, dat op grond van redelijkheid en billijkheid een vorderingsrecht op korte termijn verloren gaat (HR 8 december 1989, NJ 1990,474).

Zolang de vijf jaren termijn niet is verstreken, kan [gedaagde] geen beroep op verjaring doen. Zij heeft dat slechts kunnen doen met betrekking tot de korte periode 1 t/ m 4 januari 2004. Voor het overige kan [eiser] een vordering instellen, voor zover deze gerechtvaardigd is. Dat is niet het geval nu [eiser] zijn rechten heeft verwerkt, zoals sub 4 overwogen.

6. Op grond van het bovenstaande zal [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen worden verklaard.

7. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 500,-- voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G. Keizer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2011.