Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2744

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
Awb 11/28131
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

AA-procedure / Beëindiging opvang / artikel 5, eerste lid, sub b, Rva 2005 / artikel 8:83, vierde lid, Awb

Voor zover hier van belang is in de Staatscourant van 12 september 2006, nr. 177 / pag. 7 een wijziging van de tekst van artikel 5, eerste lid, sub b, van de Rva 2005 neergelegd. Deze wijziging bestaat daaruit dat, blijkens de toelichting, aan de tot dan geldende tekst de volgende passage is toegevoegd: voor zover uitzetting gedurende de behandeling van dit verzoek achterwege blijft.

De rechter wijst er op dat in de toelichting op de wijziging van voornoemd artikel expliciet wordt opgemerkt dat met deze wijziging geen sprake is van een inhoudelijke wijziging. De rechter acht het dan ook bevreemdend dat met deze wijziging ook de haakjes zijn verdwenen die in de oorspronkelijke versie stonden rond het woord "hoger". Die weglating zou namelijk, strikt genomen, impliceren dat na een afgewezen asielverzoek enkel opvang wordt verleend indien binnen de vertrektermijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende een hoger beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingediend en niet ook, zoals blijkens de oorspronkelijke tekst het geval was, indien binnen de vertrektermijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende een beroepschrift bij de rechtbank is ingediend.

Nu blijkens de toelichting geen inhoudelijke wijziging is beoogd en ook anderszins niet inzichtelijk is waarom de haakjes niet meer in de huidige tekst zijn opgenomen, gaat de rechter er vanuit dat in zoverre sprake is van een kennelijke verschrijving. De rechter is dan ook, mede gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het recht van het COA om de opvang van verzoeker te beëindigen niet voortvloeit uit artikel 5, eerste lid, sub b, van de Rva 2005.

Nu het COA echter heeft aangekondigd wel tot beëindiging van de opvang van verzoeker over te gaan, is de rechter van oordeel dat het belang van verzoeker om de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te mogen wachten met behoud van opvang, zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onverkorte handhaving van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/28131

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum],

van Moldavische nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer] verzoeker,

gemachtigde: mr.drs. G.M. Vergouw, advocaat te Arnhem,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen.

Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld.

Op 30 augustus 2011 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege zal blijven gedurende de beroepsprocedure.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

Bij brief van 12 september 2011 heeft verzoeker verzocht om versnelde behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening met Awb kenmerk 11/28131, en voorts heeft hij verzocht verweerder te verbieden verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen en de opvang te beëindigen totdat op zijn beroepschrift is beslist. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de behandeling ter zitting van de voorlopige voorziening eerst op 11 oktober 2011 is bepaald, terwijl de opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) op 27 september 2011 zal worden beëindigd.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat één van de rechtsgevolgen van (de bekendmaking van) het besluit van 30 augustus 2011 is dat verstrekkingen op de voorgeschreven wijze zullen worden beëindigd. Tevens stelt de voorzieningenrechter vast dat het COA desgevraagd heeft bevestigd dat de opvang van verzoeker na het verstrijken van de vertrektermijn van 28 dagen na bekendmaking van het besluit van 30 augustus 2011 zal worden beëindigd.

4. Ingevolge de tekst van artikel 5, eerste lid, sub b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005) - als gepubliceerd in de Staatscourant 3 februari 2005, nr. 24 / pag. 17 - eindigt het recht op opvang van een asielzoeker, indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is afgewezen, tenzij de asielzoeker in afwachting is van een rechtelijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend eerste verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de beslissing dat de behandeling van het (hoger) beroepschrift niet in Nederland mag worden afgewacht.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel eindig het recht op opvang, in het geval, bedoeld onder b, vier weken na de dag waarop het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzend is beslist.

Voor zover hier van belang is in de Staatscourant van 12 september 2006, nr. 177 / pag. 7 een wijziging van de tekst van artikel 5, eerste lid, sub b, van de Rva 2005 neergelegd. Deze wijziging bestaat daaruit dat, blijkens de toelichting, aan de tot dan geldende tekst de volgende passage is toegevoegd: voor zover uitzetting gedurende de behandeling van dit verzoek achterwege blijft.

De rechter wijst er op dat in de toelichting op de wijziging van voornoemd artikel expliciet wordt opgemerkt dat met deze wijziging geen sprake is van een inhoudelijke wijziging. De rechter acht het dan ook bevreemdend dat met deze wijziging ook de haakjes zijn verdwenen die in de oorspronkelijke versie stonden rond het woord "hoger". Die weglating zou namelijk, strikt genomen, impliceren dat na een afgewezen asielverzoek enkel opvang wordt verleend indien binnen de vertrektermijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende een hoger beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ingediend en niet ook, zoals blijkens de oorspronkelijke tekst het geval was, indien binnen de vertrektermijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende een beroepschrift bij de rechtbank is ingediend.

5. Nu blijkens de toelichting geen inhoudelijke wijziging is beoogd en ook anderszins niet inzichtelijk is waarom de haakjes niet meer in de huidige tekst zijn opgenomen, gaat de rechter er vanuit dat in zoverre sprake is van een kennelijke verschrijving. De rechter is dan ook, mede gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het recht van het COA om de opvang van verzoeker te beëindigen niet voortvloeit uit artikel 5, eerste lid, sub b, van de Rva 2005.

6. Nu het COA echter heeft aangekondigd wel tot beëindiging van de opvang van verzoeker over te gaan, is de rechter van oordeel dat het belang van verzoeker om de uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland af te mogen wachten met behoud van opvang, zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij onverkorte handhaving van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

7. Gelet op het voorgaande ziet de rechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb een ordemaatregel te treffen, inhoudende dat uitzetting van verzoeker wordt verboden tot op het verzoek om een voorlopige voorziening met Awb kenmerk 11/28131 is beslist. Het recht op opvang blijft dan op grond van artikel 5, eerste lid, sub a, van de Rva bestaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt bij wijze van ordemaatregel dat het verweerder verboden is verzoeker uit te zetten totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2011

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Registratienummer: Awb 11/28131 blad 3/3

Uitspraak