Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2459

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
368131 / HA ZA 10-2054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad door primair twee in beslag genomen zendingen kaviaar 5 maanden na last tot terugave terug te geven en zich niet te gedragen als een goed bewaarder en subsidiair op grond van een onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen; Staat hangende hoger beroep tegen vonnis waarbij last tot teruggave is gegeven niet gehouden tot teruggave kaviaar; pas na intrekking hoger beroep vonnis in kracht van gewijsde; hoger beroep heeft er niet toe geleid dat eiseres op onredelijke wijze in haar belangen is geschaad, ook gedurende hoger beroep aan eiseres bevoegdheid toe om zich via artikel 552a Sv te beklagen over beslag. geen sprake sprake van onredelijke termijn tussen last tot teruggave en feitelijke teruggave; Staat als goed bewaarder opgetreden; ten aanzien van de subsidiaire vordering geldt dat geen sprake is van een toepassing van dwangmiddelen in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Wel sprake van gebleken onschuld voor wat betreft één van de tenlastegelegde feiten (zending I). Ook ingeval de strafrechter oordeelt dat het tenlastegelegde feitencomplex geen strabaar feit oplevert, is plaats voor het oordeel dat achteraf moet worden vastgesteld dat verdachte ten onrechte is vervolgd (Begaclaim-arrest). Verwijzing naar de rol voor nader uitlaten omvang schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 368131 / HA ZA 10-2054

Vonnis van 23 februari 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

de vennootschap naar Duits recht

ALTONAER KAVIAR IMPORT HAUS [A] GMBH & CO K.G.,

gevestigd en kantoorhoudende te Hamburg, Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. W.F.A.A.A.M. van de Pol te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Justitie),

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna Altonaer en de Staat genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 mei 2010;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van Altonaer van 9 juni 2010;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 18 augustus 2010 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 januari 2011 en de daarin vermelde stukken.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

De rechtbank heeft nog ontvangen de brief van 9 februari 2011 van mr. Van de Pol. De daarin gemaakte opmerkingen over het proces-verbaal geven de rechtbank geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal, met dien verstande dat waar op pagina 3 eerste alinea wordt gesproken over de beschikking van 27 december 2005 is bedoeld de beschikking van 7 december 2005. Overigens heeft de rechtbank geen acht geslagen op de desbetreffende brief voor zover deze geen concrete aanmerkingen op het proces-verbaal bevat.

2.De feiten

2.1.Altonaer is een Duitse onderneming die zich onder meer bezig houdt met de handel in kaviaar.

2.2.Op 1 en 6 juli 2005 zijn op Schiphol twee voor Altonaer bestemde uit Kazachstan afkomstige zendingen kaviaar, bestaande uit respectievelijk 22 kisten Osetra kaviaar (449,7 kg) en 9 kisten Sevruga kaviaar (137,64 kg) (hierna: "zending I") en 46 kisten Sevruga kaviaar (1.017,86 kg) (hierna: "zending II") in beslag genomen op grond van verdenking van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet (FFW). Deze verdenking is gerezen naar aanleiding van - kort gezegd - geconstateerde onvolkomenheden ten aanzien van de vergunningen, de verpakking en de etikettering.

2.3.Op 14 november 2005 heeft (onder andere) Altonaer bij de rechtbank Haarlem een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend, waarin zij heeft verzocht om opheffing van de gelegde beslagen en een last tot teruggave van de in beslag genomen zendingen kaviaar.

2.4.De rechtbank Haarlem heeft bij tussenbeschikking van 7 december 2005 het beslag op de beide zendingen kaviaar rechtmatig geoordeeld. Daarbij heeft zij overwogen dat de verpakkingswijze en de etikettering van de kaviaar niet in overeenstemming zijn met Resolutie 12.7 van de Conferentie der Partijen van het CITES-verdrag en voorts dat de vergunningen niet kloppen en een vergunning voor de tweede zending ontbreekt, zodat terecht de verdenking is gerezen dat sprake is van overtreding van artikel 13 FFW. Met betrekking tot de vraag of het beslag op de beide zendingen moet blijven rusten heeft de rechtbank overwogen dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de economische (politie)rechter (een van) de zending(en) aan het verkeer zal onttrekken. Hoewel aannemelijk is gemaakt dat het om legale zendingen kaviaar gaat, is volgens de rechtbank sprake van teveel aan Altonaer te wijten onvolkomenheden. De rechtbank heeft de behandeling van het klaagschrift aangehouden teneinde Altonaer de gelegenheid te bieden om deze onvolkomenheden te herstellen.

2.5.Bij beschikking van 27 december 2005 heeft de rechtbank Haarlem - nadat de kaviaar op 20 december 2005 opnieuw was gekeurd - het beslag op de beide zendingen kaviaar wederom rechtmatig geoordeeld op gelijke gronden als weergegeven in de tussenbeschikking van 7 december 2005. Daarnaast heeft zij het klaagschrift van Altonaer ongegrond verklaard nu Altonaer er volgens haar niet in is geslaagd om de onvolkomenheden aan de verpakking en de etikettering van de in beslag genomen zendingen te herstellen en ten aanzien van zending II een Duitse invoervergunning over te leggen. Daartoe heeft zij onder meer als volgt overwogen:

"Uit het voornoemde aanvullend proces-verbaal [van de Algemene Inspectiedienst] blijkt dat de gecontroleerde blikken niet voldoen aan de voorschriften en voorwaarden (...). Alle gecontroleerde blikken zijn te openen en te sluiten, zonder dat de aangebrachte niet-herbruikbare sluitzegels daarbij worden beschadigd of verbroken. Klaagsters hebben de wijze gekozen waarop de herlabeling plaats zou vinden en de materialen die daarbij gebruikt zijn is aan klaagsters geweest. Het komt dan ook voor hun risico wanneer zij lijm hebben gebruikt die onder de (hen vooraf bekende) verpakkingscondities niet tijdig droog was, zodat bij controle de labels eenvoudig verwijderd konden worden. (...) Nu het voldoen aan deze voorwaarde in hun faxbericht van 12 december 2005 door het Bundesambt fur Naturschutz als voorwaarde was gesteld voor het afgeven van een importvergunning, zal de vraag of dit faxbericht als een importvergunning zou kunnen gelden, alleen al daarom negatief beantwoord worden. Gelet op het feit dat de zendingen kaviaar niet voldoen aan de vereisten gesteld in Resolutie 12.7 alsmede nu ten aanzien van de tweede partij kaviaar een importvergunning ontbreekt acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk, dat de economische (politie)rechter, later oordelend, de zendingen kaviaar aan het verkeer zal onttrekken dan wel verbeurd zal verklaren. (...)"

2.6.In de (onder meer) tegen Altonaer aanhangig gemaakte strafzaak is aan Altonaer ten laste gelegd dat zij - kort gezegd - op 1 en 6 juli 2005 hoeveelheden kaviaar van de steur (Acipenseridae), behorende tot een beschermde uitheems diersoort, als aangewezen door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in artikel 4 van de Regeling aanwijzing dier- en platensoorten Flora- en faunawet en genoemd in bijlage A en/of B van de basisverordening EG nr. 338/97, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (hierna aan te duiden als feit 1 met betrekking tot 1 juli 2005 en feit 2 met betrekking tot 6 juli 2005).

2.7.De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 11 mei 2006 wettig en overtuigend bewezen geacht dat Altonaer de haar ten laste gelegde feiten heeft begaan. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de inbeslagneming wordt gerechtvaardigd door de geconstateerde gebreken aan de vergunningen, de verpakking en de etikettering. De rechtbank heeft Altonaer ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2 ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen:

"4.2 Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat ten aanzien van de partij kaviaar bedoeld in het onder 1 ten laste gelegde feit een vrijstelling van het verbod van artikel 13 van de Flora- en faunawet geldt; voor deze kaviaar zijn importvergunningen afgegeven door de bevoegde Duitse autoriteiten, die corresponderen met de door de bevoegde-Kazachstaanse autoriteiten afgegeven exportvergunningen. Hoewel onvolkomenheden aan de verpakking en aan de sluitzegels zijn geconstateerd, staat het voor de rechtbank op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting genoegzaam vast dat de vergunningen betrekking hebben op de op 1 juli 2005 ingevoerde kaviaar. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

4.2 Ten aanzien van feit 2

(...)

Op grond van het hiervoor overwogene moet worden geoordeeld dat er geen geldige importvergunning voor deze partij was afgegeven en er daarvoor dus ook geen wettelijke vrijstelling van het verbod van artikel 13 van de Flora- en faunawet geldt. Het bewezenverklaarde en strafbaar geoordeeld feit 2 levert op: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet, begaan door een rechtspersoon.

5. Strafbaarheid van de verdachte

(...)

De rechtbank stelt vast dat verdachtes mededader verdachte niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de exportvergunning (nr. 607) voor de partij kaviaar was vervangen door een nieuwe vergunning (nr. 616). Verdachte, die er wel van op de hoogte was dat er minder kaviaar zou worden ingevoerd dan aanvankelijk was afgesproken, hoefde er naar het oordeel van de rechtbank niet op bedacht te zijn dat daarvoor een nieuwe exportvergunning was aangevraagd, nu de importvergunning (vakje 27) de mogelijkheid biedt aan te geven dat er minder geïmporteerd of geëxporteerd is dan waarvoor vergunning is verleend. Het aanvragen van een nieuwe vergunning in een dergelijke situatie is wettelijk ook niet voorgeschreven. Verdachte verkeerde derhalve verschoonbaar in de veronderstelling dat voor de in te voeren kaviaar een geldige importvergunning was afgegeven en dat zij, toen die partij werd ingevoerd conform de regelgeving handelde. Nu verdachte ter zake verschoonbaar heeft gedwaald is verdachte niet strafbaar en dient hij te worden vrijgesproken van alle rechtsvervolging.

(...)

6.2 Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van het deel van het beslag dat betrekking heeft op het ten laste gelegde onder feit 1 overweegt de rechtbank dat het niet mogelijk is deze partij te onttrekken aan het verkeer nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het ten laste gelegde onder feit 1 geen strafbaar feit oplevert. Ten aanzien van het deel van het beslag dat betrekking heeft op het ten laste gelegde onder feit 2 ziet de rechtbank gezien de bijzondere omstandigheden van het geval geen termen om de in beslag genomen kaviaar te onttrekken aan het verkeer. De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten verdachte.

2.8.De officier van justitie is van het vonnis van 11 mei 2006 in hoger beroep gekomen.

2.9.Altonaer heeft op 4 juli 2005 bij het gerechtshof Amsterdam een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend waarbij zij heeft verzocht om opheffing van de op 1 en 6 juli 2005 gelegde beslagen en een last tot teruggave van de in beslag genomen zendingen kaviaar.

2.10.Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 13 september 2006 (abusievelijk gedateerd 13 juli 2004) het beklag gegrond verklaard en de teruggave van de beslagen kaviaar aan Altonaer gelast. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat bij het voortduren van de inbeslagneming hangende het hoger beroep de belangen van Altonaer op disproportionele wijze worden geschonden nu de kaviaar ten tijde van het wijzen van arrest in hoger beroep waardeloos en onverkoopbaar zal zijn en dat gelet hierop het financiële belang van Altonaer bij opheffing van het beslag het belang van het Openbaar Ministerie bij een eventuele onttrekking aan het verkeer overstijgt.

2.11.Op 12 oktober 2006 is de in beslag genomen kaviaar aan Altonaer teruggegeven.

2.12.De officier van justitie heeft het tegen het vonnis van 11 mei 2006 ingestelde hoger beroep op 6 februari 2007 ingetrokken.

2.13.Bij verzoekschrift van 30 april 2007 heeft Altonaer op de voet van artikel 591a Sv vergoeding gevorderd van gemaakte advocaatkosten ten bedrage van € 172.011,62. Bij beschikking van 3 juli 2008 heeft de rechtbank Haarlem terzake aan Altonaer een vergoeding toegekend van € 37.155,07.

2.14.Bij brief van 15 juni 2009 heeft Altonaer de Staat aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van de inbeslagneming geleden schade.

2.15.De Staat heeft aansprakelijkheid voor de door Altonaer gestelde schade bij brief van 19 oktober 2009 van de hand gewezen.

3.Het geschil

3.1.Altonaer vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een veroordeling van de Staat tot betaling van een bedrag van € 2.831.466,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2005 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert Altonaer een veroordeling van de Staat tot betaling van een bedrag van € 134.856,55 ter zake van gemaakte rechtsbijstandskosten, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.Altonaer legt primair aan haar vordering ten grondslag dat de Staat, in hoedanigheid van het Openbaar Ministerie, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de in beslag genomen kaviaar - in weerwil van de door de rechtbank Haarlem bij vonnis van 11 mei 2006 opgelegde last tot teruggave - pas op 12 oktober 2006 vrij te geven. Volgens Altonaer heeft de Staat door intrekking van het hoger beroep tegen het strafvonnis, berust in deze uitspraak, waardoor de last tot teruggave vanaf 11 mei 2006 op de Staat heeft gerust. Indien de Staat onmiddellijk aan deze last zou hebben voldaan, was de schade zoals die thans is geleden uitgebleven. De kaviaar had volgens Altonaer in mei/juni 2006 haar commerciële waarde nog niet verloren, zodat de schade pas na 11 mei 2006 is ontstaan.

Altonaer legt mede primair aan haar vordering ten grondslag dat de Staat niet als een goed bewaarder is opgetreden. Daartoe stelt zij dat de Staat er niet zorg voor heeft gedragen dat de kaviaar werd gedraaid, hetgeen ertoe heeft geleid dat de kaviaar is uitgedroogd.

3.3.Subsidiair stelt Altonaer zich in de eerste plaats op het standpunt dat de Staat aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade als gevolg van de inbeslagneming nu deze inbeslagneming, gelet op het feit dat de gestelde onregelmatigheden geen schending opleveren van de toepasselijke Flora- en faunawet en CITES-reglementering, een wettelijke grondslag ontbeert. Aldus heeft volgens Altonaer van aanvang af een rechtvaardiging voor de inbeslagneming ontbroken. Daarnaast is Altonaer van mening dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden met veronachtzaming van fundamentele vereisten. In dat kader stelt Altonaer dat het leggen van beslag zonder wettelijke grondslag heeft te gelden als disproportioneel, terwijl volgens haar tevens sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel nu van het Openbaar Ministerie mag worden verlangd dat zij de wet kent. Voorts is volgens Altonaer sprake van veronachtzaming van fundamentele vereisten doordat het Openbaar Ministerie heeft geweigerd om in te gaan op haar voorstel om de beslagen kaviaar te verkopen en de opbrengst te reserveren. In de tweede plaats betoogt Altonaer dat de Staat is gehouden tot vergoeding van als gevolg van de inbeslagneming geleden schade op grond van het feit dat uit het vonnis van 11 mei 2006 ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten blijkt van haar onschuld en van het ongefundeerd zijn van de verdenking jegens haar.

3.4.Altonaer stelt als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat schade te hebben geleden doordat de kaviaar, die normaliter een houdbaarheidsduur heeft van ongeveer 12 maanden, sterk in kwaliteit is achteruitgegaan, hetgeen heeft geleid tot een aanzienlijke waardedaling. Altonaer begroot de door haar geleden schade op de inkoopprijs van de kaviaar van € 1.665.568,62, vermeerderd met de gederfde winst die zij stelt op 70% van de inkoopprijs, derhalve in totaal een bedrag van € 2.831.466,65.

3.5.De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Allereerst ligt ter beoordeling voor de primaire stelling van Altonaer dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de kaviaar - in weerwil van de door de rechtbank Haarlem in haar vonnis van 11 mei 2006 gegeven last tot teruggave - niet aan Altonaer terug te geven. De Staat heeft zich verweerd met de stelling dat de teruggaveverplichting is opgeschort als gevolg van het feit dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 11 mei 2006. De rechtbank volgt de Staat in dit verweer. Op grond van het bepaalde in artikel 557 lid 1 Sv wordt een rechterlijke beslissing - ook als deze ten voordele van de verdachte uitvalt - niet ten uitvoer gelegd, zolang daartegen enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo een gewoon rechtsmiddel is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. Reeds hieruit volgt dat de Staat hangende de procedure in hoger beroep niet gehouden was om uitvoering te geven aan de last tot teruggave. Het feit dat het Openbaar Ministerie het hoger beroep op 6 februari 2007 heeft ingetrokken maakt dit niet anders, aangezien het vonnis van 11 mei 2006 per datum van intrekking in kracht van gewijsde is gegaan en aldus - anders dan Altonaer betoogt - pas vanaf dat moment ten uitvoer kon worden gelegd. Een en ander leidt tot de conclusie dat van het primair door Altonaer gestelde onrechtmatig handelen geen sprake is. Daarbij wordt nog aangetekend dat het tegen het vonnis van 11 mei 2006 ingestelde beroep er niet toe heeft geleid dat Altonaer op onevenredige wijze in haar belangen is geschaad. Ook gedurende de procedure in hoger beroep kwam immers aan Altonaer de bevoegdheid toe om zich op de voet van artikel 552a Sv te beklagen over de inbeslagneming, hetgeen Altonaer ook met succes heeft gedaan getuige de op 13 september 2006 door het gerechtshof Amsterdam gegeven last tot teruggave van de kaviaar. Voor zover Altonaer betoogt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door niet per ommegaande aan de op 13 september 2006 gegeven last te voldoen, volgt de rechtbank haar daarin evenmin. Aan de Staat moet immers een redelijke termijn worden gegund om aan de last tot teruggave te voldoen. De Staat heeft onbetwist gesteld dat alvorens tot teruggave kon worden overgaan, een aantal originele documenten uit het strafdossier diende te worden gehaald, een plaats voor de overdracht diende te worden geregeld en deskundigen dienden te worden benaderd om de kaviaar op het moment van teruggave te waarderen. Altonaer heeft in het licht van dit betoog van de Staat onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen dragen dat de tussen de last tot teruggave en de feitelijke teruggave verstreken termijn onredelijk was.

4.2.Altonaer heeft primair tevens betoogd dat de Staat niet als een goed bewaarder is opgetreden door de blikken kaviaar niet te keren. De rechtbank volgt Altonaer in dit betoog niet. Hoewel op zichzelf juist is dat de Staat dient te handelen als een redelijk bewaarder, brengt dit niet mee dat iedere denkbare maatregel die aan de kwaliteit van de kaviaar ten goede zou kunnen komen ook moet worden genomen. Altonaer heeft onvoldoende onderbouwd dat het niet-keren van de blikken maakt dat niet langer van een normale bewaring van de kaviaar kan worden gesproken. Alleen de deskundige Uldry heeft in zijn rapport van 19 oktober 2006 (productie 6 bij de conclusie van antwoord) in zijn algemeenheid opgemerkt dat het voor een perfecte conservering van kaviaar gewenst is dat de blikken regelmatig gekeerd worden. In hoeverre het niet-keren in dit geval afbreuk heeft gedaan aan de kwaliteit van de kaviaar blijkt echter uit zijn rapport niet. De deskundige Toet rept daarentegen met geen woord over de noodzaak van het keren van de kaviaar en uit zijn bevindingen blijkt ook niet dat de kwaliteitsachteruitgang van de desbetreffende kaviaar mogelijk aan het niet-keren te wijten zou kunnen zijn. Bij die stand van zaken is de enkele algemene opmerking van Uldry onvoldoende om de door Altonaer voorgestane gevolgtrekking te kunnen dragen.

4.3.Subsidiair heeft Altonaer zich op het standpunt gesteld dat zich een situatie voordoet waarin de Staat voor de geleden schade aansprakelijk kan worden gehouden op grond van een onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen. Van een dergelijke situatie is naar vaste jurisprudentie sprake indien:

a. de dwangmiddelen zijn toegepast in strijd met de wet dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten;

b. achteraf uit de uitspraak dan wel anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie en justitie berustte (hierna: "het gebleken onschuld criterium").

4.4.De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van het onder 4.3. onder a bedoelde geval. De strafrechter heeft immers in zowel de beschikkingen van 7 en 27 december 2005 als in het vonnis van 11 mei 2006 geoordeeld dat het beslag als rechtmatig moet worden beschouwd nu ten tijde van het leggen daarvan ten aanzien van beide zendingen kaviaar sprake was van een gegronde verdenking van overtreding door Altonaer van de Flora- en faunawet. Onder die omstandigheden staat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg dat Altonaer de juistheid van die beslissing van de strafrechter door de civiele rechter zou kunnen laten toetsen via een vordering tegen de Staat op grond van onrechtmatige daad. Dat er een reden is om in dit geval een uitzondering op deze regel te aanvaarden is gesteld noch gebleken. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden in strijd met fundamentele vereisten. De Staat heeft in dat kader terecht betoogd dat de toetsing aan fundamentele vereisten al heeft plaatsgevonden in de procedure voor de strafrechter en dat de strafrechter - bij geconstateerde strijd met fundamentele vereisten - de inbeslagneming niet rechtmatig zou hebben geoordeeld. De stelling van Altonaer dat het voortduren van het beslag in ieder geval vanaf mei 2006 disproportioneel is geweest, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu blijkens het voorgaande de belangen van Altonaer hangende de procedure in hoger beroep in voldoende mate werden gewaarborgd door de mogelijkheid om zich via de beklagprocedure van artikel 552a Sv te ageren tegen de inbeslagneming.

4.5.Vervolgens staat ter beoordeling of is voldaan aan het gebleken onschuld criterium. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts tot aansprakelijkheid op grond van dit criterium kan worden gekomen indien met betrekking tot alle onderdelen van de tenlastelegging blijkt van de onschuld van de verdachte. De rechtbank volgt de Staat in dit standpunt niet en overweegt daartoe dat in de strafzaak aan Altonaer twee van elkaar te onderscheiden strafbare feiten ten laste zijn gelegd, waarbij voor ieder feit afzonderlijk een dwangmiddel is toegepast. In die situatie geldt dat bij gebleken onschuld ten aanzien van één van deze feiten, een rechtvaardiging voor het voor dat feit toegepaste dwangmiddel ontbreekt. Aldus dient voor ieder ten laste gelegd feit afzonderlijk te worden beoordeeld of is voldaan aan het gebleken onschuld criterium.

Feit 1

4.6.Altonaer heeft betoogd dat ten aanzien van feit 1 is voldaan aan het gebleken onschuld criterium, nu de strafrechter gemotiveerd heeft geoordeeld dat geen strafbaar feit is gepleegd. De Staat heeft betwist dat sprake is gebleken onschuld. Daartoe stelt hij dat de strafrechter het ten laste gelegde feit bewezen heeft verklaard en pas na een uitvoerig en diepgaand juridisch debat tot de slotsom is gekomen dat het feit niet strafbaar is. Volgens de Staat is het gebleken onschuld criterium niet bedoeld voor gevallen waarin verschillend kan worden gedacht over de strafbaarheid van een bewezen verklaard feit, doch uitsluitend voor gevallen als die waarin onomstotelijk is gebleken dat het strafbare feit door een ander dan de verdachte is gepleegd. De rechtbank passeert dit verweer. Daartoe is in de eerste plaats redengevend dat geen grond bestaat voor de door de Staat gestelde beperkte toepassing van het gebleken onschuld criterium. Juist ook in het geval dat de strafrechter oordeelt dat het ten laste gelegde feitencomplex geen strafbaar feit oplevert, is immers plaats voor het oordeel dat achteraf moet worden vastgesteld dat de verdachte ten onrechte is vervolgd. In lijn hiermee volgt uit het Begaclaim-arrest (HR 13 oktober 2006, NJ 2007, 432) dat wanneer duidelijk is dat een verdachte de feiten die zijn opgenomen in de tenlastelegging heeft gepleegd, maar deze niet gekwalificeerd kunnen worden als een strafbaar feit, uit de door de strafrechter gegeven motivering kan blijken dat de verdachte onschuldig is in de zin van het gebleken onschuld criterium wanneer de strafrechter overweegt dat en waarom de bewezen geachte feiten geen strafbaar feit opleveren. Aan deze criteria is in het onderhavige geval voor wat betreft feit 1 voldaan. De strafrechter heeft immers bij vonnis van 11 mei 2006 gemotiveerd overwogen dat en waarom het bewezenverklaarde feit 1 naar haar oordeel geen strafbaar feit oplevert. Volgens de strafrechter staat vast dat voor zending I een vrijstelling geldt van het verbod van artikel 13 van de FFW nu voor deze kaviaar importvergunningen zijn afgegeven door de bevoegde Duitse autoriteiten die corresponderen met de door de bevoegde Kazachstaanse autoriteiten afgegeven vergunningen. Aldus doet zich de situatie voor dat achteraf uit het vonnis van de strafrechter blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop de beslaglegging van zending I was gegrond. Dit maakt dat de Staat in beginsel is gehouden om de schade te vergoeden die Altonaer als gevolg van de onrechtmatige inbeslagneming van zending I heeft geleden.

Feit 2

4.7.Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 2 niet is voldaan aan het gebleken onschuld criterium. Hoewel uit het strafvonnis blijkt dat Altonaer met betrekking tot dit feit geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van de geldigheid van de importvergunning, kan hieruit de onschuld van Altonaer niet worden afgeleid, terwijl op grond hiervan evenmin kan worden geconcludeerd dat de verdenking waarop de beslaglegging op zending II was gegrond achteraf bezien ongefundeerd is gebleken. De strafrechter heeft immers het ten laste gelegde feit zowel bewezen verklaard als strafbaar geoordeeld. Ook uit het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1994, NJ 1995, 227, waarop Altonaer zich ter zitting heeft beroepen, blijkt niet dat het enkele feit dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt voldoende is voor de conclusie dat is voldaan aan het gebleken onschuld criterium. Uit het voorgaande volgt dat de Staat niet uit hoofde van artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die Altonaer stelt te hebben geleden als gevolg van de inbeslagneming van zending II.

4.8.Beide partijen hebben ter comparitie verklaard dat zij eerst een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag verlangen, waarna zij zich nog wensen uit te laten over de omvang van de schade en eventuele eigen schuld aan de zijde van Altonaer. Nu het debat tussen partijen over de omvang van de schade en de eigen schuld van Altonaer thans nog niet is voltooid, zal de rechtbank Altonaer in de gelegenheid stellen om zich bij akte op deze punten nader uit te laten. Daarbij zal Altonaer in ieder geval de in- en verkoopfacturen met betrekking tot zending I in het geding dienen te brengen alsmede een gemotiveerde onderbouwing van de winstmarge die destijds bij een ongestoorde verkoop normaliter op zending I kon worden behaald. De Staat zal hierop vervolgens bij antwoordakte kunnen reageren.

4.9.Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat Altonaer zich bij akte kan uitlaten over hetgeen is overwogen in rov. 4.8;

- verwijst de zaak daartoe naar de rol van woensdag 6 april 2011;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.