Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT2304

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
343917 / HA RK 09-382
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Verzoeker heeft niet de mogelijkheid gehad o.g.v. art. 6 lid 4 TOS binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid te opteren voor de Nederlandse nationaliteit, omdat hij indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, eveneens de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen en de Nederlandse nationaliteit zou hebben verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

JKL

zaaknummer / rekestnummer: 343917 / HA RK 09-382

Beschikking van 9 juni 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat eerst mr. L.C. Blok te Leiden, thans mr. P.J.W. de Water te Katwijk,

t e g e n:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. Y.J. Kern.

Partijen worden hierna aangeduid met "[verzoeker]" en "de IND".

1. Het procesverloop

1.1.[verzoeker] heeft op 21 juli 2009 een verzoekschrift ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, met veroordeling van de IND in de proceskosten. Nadere stukken met betrekking tot het verzoekschrift zijn ontvangen bij brief van 26 augustus 2010.

1.2.De IND heeft zich bij brief van 24 september 2010 op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] heeft bij brief van 26 maart 2011 gereageerd op het standpunt van de IND.

1.3.De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij de conclusie van de IND en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

1.4.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op donderdag 19 mei 2011. Namens [verzoeker] is mr. De Water verschenen en namens de IND mr. Kern.

2. Het verzoek en het verweer

2.1. [verzoeker] voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan.

Hij heeft vanaf zijn geboorte op [geboortedatum] 1974 tot 1986 de Nederlandse nationaliteit bezeten. Op 25 november 1975, het tijdstip waarop Suriname onafhankelijk werd, verbleef hij met zijn ouders in Suriname. In 1995 heeft hij zich tot de Nederlandse ambassade in Paramaribo gewend om te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) heeft hij de Nederlandse nationaliteit verkregen, aldus [verzoeker].

Ter zitting heeft mr. De Water de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om aan het Europese Hof van Justitie een prejudiciële vraag voor te leggen met betrekking tot voormeld artikel. Gevraagd zou moeten worden of dit artikel beoogd heeft een correctiemogelijkheid te bieden aan Surinaamse staatsburgers die op 25 november 1975 minderjarig waren, maar die tussen hun 18de en 23ste jaar een optieverklaring bij een Nederlandse vertegenwoordiging hebben uitgebracht die zonder rechtsgevolg is gebleven.

2.2. De IND stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] op 25 november 1975 zijn ouders volgde in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en het verlies van de Nederlandse nationaliteit. De IND is niet gebleken dat [verzoeker] nadien de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen, zodat het verzoek dient te worden afgewezen. Er bestaat geen verschil van opvatting over de uitleg van artikel 6 lid 4 TOS.

3. De beoordeling

3.1.De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande gegevens.

[verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], Suriname, als zoon van [moeder van verzoeker]. Ten tijde van de geboorte van [verzoeker] was zijn moeder in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] verkreeg bij zijn geboorte op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit. Op 21 februari 1975 is [verzoeker] erkend door [vader van verzoeker], van Nederlandse nationaliteit. Op 25 mei 1978 zijn de vader en de moeder van [verzoeker] met elkaar in het huwelijk getreden. Het huwelijk is op 23 augustus 1995 door echtscheiding ontbonden.

3.2.Ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 had [verzoeker], als minderjarige, met zijn ouders woonplaats in Suriname, zodat hij op die datum, evenals zijn ouders, de Surinaamse nationaliteit verkreeg en de Nederlandse nationaliteit verloor.

3.3.De vader van [verzoeker] heeft zich op 21 mei 1979 in Nederland gevestigd. Bij ministeriële beschikking van 13 januari 1982 is aan hem het Nederlanderschap verleend, met de bepaling dat het Nederlanderschap wordt onthouden aan zijn buiten het Koninkrijk verblijvende minderjarige kinderen. [verzoeker] had in 1982 geen woonplaats in Nederland, zodat hij niet heeft gedeeld in de naturalisatie van zijn vader.

3.4.De moeder van [verzoeker] heeft bij koninklijk besluit van 4 februari 1994 de Nederlandse nationaliteit verkregen. [verzoeker] was op dat moment reeds meerderjarig, zodat hij niet met zijn moeder is meegenaturaliseerd.

3.5.[verzoeker] heeft, anders dan hij zelf aanvoert, niet op grond van artikel 6 lid 4 TOS de gelegenheid gehad binnen vijf jaar na het bereiken van zijn meerderjarigheid te opteren voor de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] zou immers, indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, eveneens de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en de Nederlandse nationaliteit hebben verloren. Artikel 6 lid 4 TOS berust niet op de gedacht dat een persoon die meerderjarig is geworden enkel daardoor gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel de moeder. Het artikel beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij/zij zou hebben verkregen indien hij/zij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS (HR 26-06-1987, NJ 1988,135).

3.6.Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [verzoeker] niet met rechtsgevolg op grond van artikel 6 lid 4 TOS kon opteren voor de Nederlandse nationaliteit. [verzoeker] is vanaf 25 november 1975 niet meer in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A. Koppen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.