Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT1643

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 13792
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag om vergoeding van griffierecht is afgewezen, omdat eiseres niet meer in de opvang zit. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag van eiseres had moeten worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het indienen van deze aanvraag. Indien het nemen van het besluit als peilmoment zou worden genomen, zou verweerder, door dit besluit uit te stellen, kunnen bewerkstelligen dat kosten die noodzakelijk waren om te maken, niet meer hoeven te worden vergoed. Bovendien doet dit recht aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005, welke bepaling regelt dat iemand die recht heeft op opvang ook recht heeft op betaling van buitengewone kosten. Onbestreden is dat eiseres ten tijde van de aanvraag recht had op opvang en ook overigens voldeed aan alle vereisten voor toewijzing van haar aanvraag. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres dan ook ten onrechte afgewezen. De rechtbank wijst de aanvraag zelf voorziend alsnog toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 13792

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2011 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres tot het vergoeden van kosten die verband houden met verschuldigde griffierechten.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 2 februari 2011 heeft eiseres het COA verzocht de kosten van verschuldigde griffiegelden voor vergoeding in aanmerking te brengen. De onderliggende nota’s van deze kosten heeft eiseres hierbij gevoegd. Bij besluit van 23 maart 2011 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen.

2. Aan die afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit zijn administratie is gebleken dat eiseres sinds 9 maart 2011 niet langer in de opvang verblijft en dus niet wordt toegekomen aan een toetsing van artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva). Tijdens het nemen van het besluit op 23 maart 2011 had eiseres immers geen recht op opvang en op verstrekkingen krachtens de Rva 2005 en dus ook geen recht op vergoedingen van kosten die verband houden met verschuldigde griffierechten, aldus verweerder. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 februari 2011 (zaaknummer AWB 09/43614).

3. Eiseres heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat zij op het moment dat zij de aanvraag indiende recht had op opvang en op verstrekkingen in het kader van de Rva 2005, op grond waarvan deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat zij ten onrechte uit de administratie van het COA is verwijderd. Eiseres is op 9 maart 2011 noodgedwongen in een gesloten psychiatrische inrichting van het GGZ Friesland opgenomen. Verweerder heeft vervolgens ten onrechte haar opvang beëindigd en heeft mitsdien ook ten onrechte besloten de twee nota’s voor griffierecht niet te vergoeden, aldus eiseres.

4. Het beroep slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag van eiseres had moeten worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren ten tijde van het indienen van deze aanvraag en niet aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het op die aanvraag genomen besluit. Een andere uitleg zou immers op gespannen voet staan met de rechtszekerheid, nu dat zou betekenen dat verweerder, door een besluit op een verzoek om vergoeding van kosten uit te stellen, kan bewerkstelligen dat kosten die noodzakelijk waren om te maken, niet meer hoeven te worden vergoed. Bovendien doet een toetsing door verweerder met als peilmoment het moment van het indienen van de aanvraag recht aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rva 2005, welke bepaling (kort gezegd) regelt dat iemand die recht heeft op opvang ook recht heeft op betaling van buitengewone kosten. Onbestreden is dat eiseres ten tijde van de aanvraag recht had op opvang en ook overigens voldeed aan alle vereisten voor toewijzing van haar aanvraag. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres dan ook ten onrechte afgewezen.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de aanvraag van eiseres wordt toegewezen. Dit betekent dat verweerder aan eiseres (althans haar gemachtigde) een bedrag van € 300,= dient te betalen. Voorts zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten van de procedure. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,= (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,=, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 maart 2011;

- wijst, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de aanvraag van eiseres van 2 februari 2011 om vergoeding van griffierechten ter grootte van een bedrag van in totaal € 300,= toe;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 september 2011.

w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 september 2011.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.