Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR7121

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
399457 / KG ZA 11-899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vanaf 1 januari 2006 neemt [A] samen met [B], [C], [D] en [E] deel aan een kostenmaatschap. [E] heeft bij brief van 6 november 2010 aan partijen meegedeeld dat zij per 1 juli 2011 het maatschapscontract wenst te beëindigen. [A] is vanaf 1 maart 2006 geassocieerd met [B]. Deze samenwerking is vastgelegd in de maatschapsovereenkomst van 1 maart 2006. [B] heeft in augustus 2010 aan [A] meegedeeld dat hij de samenwerking wilde beëindigen. Kern van het geschil is of zowel de kostenmaatschap tussen partijen als de maatschap tussen [B] en [A] per 1 juli 2011 is geëindigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1683
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1686
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2011/515
GJ 2011/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 399457 / KG ZA 11-899

Vonnis in kort geding van 8 september 2011

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.W. Stork te Maarssenbroek, gemeente Maarssen,

tegen:

1. [B],

wonende te [woonplaats],

2. [C],

wonende te [woonplaats],

3. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. R.P.F. van der Mark te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[A]' en '[B] c.s.'. Voor zover gedaagden in conventie afzonderlijk worden bedoeld zullen zij respectievelijk worden aangeduid als '[B]', '[C]' en '[D]'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 september 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Partijen zijn allen huisartsen.

1.2. Vanaf 1 januari 2006 neemt [A] samen met [B], [C], [D] en mevrouw [E] (hierna: [E]) deel aan een kostenmaatschap. [E] heeft bij brief van 6 november 2010 aan partijen meegedeeld dat zij per 1 juli 2011 het maatschapscontract wenst te beëindigen.

1.3. Artikel 2 lid 4 van de kostenmaatschapsovereenkomst bepaalt:

"Het samenwerkingsverband is opzegbaar met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden. De opzegging dient met inachtneming van de genoemde termijn per aangetekend schrijven aan de andere partijen te geschieden."

1.4. Artikel 9 van de kostenmaatschapsovereenkomst bepaalt in het eerste lid aanhef en onder f:

"Het samenwerkingsverband eindigt:

(...)

f. door opzegging door of namens één der partijen met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 lid 1;"

1.5. De kostenmaatschapsovereenkomst bepaalt in artikel 10 - voor zover hier van belang - het volgende:

"1. Bij het einde der overeenkomst eindigt de samenwerking van partijen.

De partij, bij wie de oorzaak der beëindiging is gelegen, staakt de praktijkuitoefening in de praktijkruimten en verlaat het met het zijne.

(...)

5. Onder blijvende partijen worden hierna verstaan de partijen die na het einde der overeenkomst de praktijkuitoefening in het praktijkpand voortzetten, waarbij de blijvende partijen zich verplichten tot voortzetting van de huurovereenkomst."

1.6. [A] is vanaf 1 maart 2006 geassocieerd met [B]. Deze samenwerking is vastgelegd in de maatschapsovereenkomst van 1 maart 2006 (hierna: de maatschapsovereenkomst).

1.7. De maatschapsovereenkomst bepaalt in artikel 2 lid 2:

"Na de onopzegbare periode zal de maatschap door opzegging door ieder der partijen kunnen eindigen, welke opzegging bij aangetekend schrijven aan de andere partij moet hebben plaatsgevonden met inachtneming van een opzeggingstermijn van tenminste zes maanden."

1.8. In artikel 3A van de maatschapsovereenkomst is in lid 2 bepaald:

"Door het ingaan van de maatschap worden partijen geacht ieder voor een gelijk deel in de maatschapspraktijk gerechtigd te zijn²."

1.9. Artikel 12 van de maatschapsovereenkomst bepaalt - voor zover hier van belang - :

"De maatschap neemt een einde

(...)

2. door opzegging van één der partijen overeenkomstig het bepaalde in artikel 2;

(...)"

1.10. De maatschapsovereenkomst bepaalt in artikel 17:

"lid 1 In geval na de onopzegbare periode de maatschap door één der partijen wordt opgezegd, zijn beide partijen gerechtigd ter plaatse zelfstandig en voor eigen rekening de praktijk te blijven uitoefenen.

lid 2 Bij scheiding en deling van de tot de maatschapspraktijk behorende patiënten rust op partijen de verplichting met inachtneming van het recht op vrije artsenkeuze een verdeling te treffen conform de in artikel 3 bedoelde gerechtigdheid."

1.11. [B] heeft in augustus 2010 aan [A] meegedeeld dat hij de samenwerking wilde beëindigen.

1.12. Bij aangetekende brief van 30 december 2010 heeft [B] aan [A] het volgende - voor zover hier van belang - meegedeeld:

"(...)

Afgelopen zomer heb ik jou laten weten, dat ik mijn samenwerking met jou wil beëindigen. (...)

Hierbij deel ik je mede dat ik overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 lid 2 jo artikel 2 lid 2 van onze maatschapsovereenkomst de maatschap opzeg tegen 1 juli 2011. (...)"

1.13. Namens [A] is bij brief van 6 januari 2011 het volgende aan [B] meegedeeld:

"(...)

Geachte heer [B],

Tot mij heeft zich gewend uw collega mevrouw [A] met het verzoek haar belangen te behartigen.

Een kopie van uw brief van 30 december jl. heb ik gezien. Middels dit schrijven heeft u de overeenkomst met cliënte opgezegd. De samenwerking tussen u beiden zal dan ook per 1 juli 2011 eindigen.

Ik verzoek u vriendelijk mij op korte termijn een schriftelijk voorstel te doen ter afwikkeling van de maatschap.

(...)"

1.14. Bij brief van 28 februari 2011 hebben [B] c.s. aan [A] meegedeeld:

"(...)

Op 30 juni 2011 eindigt ons samenwerkingsverband doordat [E] de overeenkomst van samenwerking heeft opgezegd. (...)

Wij hebben besloten om met ingang van 1 juli 2011 een nieuw samenwerkingsverband aan te gaan. (...)

Graag willen wij met jou bespreken hoe wij onze samenwerking met jou afwikkelen. (...)"

1.15. Namens [A] is bij brief van 6 april 2011 aan [B] meegedeeld, dat zij de opzegging van de maatschap vernietigt op grond van artikel 7A:1686 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2. Het geschil in conventie en reconventie

In conventie

2.1. [A] vordert - zakelijk weergegeven - :

1. [B] te verbieden om te handelen alsof de maatschap is opgezegd, op straffe van een dwangsom;

2. [B] c.s. te verbieden om te handelen alsof de kostenmaatschap is opgezegd, op straffe van een dwangsom;

3. [B] c.s. te veroordelen om [A] toe te laten tot haar praktijk en haar werkzaamheden als huisarts en haar alle medewerking te verlenen zoals gebruikelijk in de betreffende huisartsenmaatschap, een en ander totdat er overeenstemming zal zijn over de voorwaarden van beëindiging van de maatschap;

4. [B] bij wijze van voorschot te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.000,00 als schadevergoeding uit hoofde van goodwill;

5. [B] c.s. bij wijze van voorschot te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 100.000,00;

6. een voorziening bij wijze van voorlopige maatregel dat [A] de opzegging van de maatschap met [B] terecht heeft vernietigd en te bevelen dat deze maatschap wordt voortgezet;

7. een voorziening bij wijze van voorlopige maatregel dat [A] de opzegging van de kostenmaatschap terecht heeft vernietigd en te bevelen dat deze maatschap wordt voortgezet.

2.2. Daartoe voert [A] het volgende aan. [B] c.s. hebben [A] meegedeeld dat door de opzegging van [E] de kostenmaatschap per 1 juli 2011 tot een einde komt en zij vanaf dat moment een nieuw samenwerkingsverband zonder [A] zullen aangaan. De opzegging door [E] heeft de kostenmaatschap tussen de blijvende maten echter niet beëindigd. Deze blijft voortbestaan tot opzegging of ontbinding overeenkomstig het bepaalde in de kostenmaatschapsovereenkomst. De kostenmaatschap tussen partijen is derhalve tot op heden nog niet geëindigd.

Wat betreft de beëindiging van de maatschap tussen [A] en [B] geldt het volgende. [A] heeft de opzegging door [B] vernietigd op grond van artikel 7A: 1686 BW, omdat deze is gedaan in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover de opzegging rechtsgeldig zou zijn gedaan is van belang, dat bij scheiding en deling van de tot de maatschapspraktijk behorende patiënten op partijen de verplichting rust om een verdeling te treffen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de maatschapsovereenkomst. De gevolgen van de opzegging door [B] zijn neergelegd in artikel 17 van de maatschapsovereenkomst. Zowel [B] als [A] zijn gerechtigd om ter plaatse zelfstandig en voor eigen rekening hun praktijk voort te zetten. Dit wordt door [B] voor [A] gefrustreerd, omdat de deelname van [A] in de kostenmaatschap onmogelijk wordt gemaakt. [B] handelt hierdoor in strijd met laatstgenoemd artikel van de maatschapsovereenkomst. Hij is daarom verplicht de schade die [A] daardoor lijdt te vergoeden.

2.3. [B] c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

In reconventie

2.4. [B] c.s. vorderen in reconventie - zakelijk weergegeven - :

I. [A] te gelasten de kamer in het gezondheidscentrum [gezondheidscentrum] te [plaats] te ontruimen vóór 1 november 2011, op straffe van een dwangsom;

II. [A] te veroordelen om aan [B] als voorschot op de hem toekomende schadevergoeding te betalen een bedrag van € 15.000,00.

2.5. Daartoe voeren [B] c.s. het volgende aan. De kostenmaatschap die tussen partijen en [E] bestond, is per 1 juli 2011 ontbonden. Deze kostenmaatschap huurde ruimte in het gezondheidscentrum [gezondheidscentrum]. [B] c.s. zijn per 1 juli 2011 een nieuw samenwerkingsverband aangegaan. [A] heeft per deze datum haar praktijk alleen voortgezet. [B] c.s. hebben er belang bij dat [A] de kamer, die zij na 1 juli 2011 is blijven gebruiken, ontruimt. Het ligt immers in de rede dat het huurrecht van de kostenmaatschap wordt toebedeeld aan het nieuwe samenwerkingsverband dat [B] c.s. zijn aangegaan. De ruimte die [A] in gebruik heeft ligt in het midden van de afdeling. Zij maakt daardoor ook gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes. Dit geeft de nodige onrust voor personeel en patiënten, terwijl in het gezondheidscentrum vervangende ruimte voor [A] beschikbaar is. [A] weigert echter te verhuizen, zodat [B] c.s. belang hebben bij hun vordering tot ontruiming.

In de tussen [B] en [A] per 1 juli 2011 ontbonden maatschapsovereenkomst is in artikel 17 lid 2 opgenomen, dat bij scheiding en deling van de tot de praktijk behorende patiënten op partijen de verplichting rust, met inachtneming van het recht op vrije artsenkeuze, een gelijke verdeling van 50-50% treffen. Bij [A] is echter per 1 juli 2011 75% van de patiënten ingeschreven en bij [B] 25%. [A] weigert deze verdeling gelijk te trekken en [B] te compenseren voor het feit dat hij wordt onderbedeeld. [B] lijdt daardoor schade, die [A] gehouden is te vergoeden.

2.6. [A] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

In conventie

3.1. Kern van het geschil betreft de vraag of zowel de kostenmaatschap tussen partijen als de maatschap tussen [B] en [A] per 1 juli 2011 is geëindigd. Daartoe wordt het hierna volgende overwogen.

De kostenmaatschap

3.2. [B] c.s. hebben aangevoerd, dat de kostenmaatschap is ontbonden door de opzegging daarvan door [E]. [A] heeft deze opzegging geaccepteerd. In de artikelen 2 en 9 van de kostenmaatschapsovereenkomst is opgenomen dat de maatschap eindigt door opzegging van het samenwerkingsverband. Er is geen voortzettings- of verblijvingsbeding opgenomen. [B] c.s. hebben vervolgens met elkaar - zonder [A] - per 1 juli 2011 een nieuw samenwerkingsverband gesloten. Volgens [B] c.s. hebben zij dit tijdig aan [A] gemeld, zodat zij haar praktijk kon aanpassen aan deze nieuwe situatie. [A] heeft daar nog tegen ingebracht dat artikel 10 lid 5 van de kostenmaatschapsovereenkomst een voortzettings- of verblijvingsbeding behelst, zodat de maatschap niet is geëindigd door de opzegging van [E].

3.3. De voorzieningenrechter overweegt dat het uitgangspunt van artikel 7A:1683 BW meebrengt, dat een maatschap (de kostenmaatschap) wordt ontbonden door opzegging van een vennoot ([E]) aan de andere vennoten (partijen). Door [A] is de rechtsgeldigheid van de opzegging van [E] niet betwist, zodat gelet op het vorenstaande uitgangspunt de kostenmaatschap per 1 juli 2011 is ontbonden. Dit zou nog anders kunnen zijn als de kostenmaatschapsovereenkomst zou voorzien in een voortzettings- of verblijvingsbeding. Een dergelijk beding is echter niet in de overeenkomst opgenomen. Artikel 10 lid 5 van de kostenmaatschapsovereenkomst (zie onder 1.5) kan niet als een dergelijk beding worden aangemerkt. Dit artikellid heeft betrekking op voortzetting van de huurovereenkomst met betrekking tot het pand waarin de praktijk thans is gevestigd, niet op de voortzetting van de praktijk op zichzelf. Partijen zullen als zij de praktijk willen voortzetten, in dit geval daartoe eerst een nieuwe samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten. Zetten zij vervolgens de praktijk in het pand voort, dan zijn zij op basis van laatstgenoemd artikellid verplicht om de daarbij behorende huurovereenkomst over te nemen.

3.4. Gelet op het vorenstaande wordt geoordeeld, dat de kostenmaatschap per 1 juli 2011 is geëindigd door de opzegging van [E]. De vordering van [A] om [B] c.s. te verbieden om te handelen alsof de kostenmaatschap is opgezegd, zal gelet op dit oordeel worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering om een voorziening te treffen dat de kostenmaatschap niet is opgezegd en te bevelen dat deze wordt voortgezet

De maatschap

3.5. [B] voert aan dat hij de maatschapsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd bij brief van 30 december 2010 met inachtneming van de in deze overeenkomst genoemde termijn van zes maanden. [A] heeft in haar brief van 6 januari 2011 aan [B] laten weten, dat zij deze opzegging accepteert. Zij kan daarom nu geen beroep meer doen op de nietigheid van deze opzegging. Daarvoor bestaat ook geen grond aldus [B]. [A] heeft daartegenover gesteld, dat zij de opzegging kon vernietigen, omdat deze in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. [B] staat immers niet toe dat [A] zelfstandig voor eigen rekening haar praktijk voortzet en aan de kostenmaatschap deelneemt.

3.6. Met verwijzing naar het onder 3.3 genoemde uitgangspunt is de voorzieningenrechter van oordeel dat de maatschapsovereenkomst tussen [B] en [A] per 1 juli 2011 is geëindigd door de opzegging daarvan door [B]. Deze opzegging is ook door [A] geaccepteerd. Dat volgt immers uit de brief van 6 januari 2011 die door de juridisch adviseur van [A] namens haar aan [B] is toegezonden (zie onder 1.13). [A] is op deze instemming met de beëindiging van de maatschap met [B] teruggekomen, nadat [B] c.s. hadden aangegeven de kostenmaatschap zonder haar voort te willen zetten (zie onder 1.14). De voorzieningenrechter is van oordeel, daargelaten of [A] haar acceptatie nog terug kon nemen, dat haar beroep op vernietiging van de opzegging niet slaagt. Ter zitting is vast komen te staan dat partijen al jarenlang problemen ondervinden in de samenwerking met elkaar. Deze problemen zijn inmiddels zodanig geëscaleerd, dat partijen over en weer hebben aangegeven dat de samenwerking moet eindigen. Het argument van [A] dat [B] een financieel voordeel geniet door de beëindiging van het samenwerkingsverband is niet aannemelijk geworden. Er is immers onvoldoende gesteld of gebleken op welke wijze daaruit voor hem een financieel voordeel zou ontstaan. Dat [A] bij de aanvang van de maatschap de meeste patiënten heeft ingebracht, is niet relevant, nu partijen in die overeenkomst een 50/50 verhouding hebben afgesproken. Gelet op het vorenstaande heeft [B] de maatschapsovereenkomst met inachtneming van de daarvoor geldende opzegtermijn derhalve rechtsgeldig opgezegd.

3.7. De vordering om [B] te verbieden om te handelen alsof de maatschap is opgezegd zal gelet op het vorenstaande worden afgewezen. Daargelaten of het hier gaat om een verklaring voor recht, die immers in kort geding niet afgegeven kan worden, geldt hetzelfde voor de vordering om een voorziening te treffen dat [A] de opzegging van de maatschap met [B] terecht heeft vernietigd en te bevelen dat deze maatschap wordt voortgezet.

3.8. De vordering van [A] om [B] c.s. te veroordelen om - samengevat - haar toe te laten tot haar praktijk en haar werkzaamheden als huisarts en haar alle medewerking te verlenen zal ook worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen. In de maatschapsovereenkomst zijn niet alle gevolgen van de opzegging daarvan onder ogen gezien. In artikel 17 van de maatschapsovereenkomst is in dit verband immers enkel opgenomen dat beide partijen ter plaatse zelfstandig en voor eigen rekening hun praktijk kunnen blijven uitoefenen. Nu de maatschapsovereenkomst geen uitkomst biedt, komt het vervolgens aan op wat redelijk en billijk is in deze situatie. Niet weersproken is dat [A] thans haar praktijk uitoefent in een ruimte die gelegen is tussen de ruimtes waarin [B] c.s. hun praktijken uitoefenen en dit voor een onrustige situatie zorgt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt het daarom in de rede dat [A] haar huidige ruimte zal moeten verlaten en een andere praktijkruimte zal moeten gaan betrekken. De in dit verband ingestelde vordering van [A] wordt daarom afgewezen.

Goodwill

3.9. [B] c.s. hebben de vordering tot betaling van goodwill gemotiveerd betwist. Bij het aangaan van de maatschapsovereenkomst is niet gesproken over vergoeding van goodwill. Er is daarover dan ook geen bepaling in de overeenkomst opgenomen. Zorgverzekeraars zouden op grond van het toenmalige contracteerbeleid ook geen overeenkomst met [B] hebben gesloten als er wel goodwill door [A] zou zijn bedongen. Daartegen heeft [A] nog aangevoerd dat goodwill een onderdeel is van de waarde van een praktijk. Dat dit volgens het contracteerbeleid van zorgverzekeraars niet mee mag spelen laat onverlet, dat als er - zoals in dit geval - sprake is van wanprestatie ook goodwill bij vergoeding van de schade in aanmerking komt.

3.10. De voorzieningenrechter overweegt dat vaststaat dat [A] mede-eigenaar is van het pand waarin partijen hun praktijken uitoefenen. Verder is het een gegeven dat [A] nog maar een beperkt aantal jaren haar praktijk als huisarts zal uitoefenen totdat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Het ligt daarom in de rede dat [A] gedurende die periode, één van de door [B] c.s. aangewezen alternatieve praktijkruimtes in het pand betrekt, waar zij haar praktijk kan voortzetten. [A] heeft weliswaar aangevoerd dat deze ruimtes daarvoor niet geschikt zijn, maar het is niet aannemelijk geworden dat deze ruimtes niet kunnen worden aangepast aan haar wensen. [B] c.s. hebben - onweersproken - aangegeven, dat zij daarbij een financiële bijdrage te kunnen leveren. In die situatie is - wat daar verder ook van zij - geen ruimte voor toekenning van een bedrag aan goodwill, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Voorschot tot schadevergoeding

3.11. [B] c.s. betwisten dat zij schadevergoeding aan [A] verschuldigd zijn. Zij betwisten dat daarvoor een grondslag bestaat en voeren verder aan dat [A] geen schade lijdt. [B] c.s. wijzen er daarbij op dat zij [A] thans faciliteiten ter beschikking stellen waarvoor zij maar weinig betaalt. [A] heeft ter zitting nog aangegeven, dat zij schade lijdt doordat zij makelaars en adviseurs moet inschakelen. Verder heeft zij kosten moeten maken om een aannemer in te schakelen voor het inrichten van een nieuwe praktijk.

3.12. Voor wat betreft de vordering van [A] tot betaling van een voorschot op schadevergoeding, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Zowel de kostenmaatschapsovereenkomst als de maatschapsovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd en [B] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat [A] schade heeft geleden als gevolg van het eindigen van deze overeenkomsten. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vordering van [A] uit hoofde van schadevergoeding in deze procedure onvoldoende aannemelijk geworden. Het door [A] in dit verband gevorderde voorschot zal dan ook worden afgewezen.

3.13. De vorderingen van [A] in conventie zullen gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

In reconventie

Ontruiming

3.14. [A] heeft de vordering tot ontruiming betwist en daartoe aangevoerd dat het samenwerkingsverband tussen partijen niet is geëindigd door de opzegging van [E]. Gelet op artikel 10 lid 5 van de kostenmaatschapsovereenkomst zetten de blijvende maten - partijen - de huurovereenkomst voort. [B] c.s. handelen onrechtmatig jegens [A] door te eisen dat zij de praktijkruimte ontruimt. Als zij wordt gedwongen de praktijkruimte te verlaten kan zij door het concurrentiebeding, dat in de huurovereenkomst is opgenomen, geen praktijk meer uitoefenen in [plaats]. Deze consequentie wordt door [B] c.s. op onrechtmatige wijze opgedrongen aan [A]. Opzegging of ontbinding van de kostenmaatschap komt daardoor in ieder geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus [A]. [B] c.s. hebben daartegen ingebracht, dat de kostenmaatschap door opzegging van [E] is geëindigd per 1 juli 2011. [B] c.s. wijzen op alternatieve ruimte in het gezondheidscentrum die [A] kan betrekken zodat zij haar praktijk daar kan blijven uitoefenen. [B] c.s. hebben aangeboden een bijdrage te leveren in de eventuele kosten van verbouwing en inrichting van de nieuwe praktijkruimte.

3.15. De voorzieningenrechter overweegt, met verwijzing naar hetgeen is geoordeeld onder 3.4, dat de kostenmaatschap tussen partijen per 1 juli 2011 is geëindigd. [B] c.s. hebben een nieuw samenwerkingsverband gesloten zonder [A]. Met verwijzing naar hetgeen onder 3.8 is overwogen, ligt het in de rede dat [A] de praktijkruimte waarin zij thans haar praktijk uitoefent verlaat. In het gezondheidscentrum bevindt zich alternatieve ruimte waarin zij zich kan vestigen. In dat geval wordt het concurrentiebeding niet door haar overtreden. Haar stelling dat deze ruimte niet geschikt is om haar praktijk uit te oefenen, staat daaraan niet in de weg, nu onvoldoende weersproken is dat deze ruimte door verbouwing en aanpassing alsnog geschikt gemaakt kan worden voor de uitoefening van haar praktijk. Evenmin is weersproken dat [B] c.s. haar hebben aangeboden om een financiële bijdrage te leveren, zodat de kosten daar evenmin aan in de weg kunnen staan. De vordering tot ontruiming van de praktijkruimte per 1 november 2011 zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband nog dat de vervangende ruimte zich in hetzelfde pand bevindt waarin [A] thans is gevestigd, zodat de verhuisbeweging beperkt blijft. Verder is het pand een gezondheidscentrum, zodat de meeste voorzieningen voor de praktijk van [A] er reeds zullen zijn. De door [B] c.s. in dit verband gevorderde datum van 1 november aanstaande komt de voorzieningenrechter daarom redelijk voor.

3.16. Oplegging van de gevorderde dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

Schade

3.17. [A] heeft zich - met verwijzing naar de vrije artsenkeuze - met betrekking tot de ongelijke verdeling van de patiënten op het standpunt gesteld, dat het buiten haar macht ligt dat de patiënten voor haar hebben gekozen. Als [A] in de toekomst weer een eigen praktijk moet opbouwen zonder [B], dan kan zij geen levensvatbare praktijk uitoefenen op basis van de helft van het aantal patiënten van de gezamenlijke praktijk. In het geval dat [A] met de helft van de patiënten verder zou gaan, zou zij haar praktijk weer verder moeten opbouwen.

3.18. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de verdeling van de patiënten tussen [B] en [A] het volgende. Vaststaat dat in artikel 17 lid 2 jo artikel 3A lid 2 van de maatschapsovereenkomst is opgenomen (zie onder 1.10 en 1.8) dat bij scheiding en deling van de praktijk de patiënten, met inachtneming van de vrije artsenkeuze, op gelijke basis worden verdeeld tussen [A] en [B]. Thans is door de vrije artsenkeuze sprake van een verdeling tussen [A] en [B] van 75%-25%. Partijen zijn overeengekomen om op gelijke voet uit elkaar te gaan. Door [A] is zelf ter zitting betoogd dat zij met 50% van de patiënten geen levensvatbare praktijk heeft. [B] heeft met 25% van de patiënten van de oorspronkelijke praktijk dan sowieso geen levensvatbare praktijk. De maatschapsovereenkomst voorziet in een redelijk en billijke verdeling van het aantal patiënten op een gelijke basis. Gelet op dit uitgangspunt moet voornoemd verschil daarom leiden tot een financiële compensatie voor [B]. Nu de hoogte van het in dat kader verlangde voorschot niet is betwist, zal de voorzieningenrechter de vordering tot betaling van dit bedrag toewijzen.

Proceskosten in conventie en reconventie

3.19. [A] zal, als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding in conventie en reconventie. De kosten in reconventie worden op nihil begroot vanwege de nauwe samenhang met de conventie.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [B] c.s. begroot op € 2.216,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 1.400,-- aan griffierecht;

in reconventie

- gelast [A] de kamer in het gezondheidscentrum [gezondheidscentrum] te [plaats], die zij thans in gebruik heeft, te ontruimen vóór 1 november 2011 op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag dat [A] na betekening van dit vonnis daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.16 is vermeld;

- veroordeelt [A] om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [B] te betalen als voorschot op de hem toekomende schadevergoeding respectievelijk vergoeding wegens overbedeling het bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro);

- veroordeelt [A] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [B] c.s. begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2011.

evdt