Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR7035

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
AWB 11/844
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank leidt uit de arresten Zambrano en McCarthy af dat geen sprake is van een zuiver interne situatie indien nationale maatregelen tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan deze status ontleende rechten. Het Hof heeft in zijn rechtspraak niet geëxpliciteerd wat de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten zijn. Uit deze arresten leidt de rechtbank af dat het Hof in situaties als in die arresten aan de orde vooral het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven en meer in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Europese Unie te verblijven op het oog heeft gehad als belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten. Het recht op gezinsleven en het recht op persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met de ouders, neergelegd in de artikelen 7 en 24, derde lid, van het Handvest, behoren niet tot de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten.

Een belangrijk verschil met de zaak Zambrano is dat de ex-partner van eiser (en moeder van eisers kinderen) de Nederlandse nationaliteit heeft en dus net als de kinderen Unieburger is. Reeds omdat de kinderen bij hun moeder kunnen verblijven, bestaat voor hen niet de verplichting het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De omstandigheid dat, zoals eiser heeft aangevoerd, de moeder van de kinderen licht verstandelijk gehandicapt is en om die reden ondersteuning nodig heeft bij de zorg voor de kinderen, maakt dit niet anders. Een ander belangrijk verschil met de zaak Zambrano is dat gesteld noch gebleken is dat de ex-partner en de kinderen niet over voldoende middelen van bestaan beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. De conclusie is dat deze zaak een zuiver interne situatie betreft en dat daarom het Unierecht niet op deze zaak van toepassing is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/445
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/844

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1984,

nationaliteit Angolese,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.M.J.M. Louwerse,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met "gezinsleven of artikel 8 EVRM" afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 5 januari 2011 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 april 2011, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Feiten

1. Eiser is geboren op [datum] 1984. Hij heeft de Angolese nationaliteit.

2. Eiser stelt op 8 augustus 1999, samen met zijn moeder en zijn twee zussen, Nederland te zijn binnengekomen.

3. Op 13 augustus 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 31 januari 2001 is deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 27 augustus 2001 is het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 januari 2004 is het beroep van eiser tegen het besluit van 27 augustus 2001 ongegrond verklaard.

4. Bij besluit van 30 januari 2009 is ongegrond verklaard het bezwaar van eiser tegen het niet doen van een aanbod voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. Bij uitspraak van 21 december 2010 is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

5. Eiser heeft een relatie gehad met [ex-partner], van Nederlandse nationaliteit. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, te weten [kind A], geboren op [dag] juli 2006, en [kind B], geboren op [dag] juli 2007. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft niet het ouderlijk gezag over de kinderen.

6. De vader en moeder van eiser, alsmede zijn twee zussen verblijven rechtmatig in Nederland.

7. In het uittreksel Justitiële Documentatie van eiser van 28 december 2010 is het volgende vermeld. Op 19 augustus 2001 heeft eiser terzake van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (winkeldiefstal), pleegdatum 10 juni 2001, een transactie aanvaard van € 113,45. Bij uitspraak van 3 maart 2006 van de Politierechter van de rechtbank ’s-Gravenhage is eiser veroordeeld wegens overtreding van artikel 310 Sr. en 312 Sr. (poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen (straatroof, waaronder tasjesroof)), pleegdatum 24 juli 2003, en artikel 310 Sr. en 312 Sr. (diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen (straatroof, waaronder tasjesroof)), pleegperiode op of omstreeks 1 januari 2003 tot en met 24 juli 2003, tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van verweerder

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor eiser de verblijfsvergunning heeft aangevraagd. In dit verband acht verweerder het volgende van belang.

9. In de eerste plaats kan eiser geen rechten ontlenen aan het recht van de Europese Unie (EU). De onderhavige situatie is niet vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof) van 8 maart 2011 in de zaak Zambrano (C-34/09. www.curia.eu). Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 28 maart 2010 (www.rechtspraak.nl, LJN: BQ0062) heeft verweerder uiteengezet dat de kinderen bij hun moeder kunnen verblijven en zo niet worden belemmerd in het uitoefenen van de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten.

10. In de tweede plaats komt eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zoals bepaald in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van de Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000).

11. In de derde plaats levert het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste voor eiser geen onbillijkheid van overwegende aard op. Om die reden komt hij evenmin op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

12. In de vierde plaats heeft verweerder uiteengezet dat de weigering eiser verblijf toe te staan niet in strijd is met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK).

13. Tot slot heeft verweerder uiteengezet dat het beroep op artikel 24, tweede en derde lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) faalt.

Standpunt van eiser

14. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder en heeft hiertegen – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

15. Uit het arrest Zambrano volgt dat artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Een van die belangrijkste rechten is neergelegd in artikel 24, derde lid, van het Handvest. Daarin is bepaald dat ieder kind het recht heeft regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden. Als het bestreden besluit in stand blijft, kunnen de kinderen dit recht niet uitoefenen, tenzij zij het grondgebied van de Unie verlaten. Het bestreden besluit heeft dus tot gevolg dat aan de kinderen het effectieve genot wordt ontzegd van hun belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Indien de rechtbank het hiermee niet eens is, verzoekt eiser de rechtbank hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.

16. Voorts acht eiser zijn uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM, zodat hij op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 van het mvv-vereiste moet worden vrijgesteld.

17. Niet bestreden is dat tussen eiser en zijn kinderen en tussen eiser en zijn ouders sprake is van gezinsleven. Volgens verweerder is er geen gezinsleven tussen eiser en zijn zussen, omdat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijke emotionele binding tussen hen. Verweerder ziet echter over het hoofd dat het hele gezin van eiser, met wie hij op vijftienjarige leeftijd uit Angola vertrok, hier in Nederland is gevestigd. Terugkeren naar Angola betekent dat hij daar in zijn eentje moet leven, zonder zijn ouders en zijn zussen. Ten onrechte heeft verweerder deze band, waarbij dus ook het familieleven met zijn zussen een rol speelt, niet betrokken bij de besluitvorming.

18. Verweerder heeft ten onrechte niet integraal getoetst of uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In het bestreden besluit gaat verweerder er van uit dat eiser een mvv gaat halen in Angola en daarna op grond van artikel 8 van het EVRM een vergunning aan hem verleend zou worden. Er wordt immers gesproken over tijdelijk vertrek. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 10 september 2010 (www.rechtspraak.nl, LJN: BN7232).

19. Voorts past verweerder een verkeerde toets toe in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder past een toets toe waarbij bij voorbaat minder belang wordt gehecht aan het belang van eiser, omdat het hier volgens verweerder geen inmenging in het gezinsleven betreft. Daaraan legt verweerder ten onrechte ten grondslag dat eiser niet eerder een verblijfsvergunning heeft gehad. Indien gezinsleven is vastgesteld, is het niet langer toestaan van de uitoefening van dit gezinsleven een inmenging en moet daarna een belangenafweging plaatsvinden. Bij die belangenafweging dient de verblijfsduur van eiser positief te worden meegewogen. Dat het verblijf deels illegaal is geweest, maakt dit niet anders. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 24 november 2009 inzake Omojudi (JV 2010/27) en 2 augustus 2001 inzake Boultif (AB 2001, 341). Bovendien heeft eiser gedurende verschillende procedures wel rechtmatig verblijf gehad in afwachting van de uitkomst van zijn procedure. De stelling van verweerder dat de verblijfsduur van elf jaar geen positief gewicht in de schaal legt, is onjuist. Een verblijfsduur weegt niet pas positief mee wanneer het een verblijfsrecht van 30 jaar betreft. Ten onrechte laat verweerder het verblijf van elf jaar buiten beschouwing.

20. Verweerder neemt aan dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Onder deze omstandigheden is de inbreuk op het gezinsleven niet gerechtvaardigd.

21. Verder stelt verweerder ten onrechte en in strijd met jurisprudentie van het EHRM dat de situatie waarin eiser nu verkeert het gevolg van zijn eigen keuzes is, omdat eiser hier is gekomen zonder mvv en zonder verblijfsvergunning. Daarbij ziet verweerder over het hoofd dat eiser als vijftienjarige jongen hier naar toe is gekomen en dat dat niet zijn eigen keuze is geweest. Daarnaast heeft verweerder de belangen van de kinderen niet meegenomen. Hun treft in het geheel geen verwijt.

22. Eiser heeft in dit verband eveneens aangevoerd dat de moeder van de kinderen licht verstandelijk gehandicapt is en de opvoeding van de kinderen niet alleen aan kan. Dit wordt in het bestreden besluit niet bestreden en verweerder heeft in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hiernaar geen nader onderzoek verricht. Eiser heeft hierdoor een hoofdrol in de opvoeding van de kinderen. De stelling dat de hulpverlening aan de moeder bij afwezigheid van de vader kan worden geïntensiveerd, is onjuist en niet onderbouwd. Het is bovendien in het belang van de kinderen dat zij door hun vader worden opgevoed. Waar mogelijk draagt eiser ook financieel bij. Indien men de bijdragen afzet tegen zijn draagkracht, is er wel degelijk sprake van een substantiële financiële bijdrage. Dat hij geen grotere financiële bijdrage kan leveren, komt door het feit dat hij geen verblijfsvergunning heeft en op grond van de Wet arbeid vreemdelingen niet in aanmerking komt voor een tewerkstellingsvergunning. Op grond van het arrest Zambrano zou dat wel het geval moeten zijn. Eiser heeft een diploma, wil graag werken en een grotere bijdrage leveren aan de opvoeding van zijn kinderen. Gelet op het feit dat het ontbreken van een baan het gevolg is van het ontbreken van een verblijfsvergunning en dit het gevolg is van de strafrechtelijke veroordeling, wordt de strafrechtelijke veroordeling eiser dubbel tegengeworpen.

23. Voorts heeft verweerder ten onrechte negatief meegewogen dat eiser geen paspoort heeft. Verweerder betwist niet dat eiser de vader is van zijn kinderen, zodat in het kader van artikel 8 van het EVRM niet relevant is dat eiser niet beschikt over een paspoort. Bovendien kan eiser niet in het bezit komen van een paspoort, omdat zijn geboorteakte nog in het bezit is van verweerder.

24. De gedragingen van eiser sinds 2003 wijzen erop dat hij geen gevaar voor de openbare orde meer is. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van het EHRM van 23 juni 2008 inzake Maslov (JV 2008, 267). Verweerder heeft niets aangedragen waaruit het gevaar voor de openbare orde wel zou blijken.

25. Verweerder heeft ten onrechte niet gereageerd op eisers verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 12 december 2004 inzake Yuusuf (JV 2005, 221). Er was in die zaak sprake van een speciale regeling op grond waarvan vreemdelingen op grond van tijdsverloop in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning. Aan één van de gezinsleden werd een vergunning geweigerd vanwege een geweldsmisdrijf. Er was ook sprake van Nederlandse kinderen. Het EHRM verklaarde de klacht ontvankelijk, waarna verweerder alsnog een verblijfsvergunning verleende.

26. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM met betrekking tot zijn recht op privéleven. Verweerder heeft onvoldoende bij de besluitvorming betrokken dat eiser vanaf zijn vijftiende jaar met zijn ouders en zussen in Nederland woont. Inmiddels heeft hij ook twee Nederlandse kinderen. De banden met Nederland zijn zo sterk dat hij op grond daarvan verblijfsrecht heeft. Eiser heeft in het geheel geen banden meer met Angola.

Toetsingskader

<i>Europees en internationaal recht </i>

27. In artikel 20, eerste lid, van het VWEU is bepaald dat er een burgerschap van de Unie wordt ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

28. In het tweede lid van artikel 20 van het VWEU is bepaald dat burgers van de Unie de rechten genieten en de plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a) het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

b) het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

c) het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;

d) het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

29. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

30. Ingevolge artikel 7 van het Handvest heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.

31. In artikel 24, derde lid, van het Handvest is bepaald dat ieder kind er recht op heeft regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

32. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van dit Handvest gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden. In het tweede lid van artikel 51 van het Handvest is bepaald dat dit Handvest geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Gemeenschap en voor de Unie schept en dat het de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden en taken niet wijzigt.

33. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is – kort gezegd – bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- of gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

<i>Nationaal recht </i>

34. Ingevolge artikel 1 aanhef onderdeel e, onder 1° en 2°, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘gemeenschapsonderdanen’ verstaan onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het EG-Verdrag gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven en familieleden van deze onderdanen die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

35. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

36. In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald in welke gevallen een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.

37. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv indien het betreft de gemeenschapsonderdaan, voor zover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing als bedoeld onder a.

38. In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 evenmin afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv indien de vreemdeling behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur, te weten het Vb 2000, aangewezen categorie.

39. Ingevolge art. 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

40. In artikel 3.71, eerste lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is bepaald dat van het vereiste van een geldige mvv is vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

De beoordeling van het geschil

41. Aan de orde is of verweerder de aanvraag van eiser, die niet in het bezit is van een geldige mvv, terecht heeft afgewezen wegens het ontbreken van een dergelijke mvv.

42. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, moet allereerst worden onderzocht of het Unierecht in de weg staat aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste.

43. Vaststaat dat de ex-partner en de kinderen van eiser de Nederlandse nationaliteit hebben en dus burger van de Unie zijn.

44. Voorts staat vast dat de ex-partner en de kinderen van eiser in Nederland verblijven.

45. Niet in geschil is dat de kinderen hun rechten van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend. Hieruit volgt reeds dat richtlijn 2004/38 niet van toepassing is (zie de arresten van het Hof inzake Zambrano, punt 39, en inzake McCarthy van 5 mei 2011, C-434/09, www.curia.eu, punt 43). Tevens volgt hieruit dat artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelet op wat artikel 1, aanhef onderdeel e, onder 1° en 2°, van de Vw 2000 onder gemeenschapsonderdaan verstaat, niet van toepassing is.

46. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de verdragsbepalingen inzake het vrij verkeer van personen en de ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen niet kunnen worden toegepast op activiteiten die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarop het recht van de Unie ziet, en waarvan alle relevante elementen geheel in de interne sfeer van een enkele lidstaat liggen (zie het arrest McCarthy, punt 45, en de daar aangehaalde jurisprudentie). Niettemin kan de situatie van een staatsburger van een lidstaat die, zoals de kinderen van eiser, het recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, niet op grond van dit feit alleen worden gelijkgesteld met een zuiver interne situatie (zie het arrest McCarthy, punt 46).

47. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (zie het arrest Zambrano, eerder aangehaald, punt 41, en de daar aangehaalde jurisprudentie). Het burgerschap van de Unie heeft echter niet tot doel, de materiële werkingssfeer van het VWEU uit te breiden tot interne situaties die geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht hebben (zie het arrest van het Hof inzake Garcia Avello, van 2 oktober 2003, C-148/02, www.curia.eu, punt 26).

48. De rechtbank leidt uit de arresten Zambrano en McCarthy af dat geen sprake is van een zuiver interne situatie indien nationale maatregelen tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan deze status ontleende rechten (of: zoals respectievelijk in de Franse en Engelse taalversies staat vermeld: ‘la jouissance effective de l’essentiel des droits conférés’ en ‘the genuine enjoyment of the substance of the rights’). Voorts leidt de rechtbank uit het arrest Zambrano af dat voor zover nationale maatregelen een dergelijk gevolg hebben, artikel 20 VWEU zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert. Feitelijk komt dit erop neer dat de staatsburger van een derde staat in die situatie een van zijn kinderen afgeleid recht heeft op verblijf in de lidstaat waar deze kinderen verblijven. Aan dit recht mogen, anders dan in de situatie dat de burger van de Unie zich samen met de derdelander begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat, niet de voorwaarden worden gesteld dat de bestaansmiddelen toereikend zijn en dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. In zoverre gaat het om een onvoorwaardelijk recht.

49. Het Hof heeft in zijn rechtspraak niet geëxpliciteerd wat de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten zijn (‘l’essentiel des droits’ en ‘the substance of the rights’). In het in het tweede deel van het VWEU opgenomen artikel 20, waarin het burgerschap van de Unie is geregeld, is bepaald dat de burgers van de Unie de rechten genieten en de plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald en is vermeld dat zij onder andere het recht hebben zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Uit het arrest Zambrano (punt 44) en het arrest McCarthy (punten 27, 48 en 50), leidt de rechtbank af dat het Hof in situaties als in die arresten aan de orde vooral dit laatstgenoemde recht en meer in het bijzonder het daaruit voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Europese Unie te verblijven op het oog heeft gehad als belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten.

50. De rechtbank deelt niet de opvatting van eiser dat het recht op gezinsleven en het recht op persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met de ouders neergelegd in de artikelen 7 en 24, derde lid, van het Handvest behoren tot de belangrijkste aan de status van de burger van de Unie ontleende rechten. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt niet dat het Hof daarbij aan die rechten van het Handvest dacht. Bovendien is in artikel 20 VWEU bepaald dat de burgers van de Unie de rechten genieten en de plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald en geldt het Handvest ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest voor de lidstaten uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Overigens kan uit de artikelen van het Handvest, noch uit artikel 8 van het EVRM de algemene verplichting voor de lidstaten worden afgeleid de domiciliekeuze (van een gezin) te eerbiedigen (vergelijk ten aanzien van artikel 8 het arrest van het EHRM van 19 februari 1996, inzake Gül tegen Zwitserland, paragraaf 38, LJN: ZA2384).

51. Onderzocht moet dus worden of de weigering eiser een verblijfsvergunning te verlenen tot gevolg heeft dat de kinderen van eiser het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van de burger van de Unie ontleende rechten en meer in het bijzonder van het recht op het grondgebied van de Europese Unie te verblijven.

52. In het arrest Zambrano (punt 43) heeft het Hof overwogen dat de situatie waarin burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van de burger van de Unie ontleende rechten ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven. Volgens het Hof is er van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, volgens het Hof het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen (zie het arrest Zambrano, punt 44).

53. Evenals in de zaak die heeft geleid tot het arrest Zambrano gaat het in onderhavige zaak om een staatsburger van een derde staat en om jonge kinderen, burgers van de Unie.

54. Een belangrijk verschil met de zaak Zambrano is dat de ex-partner van eiser (en moeder van eisers kinderen) de Nederlandse nationaliteit heeft en dus net als de kinderen Unieburger is. Reeds omdat de kinderen bij hun moeder kunnen verblijven, bestaat voor hen niet de verplichting het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De omstandigheid dat, zoals eiser heeft aangevoerd, de moeder van de kinderen licht verstandelijk gehandicapt is en om die reden ondersteuning nodig heeft bij de zorg voor de kinderen maakt dit niet anders, reeds omdat die ondersteuning ook door anderen dan eiser kan worden verleend, zoals dat thans ook gebeurt. Bovendien heeft eiser niet het ouderlijk gezag over de kinderen en is hij aldus niet in staat voor hen beslissingen te nemen.

55. Een ander belangrijk verschil met de zaak Zambrano is dat gesteld noch gebleken is dat de ex-partner en de kinderen niet over voldoende middelen van bestaan beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien.

56. Hieruit vloeit voort dat de beslissing van verweerder om eiser niet de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen de kinderen niet het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzegt.

57. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat deze zaak een zuiver interne situatie betreft en dat daarom het Unierecht niet op deze zaak van toepassing is. Dit geldt meer in het bijzonder ook, gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest, voor het Handvest, omdat de wel van toepassing zijnde regelgeving niet het recht van de Unie ten uitvoer brengt.

58. Het Unierecht staat dus niet in de weg aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste.

59. Op grond van het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals eiser ter zitting heeft verzocht, met betrekking tot deze kwestie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.

60. Vervolgens is aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000, omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

61. Niet in geschil is dat sprake is van privéleven en dat tussen eiser en zijn kinderen en tussen eiser en zijn ouders sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Partijen verschillen wel van mening over het antwoord op de vraag of de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven dan wel het familie- en gezinsleven.

62. Volgens het beleid in B2/10.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) vormt, voor zover hier van belang, in het algemeen de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezinsleven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, Nederland weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen.

63. In dit licht bezien heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan geen inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven dan wel het familie- en gezinsleven.

64. Overigens heeft verweerder in het bestreden besluit terecht uiteengezet dat van een meer dan een gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding tussen eiser en zijn zussen niet is gebleken. Verweerder heeft hier dus terecht aangenomen dat tussen eiser en zijn zussen in zoverre geen sprake is van familie- en gezinsleven dat op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden beschermd.

65. Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 25 april 2007, inzake Konstatinov, LJN: BA6629) dient er, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een “fair balance” te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

66. Ingevolge het ter zake geldende beleid B2/10.2.3 van de Vc 2000, dat gaat over de belangenafweging, dient zowel bij eerste toelating als bij inmenging altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafweging bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging, een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving. Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. Om de omvang van de verplichtingen van de overheid te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en uiteindelijk moet een eerlijk evenwicht worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de weigering van de verblijfsvergunning enerzijds, en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland uitoefenen van het gezinsleven anderzijds.

67. In B2/10.2.3.1 staat beschreven welke belangen moeten worden afgewogen in specifieke situaties, waaronder gezinshereniging dan wel gezinsvorming, meerderjarige kinderen, in Nederland gevestigde kinderen, openbare orde, privéleven, en privéleven en openbare orde.

68. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden – zoals bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit – in zijn belangenafweging heeft betrokken. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van eiser, gelegen in het hier te lande kunnen uitoefenen van het privéleven en het familie- en gezinsleven, niet opwegen tegen het algemeen belang, welk belang onder meer wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

69. Weliswaar verblijft eiser reeds gedurende lange tijd in Nederland en heeft hij gedurende dat verblijf in Nederland familie- en gezinsleven met zijn ouders voortgezet en heeft hij kinderen gekregen, alsook heeft hij hier te lande onderwijs gevolgd. Daar staat echter tegenover dat eiser nimmer heeft beschikt over een verblijfstitel die hem feitelijk tot het uitoefenen van privéleven in staat stelde en dat eiser het familie- en gezinsleven met zijn ouders en zijn kinderen hier te lande is aangegaan en heeft geïntensiveerd gedurende een periode dat onzekerheid bestond over zijn verblijfsaanspraken in Nederland. Aan deze omstandigheden heeft verweerder in het kader van evenbedoelde belangenafweging gewicht kunnen toekennen (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2010, LJN: BN1163 en de daar aangehaalde uitspraak van het EHRM van 8 april 2008, inzake Nnyanzi, LJN: BD2066, 191 en de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010, LJN: BO8060, r.o. 2.7, en de daar aangehaalde uitspraken van het EHRM van 31 januari 2006, inzake Rodrigues da Silva en Hoogkamer, JV 2006/90 en van 14 april 2009 inzake Haghighi, JV 2009/342). Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat hij niet zelf maar zijn ouders de keuze hebben gemaakt om destijds naar Nederland te komen, doch dat betekent niet dat verweerder de gevolgen van die keuze niet voor rekening en risico van eiser heeft kunnen laten komen.

70. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gepleegde strafbare feiten, te weten diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en een poging daartoe, ernstige delicten zijn waaraan verweerder een zwaar gewicht heeft kunnen toekennen in het kader van de te verrichten belangenafweging. Dat eiser sinds het plegen van die strafbare feiten in 2003 niet meer is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, heeft verweerder niet van doorslaggevende betekenis hoeven achten.

71. Met betrekking tot het familie- en gezinsleven dat bestaat tussen eiser en zijn ouders, moet worden geoordeeld dat verweerder in de door hem gemaakte belangenafweging terecht in aanmerking heeft genomen dat niet is gebleken van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders. Dat eiser bij zijn ouders woont en door hen financieel wordt onderhouden, is hiertoe onvoldoende.

72. Met betrekking tot het familie- en gezinsleven dat bestaat tussen eiser en zijn kinderen overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht aangenomen dat van de kinderen (en hun moeder) niet wordt verwacht dat zij met eiser naar Angola vertrekken om het gezinsleven daar uit te oefenen. Hoewel het belang van de kinderen bij de aanwezigheid van hun vader hier te lande een belangrijke rol speelt in de belangenafweging, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan dit belang in dit geval – waar het gaat om de eerste toelating van eiser tot Nederland en de openbare orde aspecten – geen doorslaggevende betekenis toekomt. Zoals hierboven in rechtsoverweging 54 al is overwogen, maakt de door eiser aangevoerde omstandigheid dat de moeder van de kinderen licht verstandelijk gehandicapt is en om die reden ondersteuning nodig heeft bij de zorg voor de kinderen dit niet anders, reeds omdat die ondersteuning ook door anderen dan eiser kan worden verleend, zoals dat thans ook gebeurt. Wel hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat, zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft uiteengezet, het eiser vrij staat zijn kinderen hier te lande te bezoeken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2010, LJN: BL9912).

73. Met betrekking tot het privéleven van eiser hier te lande overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar al lange tijd in Nederland verblijft en hier familie en vrienden heeft, maar dat geen grond bestaat voor het oordeel dat niet van hem kan worden gevergd terug te keren naar Angola. Eiser is een volwassen man, heeft vanaf zijn geboorte tot zijn vijftiende in Angola gewoond en beheerst de Portugese taal. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser in staat moet worden geacht zich zelfstandig te kunnen handhaven in Angola.

74. Bij zijn betoog dat verweerder in de in het kader van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging negatief heeft meegewogen dat eiser niet over een paspoort beschikt, gaat eiser uit van een onjuiste lezing van het bestreden besluit, zodat dit betoog reeds om die reden faalt.

75. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder geen "fair balance" heeft gevonden tussen het belang van eiser, de ouders van eiser en de kinderen van eiser enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

76. Voor het oordeel dat geen volledige toets aan artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden, bestaat geen grond.

77. Uit het voorgaande vloeit voort dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000.

78. Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser in beroep niet gemotiveerd heeft bestreden de in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezette standpunten van verweerder dat het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste voor eiser geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert en hij om die reden op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste en dat de weigering eiser verblijf toe te staan niet in strijd is met het IVRK.

Slotsom

79. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv.

80. Het beroep is ongegrond.

81. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

82. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M. van den Brink als voorzitter en mr. Y.S. Klerk en mr. A. Venekamp als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: