Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6952

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
11/7783
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenzaak / Turkse zelfstandige / Niet in geschil is dat op 1 januari 1973 reeds als voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning werd gehanteerd dat sprake is van een levensvatbare onderneming. Het is eerst aan eiser om de levensvatbaarheid van zijn onderneming te onderbouwen met actuele gegevens en vervolgens aan verweerder om deze gegevens te (laten) beoordelen en hierbij geen strengere criteria te hanteren dan de criteria die op 1 januari 1973 werden gehanteerd. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om actuele gegevens over zijn bedrijf te verstrekken en ook in beroep heeft hij deze gegevens niet verstrekt. Omdat eiser geen begin van bewijs heeft geleverd dat zijn onderneming ten tijde van het bestreden besluit levensvatbaar was, ongeacht hoe die levensvatbaarheid moet worden beoordeeld, faalt zijn beroep op artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst. Het beroep van eiser op artikel 9 van die overeenkomst slaagt evenmin, waartoe de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 15 maart 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het wegens schending van de hoorplicht vernietigde besluit in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/7783, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 5 november 2008 heeft de Staatssecretaris van Justitie afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 november 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 november 2009 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 november 2009 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 9 juli 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 12 november 2009 vernietigd.

Bij uitspraak van 9 november 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) de uitspraak van 9 juli 2010 bevestigd.

Bij besluit van 7 februari 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 7 maart 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 23 augustus 2011 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Beide partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien:

a. internationale verplichtingen daartoe nopen;

b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of

c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien:

a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;

g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

2.1.2. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die:

a) arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend;

b) uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en

c) voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.

2.1.3. Ingevolge artikel 9 van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Associatieovereenkomst) erkennen de Overeenkomstsluitende Partijen dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel.

2.1.4. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Aanvullend Protocol), in werking getreden op 1 januari 1973, voeren de Overeenkomstsluitende Partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

2.1.5. In paragraaf B5/7.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 is onder meer het volgende vermeld.

" In verband met de standstill bepaling in het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en Turkije kan het puntensysteem niet worden toegepast op aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Dit puntensysteem stelt immers zwaardere eisen ten aanzien van Turkse vreemdelingen dan ten tijde van de totstandkoming van het Aanvullend Protocol (voor Nederland in werking getreden op 1 januari 1973) golden. Met name kunnen geen eisen worden gesteld ten aanzien van hoogwaardigheid van de kennisinbreng en het innovatieve vermogen van de betrokken vreemdeling. De Minister van EL&I baseert zijn adviezen ten aanzien van deze Turkse vreemdelingen daarom op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt en de werkgelegenheidseffecten (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, Stcrt. 2010, nr. 16617)."

2.1.6. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt het bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.2. het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 november 2008 opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich met verwijzing naar het advies van 12 januari 2011 van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: advies van 12 januari 2011) op het standpunt dat met de activiteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, zodat hij niet in aanmerking komt voor de aangevraagde verblijfsvergunning of voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het door verweerder gevoerde beleid bij het beoordelen van aanvragen van Turkse zelfstandigen is niet in strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst of artikel 41 van het Aanvullend Protocol. Omdat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is, is met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiser.

2.3. de gronden van beroep

Eiser voert aan dat, nu verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe op 1 januari 1973 werd beoordeeld of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige werd voldaan, niet vaststaat dat de uitvoeringspraktijk van verweerder sinds 1 januari 1973 niet strenger is geworden. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met artikel 41 van het Aanvullend Protocol. De bewijslast in dit verband rust op verweerder en aan deze bewijslast heeft verweerder niet voldaan. Hieruit volgt dat ook de tegenwerping van het mvv-vereiste niet toereikend is gemotiveerd. Het bestreden besluit is wel degelijk in strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Ten onrechte heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

In 2.13. van haar uitspraak van 9 juli 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, geoordeeld dat het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 november 2008 niet kennelijk ongegrond is en dat het besluit van 12 november 2009 van de Staatssecretaris van Justitie is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb. In hoger beroep heeft de Minister van Justitie de juistheid van dit oordeel tevergeefs bestreden.

Dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen op basis van nieuw beleid en een nieuw advies, waarmee in de uitspraken van 9 juli 2010 en 9 november 2010 geen rekening kon worden gehouden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder niet meer verplicht was eiser te horen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser verweerder bij brief van 20 januari 2011 heeft gevraagd welke criteria worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang en dat eiser in deze brief heeft verklaard na beantwoording van deze vraag nader te willen reageren op het advies van 12 januari 2011. Verweerder wist na ontvangst van de brief van 20 januari 2011 niet wat eiser (nader) zou kunnen en willen aanvoeren in reactie op het advies van 12 januari 2011. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verweerder het ter zake gevoerde beleid na indiening van het bezwaarschrift van 6 november 2008 heeft gewijzigd, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit schriftelijk te reageren op de bij brief van 20 januari 2011 gestelde vraag en eiser nogmaals in de gelegenheid te stellen inhoudelijk te reageren op het advies van 12 januari 2011. Voorts wijst eiser er terecht op dat hij tijdens een hoorzitting nader had kunnen reageren op het advies van 12 januari 2011. Onder deze omstandigheden, in samenhang bezien, was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb.

2.4.2. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 1 januari 1973 reeds als voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige gold dat sprake was van een levensvatbare onderneming. Het standpunt van eiser dat verweerder aannemelijk moet maken dat bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming geen strengere criteria worden toegepast dan op 1 januari 1973 acht de rechtbank op zichzelf juist, maar gaat eraan voorbij dat verweerder, alvorens deze beoordeling te kunnen verrichten, zal moeten beschikken over actuele gegevens over de onderneming van eiser. Vervolgens is het aan verweerder om deze gegevens, desgewenst op basis van een advies van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, te beoordelen en bij deze beoordeling geen strengere maatstaven aan te leggen dan de maatstaven die op 1 januari 1973 werden gehanteerd. Verweerder heeft eiser bij brief van 3 december 2010 in de gelegenheid gesteld actuele gegevens over zijn onderneming te verstrekken, maar van deze gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden stond het verweerder vrij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie om advies te vragen op basis van de voorhanden zijnde, niet meer actuele gegevens over de onderneming van eiser en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming ten tijde van het bestreden besluit (nog) levensvatbaar was, ongeacht naar welke maatstaven die levensvatbaarheid beoordeeld moet worden. Ook in beroep heeft eiser geen actuele gegevens over zijn onderneming overgelegd. Evenmin heeft eiser inhoudelijk gereageerd op het advies van 12 januari 2011, waarin op grond van de voorhanden zijnde gegevens gemotiveerd is uiteengezet dat niet aannemelijk is dat de onderneming van eiser levensvatbaar is. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser in bezwaar noch in beroep een begin van bewijs heeft geleverd dat zijn onderneming ten tijde van het bestreden besluit levensvatbaar was. Voorts heeft eiser weliswaar gesteld, maar niet concreet aangeduid welke actuele gegevens hij nog zou kunnen en willen verstrekken. Evenmin heeft eiser een steekhoudend argument aangevoerd om deze gegevens niet in reactie op de brief van 3 december 2010 of in beroep te verstrekken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser opnieuw in de gelegenheid moet worden gesteld actuele gegevens over zijn onderneming te verstrekken. Onder deze omstandigheden faalt het beroep van eiser op artikel 41 van het Aanvullend Protocol.

Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting ook heeft opgemerkt, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 15 maart 2011 (LJN BP8383) geoordeeld dat het stellen van de voorwaarde dat met de activiteiten van een Turkse ondernemer een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend niet in strijd is met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. De rechtbank ziet geen reden om dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen niet te volgen en verwerpt het beroep van eiser op artikel 9 van de Associatieovereenkomst.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' heeft kunnen weigeren. Het betoog van eiser over het mvv-vereiste kan niet tot een andere slotsom leiden en zal dan ook onbesproken worden gelaten.

2.4.3. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.4. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. van den Berg, griffier, ondertekend.