Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6728

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
11/20854
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om te onderzoeken of eiser op grond van de in het Sahin-arrest genoemde criteria valt onder de werkingssfeer van artikel 13 Besluit nr. 1/80. De rechtbank zal deze beoordeling daarom zelf maken. Nu eiser zich heeft gehouden aan de regels van de lidstaat van ontvangst op het gebied van de toegang, het verblijf en het verrichten van arbeid bevindt hij zich derhalve legaal op het grondgebied van Nederland en valt hij onder het toepassingsbereik van artikel 13 Besluit nr. 1/80.

Uit artikel 24 VV 2000, zoals dat luidde op 1 december 1980, volgt dat de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf als hoofdregel telkenmale ten hoogste met één jaar kon worden verlengd. Dit artikel bevatte één uitzondering op die hoofdregel. Aan deze uitzondering op de hoofdregel voldoet eiser niet. Van een versoepeling van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling waarvan later weer is teruggekomen, is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. Gelet hierop is het ieder jaar moeten verlengen van de verblijfsvergunning geen nieuwe beperking als bedoeld in artikel 13 Besluit nr. 1/80.

Verweerder kan voorts worden gevolgd in zijn standpunt dat bij Turkse werknemers, die een beroep kunnen doen op de bepalingen van artikel 6 van Besluit nr. 1/80, sprake is van een geleidelijke opbouw van rechten en dat verweerder er een belang bij heeft die opbouw ieder jaar te toetsen door in het kader van de verlengingsaanvraag te bezien of (nog steeds) aan de voorwaarden wordt voldaan. Gelet hierop heeft verweerder ook ieder jaar leges kunnen vragen, welke leges onlangs fors zijn verlaagd. Gelet hierop is het ieder jaar leges moeten betalen voor het verlengen van de verblijfsvergunning geen nieuwe beperking als bedoeld in artikel 13 Besluit nr. 1/80.

Het discriminatieverbod van artikel 9 Associatieovereenkomst moet in samenhang worden gezien met de standstillbepaling. Op grond daarvan mogen oude voorwaarden worden gehandhaafd, zelfs als die een onderscheid tot gevolg hebben tussen Turkse staatsburgers en burgers van de Unie. Voorts heeft het Hof onderkend dat Turkse staatsburgers vaker om verlenging moeten vragen, maar niet geoordeeld dat de positie van Turkse staatsburgers exact gelijk dient te zijn aan die van de burgers van de Unie en nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat weliswaar hogere leges gelden voor Turkse staatsburgers, doch dat die niet onevenredig zijn.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 10/20854

V-nummer: [nummer]

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. M. Yildirim, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. J.W. Kreumer.

I Procesverloop

1 Eiser is geboren op [datum] 1970 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 23 juli 2009 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Bij besluit van 16 september 2009 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning verleend met ingang van 23 juli 2009, geldig tot 23 juli 2010. Eiser heeft tegen dit besluit op 18 september 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2 Op 10 juni 2010 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

20 januari 2011. Eiser en verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

4 Bij tussenuitspraak van 3 maart 2011 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om, binnen tien weken na dagtekening van de uitspraak, het daarin omschreven gebrek in het bestreden besluit van 10 juni 2010 te herstellen.

5 Verweerder heeft bij brief van 12 mei 2011 gebruik gemaakt van voormelde gelegenheid. Eiser heeft hierop bij brief van 13 mei 2011 gereageerd. Eiser heeft op 1 juni 2011 toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. Verweerder heeft dit gedaan bij brief van 10 juni 2011.

6 De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 30 juni 2011.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Besluit nr. 1/80) mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

1.2 Ingevolge artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: de Associatieovereenkomst) erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap vermelde beginsel.

1.3 Ingevolge artikel 10, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 passen de lidstaten van de Gemeenschap op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

2 De rechtbank heeft bij de tussenuitspraak van 3 maart 2011 overwogen dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, nader te onderzoeken of eiser valt onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 en, zo ja, te motiveren of verlening van de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van één jaar al dan niet in strijd is met dat artikel. Voor de motivering van dat oordeel wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

Om herhalingen te voorkomen beschouwt de rechtbank de overwegingen uit deze tussenuitspraak hier als herhaald en ingelast. Thans is nog in geschil of de jaarlijkse verlenging van de verblijfsvergunning en de leges die daarvoor dienen te worden voldaan in strijd zijn met het associatierecht. De rechtbank zal dan ook slechts ingaan op de nog onbesproken beroepsgronden.

3 Verweerder heeft zich in zijn brief van 12 mei 2011 - samengevat weergegeven - op het volgende standpunt gesteld. Voor 1 december 1980 werden aan Turkse staatsburgers geen verblijfsvergunningen afgegeven voor de duur van vijf jaar en na die datum is geen sprake geweest van een versoepeling waarvan later weer is teruggekomen. Het verlenen van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van één jaar is op zichzelf dus niet in strijd met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80. De hoogte van de leges voor verlengingsverzoeken is inmiddels in overeenstemming gebracht met het bedrag dat burgers van de Unie betalen voor een verblijfskaart. In de hoogte van de leges kan op zichzelf geen aanleiding worden gezien voor de conclusie dat sprake is van een schending van de standstillbepaling. Het discriminatieverbod van artikel 9 van de Associatieovereenkomst moet in samenhang worden gezien met de standstillbepaling. Oude voorwaarden en regels mogen dan ook worden gehandhaafd, zelfs als die een onderscheid tot gevolg hebben tussen Turkse staatsburgers en burgers van de Unie.

4 Eiser heeft zich in zijn brief van 13 mei 2011 - samengevat weergegeven - op het volgende standpunt gesteld. Verweerder wil het standpunt van eiser beperken tot één aspect, namelijk de vraag of leges mogen worden geheven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft echter al geoordeeld dat dit mag. Eiser handhaaft zijn standpunt dat het systeem van telkens met ten hoogste één jaar verlengen - en dus elk jaar een verlengingsaanvraag te moeten indienen alsmede elk jaar leges te moeten betalen - kan worden gezien als een nieuwe beperking en dus strijdig is met artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Het legesbedrag dat een Turkse werknemer voor de verlening en de verlengingen moet betalen, is in strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Eiser verwijst voorts in het kader van zijn beroep op artikel 10 van Besluit nr. 1/80 naar de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010 (LJN: BN3934 en BN3935).

5 De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet - althans niet expliciet - heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak in rechtsoverweging 5.4.1 gegeven opdracht om te onderzoeken of eiser op grond van de in het arrest van het Hof van 17 september 2009 (LJN BK1871 en BJ8590, Sahin) genoemde criteria valt onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit nr. 1/80, alsmede om zijn standpunt dienaangaande te motiveren. De rechtbank zal deze beoordeling daarom zelf maken.

5.1.1 Uit het arrest van het Hof van 21 oktober 2003 (LJN: AM2833, Abatay en Sahin) volgt onder meer dat de draagwijdte van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 niet is beperkt tot Turkse onderdanen die reeds tot de arbeidsmarkt van een lidstaat behoren, alsmede dat een Turkse onderdaan valt onder het toepassingsbereik van dat artikel, indien hij zich heeft gehouden aan de regels van de lidstaat van ontvangst op het gebied van de toegang, het verblijf en eventueel het verrichten van arbeid, en hij zich derhalve legaal op het grondgebied van die lidstaat bevindt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in gelijke zin overwogen in haar uitspraak van 21 april 2010 (LJN: BM2261).

Uit het Sahin-arrest volgt onder meer dat voor de beoordeling of de situatie van een vreemdeling in de gastlidstaat voor de toepassing van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 moet worden beschouwd als verblijfs- en arbeidsrechtelijk niet langer legaal, naar behoren rekening dient te worden gehouden met alle specifieke omstandigheden die de zaak kenmerken.

5.1.2 In onderhavige zaak zijn de volgende omstandigheden van belang. Eiser is omstreeks 10 juni 2008 Nederland binnengekomen. Vervolgens heeft hij op 10 juni 2008 verzocht om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser had op dat moment een partnerrelatie met [naam], burger van de Unie. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en aan eiser met ingang van 10 juni 2008 een verblijfsdocument afgegeven, met de arbeidsmarktaantekening “Arbeid is vrij toegestaan”. Dit verblijfsdocument was geldig tot 10 juni 2013. Hangende de geldigheidsduur van het verblijfsdocument, heeft eiser op 23 juli 2009 onderhavige aanvraag ingediend. Bij de aanvraag heeft eiser stukken overgelegd waaruit onder andere blijkt dat hij werkzaam is bij pizzeria [naam] te Den Haag. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser arbeid in loondienst verricht.

5.1.3 Gelet op het vorenstaande heeft eiser zich gehouden aan de regels van de lidstaat van ontvangst op het gebied van de toegang, het verblijf en het verrichten van arbeid en bevindt hij zich derhalve legaal op het grondgebied van Nederland. De vraag of eiser valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit nr. 1/80 dient dan ook bevestigend te worden beantwoord.

5.2 Voorts dient te worden beoordeeld of, zoals eiser stelt, het systeem van telkens met ten hoogste één jaar verlengen - en dus elk jaar een verlengingsaanvraag te moeten indienen alsmede elk jaar leges te moeten betalen - in strijd is met diverse bepalingen van het associatierecht.

5.2.1 De rechtbank stelt vast dat uit artikel 24 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, zoals dat luidde op 1 december 1980, volgt dat de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf als hoofdregel telkenmale ten hoogste met één jaar kon worden verlengd. Dit artikel bevatte één uitzondering op die hoofdregel, te weten dat deze termijn ten hoogste vijf jaren bedroeg, indien het een vreemdeling betrof aan wie het sedert ten minste vijf jaren, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop hij een verzoek om het verlengen van de geldigheidsduur van de vergunning had ingediend, krachtens één van de bepalingen van de artikelen 9-10 van de Vreemdelingenwet was toegestaan in Nederland te verblijven.

Aan deze uitzondering op de hoofdregel voldoet eiser niet, nu aan hem eerst met ingang van 10 juni 2008 een verblijfsdocument is afgegeven en hij ten tijde van het bestreden besluit derhalve nog geen vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland had. Van een versoepeling van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling waarvan later weer is teruggekomen, is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. Gelet hierop dient te worden geconcludeerd dat het ieder jaar moeten verlengen van de verblijfsvergunning geen nieuwe beperking als bedoeld in artikel 13 van Besluit nr. 1/80 is.

5.2.2 Verweerder kan voorts worden gevolgd in zijn standpunt dat bij Turkse werknemers, die een beroep kunnen doen op de bepalingen van artikel 6 van Besluit nr. 1/80, sprake is van een geleidelijke opbouw van rechten en dat verweerder er een belang bij heeft die opbouw ieder jaar te toetsen door in het kader van de verlengingsaanvraag te bezien of (nog steeds) aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de door eiser overgelegde uitspraak van 23 maart 2011 (LJN: BQ0643) te volgen, waarin is overwogen dat niet valt in te zien waarom de in de gedachtestrepen van artikel 6 van Besluit nr. 1/80 neergelegde systematiek voor verweerder de noodzaak vormt voor jaarlijkse toetsing. Gelet hierop heeft verweerder ook ieder jaar leges kunnen vragen, welke leges onlangs fors zijn verlaagd.

Eisers stelling, dat ook ten aanzien van burgers van de Unie een stelsel van opbouw van rechten geldt, kan niet worden gevolgd. Immers, zo in de door eiser aangehaalde artikelen 6, 7, 11, 16 en 28 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden al sprake is van opbouw van rechten, is deze opbouw niet vergelijkbaar met de opbouw op grond van artikel 6 van Besluit nr. 1/80 en vraagt deze geen jaarlijkse toetsing.

Eisers stelling dat de omstandigheid dat verweerder het verblijfsrecht van de Unieburger na het afgeven van de “verklaring van inschrijving” niet meer tussentijds toetst en dat dit in strijd is met het arrest van het Hof van 29 april 2010 (LJN: BM3843, Commissie tegen Nederland), omdat verweerder hiermee een direct onderscheid maakt tussen Burgers van de Unie en Turkse werknemers, kan evenmin worden gevolgd. Zoals verweerder terecht betoogt, rechtvaardigt het verschil tussen Turkse staatsburgers en burgers van de Unie in hun positie immers het verschil in behandeling en is dit verschil niet onevenredig.

Gelet hierop dient te worden geconcludeerd dat het ieder jaar leges moeten betalen voor het verlengen van de verblijfsvergunning geen nieuwe beperking als bedoeld in artikel 13 van Besluit nr. 1/80 is.

5.2.3 Verweerder betoogt terecht dat het discriminatieverbod van artikel 9 van de Associatieovereenkomst in samenhang moet worden gezien met de standstillbepaling en dat op grond van de standstillbepaling oude voorwaarden en regels mogen worden gehandhaafd, zelfs als die een onderscheid tot gevolg hebben tussen Turkse staatsburgers en burgers van de Unie. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de tweede alinea van overweging 2.5.4 van de door verweerder overgelegde uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2011 (LJN: BP8383), waarin is geoordeeld dat artikel 9 van de Associatieovereenkomst onverlet laat dat de toelatingsvoorwaarden, die door de lidstaten reeds op 1 januari 1973 (lees in casu: 1 december 1980) werden gehanteerd, vooralsnog mogen worden gehandhaafd, ook als deze mogelijk discriminatoir zijn.

Voorts heeft het Hof in punt 56 van voormeld arrest van 29 april 2010 onderkend dat Turkse staatsburgers vaker om verlenging moeten vragen. Desalniettemin heeft het Hof in dat arrest niet geoordeeld dat de positie van Turkse staatsburgers exact gelijk dient te zijn aan die van de burgers van de Unie en laat het in punt 71 nadrukkelijk de mogelijkheid open dat weliswaar hogere leges gelden voor Turkse staatsburgers, doch dat die niet onevenredig zijn.

Eisers stelling dat verweerder wel degelijk onevenredig en discriminatoir handelt als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2011 kan derhalve niet worden gevolgd.

5.2.4 Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de handelwijze van verweerder in strijd is met artikel 10 van Besluit nr. 1/80.

5.3 Het betoog dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, wordt verworpen. Als uitgangspunt geldt dat een belanghebbende op zijn bezwaar wordt gehoord. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer neergelegd in haar uitspraak van 10 maart 2009 (LJN: BH6992), mag, bij toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), slechts van het horen worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het in bezwaar bestreden besluit.

5.3.1 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar, omdat tussen hem en verweerder sprake is van een verschil van mening over de juistheid van het in het primaire besluit aangenomen feitencomplex. De rechtbank is evenwel niet gebleken van een dergelijk verschil van mening. Dat eiser en verweerder van mening verschillen over de uitleg van de bepalingen van het associatierecht en de aanspraken die eiser daar al dan niet aan kan ontlenen, maakt dit niet anders. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

5.4 Aangezien in de tussenuitspraak van 3 maart 2011 in rechtsoverweging 5.3.1 reeds is geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Nu het motiveringsgebrek door verweerder evenwel is geheeld, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een nadere schriftelijke reactie met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1092,50;

5 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, en mr. A. van 't Laar en mr. A. Pahladsingh, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 11 augustus 2011.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak tegelijkertijd met de tussenuitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: