Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6510

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
11/12517
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier,intrekking verblijfsvergunning,verblijf bij echtgenoot,inkomenseis,120%-norm,terugwerkende kracht,arrest Chakroun

Verweerder meent dat met enkel het inkomen uit het dienstverband niet aan het inkomensvereiste werd voldaan, waarbij is uitgegaan van het ten tijde van eisers aanvraag (25 april 2006) geldende wettelijke vereiste, de 120%-norm. In het arrest Chakroun heeft het HvJEG evenwel geoordeeld dat deze norm niet in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid, aanhef en sub c, van richtlijn 2003/86/EG. Dit impliceert dat de richtlijn, die uiterlijk op 3 oktober 2005 in nationaal recht diende te zijn omgezet door de lidstaten, op dit punt niet naar behoren is omgezet in nationaal recht, hetgeen ook ten tijde van eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op 25 april 2006 reeds het geval was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de 120%-norm bij de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, door verweerder niet met terugwerkende kracht gehanteerd kon worden als maatstaf om te bepalen of voldaan werd aan het middelenvereiste, nu dit vereiste van 120 procent op grond van voornoemd arrest in ieder geval met ingang van 3 oktober 2005 onrechtmatig blijkt te zijn geweest. Het zou anders zijn, indien de wijziging van de norm van 120 naar 100 procent destijds het gevolg was van een reguliere beleidswijziging, maar het gaat hier om een onrechtmatig bevonden norm, die destijds in eisers geval al niet gehanteerd had mogen worden en die hij daarom met succes juridisch had kunnen aanvechten. Het gaat dan niet aan in 2010 de onrechtmatige norm met terugwerkende kracht toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/12517

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Marokkaanse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. E. Osinga, advocaat te

Arnhem;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.M. Wuite,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [de vrouw]” verleend, met ingang van 25 april 2006. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 25 april 2012.

Bij besluit van 22 december 2010 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, tot 25 april 2006, ingetrokken. Bij brief van 27 december 2010 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 4 april 2011 ongegrond verklaard.

Bij brief van 11 april 2011 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 9 mei 2011. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 29 juli 2011 behandeld. Eiser is verschenen bij mr. Özkara, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is in geschil of verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [de vrouw]” met terugwerkende kracht, tot 25 april 2006, mocht intrekken.

2.2 Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.3 Op grond van artikel 3.84 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 afgewezen om reden dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning een periode van twaalf jaren is verstreken.

2.4 Volgens paragraaf B1/5.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) zijn de regels neergelegd in artikel 3.84 van de Vb 2000 van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

2.5 Volgens voornoemde paragraaf van de Vc 2000 wordt, indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bij indiening van zijn aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, op grond waarvan de Nederlandse overheid is bewogen tot afgifte van de aan hem verleende verblijfsvergunning. Op basis van onderzoek door de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: SIOD) is gebleken dat het dienstverband tussen [werkgever] en de echtgenote van eiser, mevrouw [de vrouw], een gefingeerd dienstverband betreft. Met dit gefingeerde dienstverband is aangetoond dat aan het inkomensvereiste werd voldaan. Met enkel het inkomen uit arbeid voor de [werkgever] beschikte mevrouw [de vrouw] niet over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft voorts geen aanleiding gezien de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dan wel op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.7 Eiser heeft in beroep betoogd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning enkel te baseren op het onderzoek door de SIOD zonder de strafrechtelijke procedure af te wachten.

De rechtbank stelt vast dat de SIOD heeft geconcludeerd dat er een redelijk vermoeden ontstaan is dat het dienstverband tussen [werkgever] en de echtgenote van eiser, mevrouw [de vrouw], een gefingeerd dienstverband betreft. De SIOD heeft hier mede bij betrokken dat mevrouw [de vrouw] het verkregen netto loon van € 400,-- en onkosten heeft terugbetaald aan de verdachte ondernemingen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het onderzoek van de SIOD kunnen concluderen dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser en zijn echtgenote geen verklaring hebben gegeven voor het enkele malen terugbetalen van € 400,- aan [werkgever], en hier ook ter zitting geen verklaring voor kon worden gegeven. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het netto inkomen van € 400,-- uit het gefingeerde dienstverband buiten beschouwing gelaten had dienen te worden bij de beoordeling of voldaan werd aan het inkomensvereiste. Van onzorgvuldig handelen door verweerder is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Dat, zoals eiser in beroep heeft betoogd, de bewoordingen in het bestreden besluit niet stroken met de tekst van artikel 3.84 van het Vb 2000, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het besluit in primo en is overigens in het bestreden besluit voldoende draagkrachtig gemotiveerd weerlegd.

2.8 Voorts heeft eiser in beroep betoogd dat feitelijk werd voldaan aan het middelenvereiste omdat hij nimmer een beroep heeft gedaan op de publieke middelen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en voldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser nimmer een beroep heeft gedaan op de publieke middelen, niet betekent dat daarmee wordt voldaan aan het wettelijk middelenvereiste.

2.9 Voorts heeft eiser betoogd dat het Europese Hof de inkomenseis van 120 procent van de Wet minimumloon heeft vernietigd in die zin dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de internationale regels. Deze inkomenseis die gold ten tijde van het indienen van de aanvraag door eiser is dan ook onrechtmatig. Verweerder moet beoordelen in welke periode wel werd voldaan aan het inkomensvereiste van 100% nu niet wordt getwijfeld aan het inkomen van € 932,65, maar enkel aan het aanvullend inkomen van € 400,--.

De rechtbank stelt met eiser vast dat verweerder niet betwist dat de echtgenote van eiser, mevrouw [de vrouw], ten tijde van eisers aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [de vrouw]”, een dienstverband had met de [werkgever], waaruit zij een maandloon genereerde. De rechtbank overweegt dat dit netto maandloon blijkens het besluit in primo van 22 december 2010, pagina 3, onderaan, € 984,32 bedroeg. Ook de SIOD gaat blijkens het onderzoek uit van dit bedrag. De loonstroken en bankafschriften van maart 2005 en april 2005 tonen een nettobedrag van € 984,70.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met enkel het inkomen uit het dienstverband met de [werkgever] niet aan het inkomensvereiste werd voldaan, zodat de verstrekking van de juiste gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen en verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [de vrouw]” zou hebben geleid.

Verweerder is hierbij uitgegaan van het ten tijde van eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op 25 april 2006 geldende wettelijke vereiste dat de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig diende te beschikken over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

De rechtbank stelt voorts vast dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 4 maart 2010, nr. C-578/08, inzake Chakroun, heeft geoordeeld dat het vereiste te beschikken over middelen die gelijk zijn aan 120 procent van het minimumloon, neergelegd in de artikelen 3.74, aanhef en sub d, en 3.22, tweede lid, van het Vb 2000, niet in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid, aanhef en sub c, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: richtlijn). Dit impliceert dat de richtlijn, die uiterlijk op 3 oktober 2005 in nationaal recht diende te zijn omgezet door de lidstaten, op dit punt niet naar behoren is omgezet in nationaal recht, hetgeen ook ten tijde van eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op 25 april 2006 reeds het geval was.

De rechtbank is dan ook met eiser van oordeel dat het vereiste te beschikken over middelen die gelijk zijn aan 120 procent van het minimumloon, bij de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, door verweerder niet met terugwerkende kracht gehanteerd kon worden als maatstaf om te bepalen of voldaan werd aan het middelenvereiste, nu dit vereiste van 120 procent op grond van voornoemd arrest in ieder geval met ingang van 3 oktober 2005 onrechtmatig blijkt te zijn geweest. Het zou anders zijn, indien de wijziging van de norm van 120 naar 100 procent destijds het gevolg was van een reguliere beleidswijziging, maar het gaat hier om een onrechtmatig bevonden norm, die destijds in eisers geval al niet gehanteerd had mogen worden en die hij daarom met succes juridisch had kunnen aanvechten. Het gaat dan niet aan in 2010 de onrechtmatige norm met terugwerkende kracht toe te passen.

2.10 Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit niet op een deugdelijk motivering en is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond en het besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal de overige door eiser aangevoerde gronden onbesproken laten.

2.11 De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven nu ter zitting geen uitsluitsel kon worden gegeven over de vraag of met het inkomen van mevrouw [de vrouw] uit het dienstverband met de [werkgever] ten tijde van eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op 25 april 2006, wel werd voldaan aan het inkomensvereiste, uitgaande van de 100%-norm. Eerst indien vaststaat dat hieraan niet werd voldaan, kan worden geconcludeerd dat verstrekking van de juiste gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen en verlengen van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [de vrouw]” zou hebben geleid, hetgeen grond voor intrekking ervan kan vormen.

Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.12 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 april 2011;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,--, te voldoen aan eiser;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad € 152,--, aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier, rechter, en door deze en mr. W. Markwat als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.