Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6250

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/27782
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegenwerping artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in geval sprake is van het afstaan van documenten aan de reisagent in een niet veilig derde land, doch er geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis zijn afgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het beleid neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, bezien in samenhang met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2008 (LJN: BC9690) dat, ook indien het niet aan de vreemdeling te wijten is dat de documenten aan de reisagent zijn afgestaan, er alsnog consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis moeten worden afgelegd. Verweerder stelt terecht dat dit in dit geval betekent dat - los van de vraag of eiser zich op het moment dat hij de documenten zou hebben afgestaan aan de reisagent in een veilig derde land bevond - eiser gehouden was gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis af te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/27782

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [1966], van Iraakse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 15 augustus 2008 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) afgewezen. Op 5 augustus 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Essebai, tolk in de Arabische taal.

Asielrelaas

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit [plaats], gelegen in de provincie Babel, Irak. Eiser heeft gewerkt voor de chemische fabriek Al Forat, die valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Industrie en Grondstoffen. Eiser is gedurende zijn werkzaamheden in aanraking gekomen met giftige stoffen en is daardoor ziek geworden. Hij heeft hierover geklaagd bij de algemeen directeur van de fabriek, [directeur]. Eiser heeft [directeur] meerdere malen tevergeefs om hulp verzocht. In april 2008 is eiser begonnen met het benaderen van familieleden van andere getroffen werknemers om gezamenlijk een zaak tegen het bedrijf te starten. Medio april 2008 heeft [directeur] eiser verzocht hiermee te stoppen en geen aanklacht tegen het bedrijf in te dienen. Eiser heeft dit geweigerd. Daarop zijn op 10 mei 2008 drie leden van het Al Mahdi leger, waarmee [directeur] contacten heeft, naar eisers huis gegaan. Zij hebben tegen eiser gezegd dat hij moest stoppen met de zaak en dat hij voor hen moest komen werken en explosieven moest gaan maken. Op eigen verzoek heeft eiser vijf dagen bedenktijd gekregen, waarna de mannen op 15 mei 2008 opnieuw naar zijn huis zijn gekomen. Zij hebben toen een dreigbrief voor eiser achtergelaten. De dreigbrief bevatte de boodschap dat eiser zich binnen tien dagen bij het Al Mahdi leger moest aansluiten en dat hij mee moest strijden tegen de Amerikanen. Zo niet, dan zou hij worden gedood. Eiser is toen gevlucht en heeft op 27 mei 2008 Irak verlaten.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

1.2. Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit en voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en als gevolg daarvan heeft kunnen concluderen dat van het asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser toerekenbaar geen documenten ter onderbouwing van zijn reisroute heeft overgelegd. Dat eiser zijn paspoort en vliegticket in Turkije aan een reisagent heeft afgestaan, kan hem worden toegerekend. Ook heeft eiser onvoldoende verifieerbare verklaringen over zijn reis uiteengezet, met als gevolg dat de reisroute niet kan worden vastgesteld. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht. Zoals uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) valt af te leiden, bestaat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 uit verschillende elementen. Indien niet aan ieder afzonderlijk element is voldaan, kan dit artikel worden tegengeworpen. Voor zover al wordt aangenomen dat eiser in Turkije zijn paspoort en ticket aan de reisagent heeft afgegeven en dit, mocht Turkije niet als veilig derde land worden aangemerkt, niet aan hem is toe te rekenen, dan nog geldt dat eiser geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute heeft afgelegd, zodat reeds daarom artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem kan worden tegengeworpen, aldus verweerder.

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet aan hem heeft kunnen tegenwerpen, omdat het afgeven van zijn paspoort en ticket aan de reisagent hem niet kan worden toegerekend. Hij moest in Turkije zijn paspoort en ticket aan de reisagent afgeven, omdat hij geheel afhankelijk was van de reisagent. Eiser was op dat moment nog niet in een veilig derde land aangekomen, zodat hij geen andere keus had. Hoewel verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het niet voldoen aan één van de elementen voldoende is om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegen te werpen, geldt in dit geval dat eiser wel degelijk gedetailleerde en verifieerbare gegevens over zijn reis uiteen heeft gezet, zodat de reisroute kan worden vastgesteld. Eiser heeft verklaard dat hij op 27 mei 2008 omstreeks 22.00 uur uit Arbil is vertrokken met het vliegtuig naar Istanbul, alwaar hij om ongeveer 01.20 uur is geland. Mogelijk heeft hij met Turkish Airlines gevlogen. Eiser weet alleen niet het kenteken van de vrachtwagen waarmee hij naar Nederland is gereisd, te vertellen.

6.1. Niet in geschil is dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn reisroute. In geschil is de vraag of dit toerekenbaar is.

6.2. Volgens paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) wordt, wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt documenten ontbreken, onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de desbetreffende asielzoeker is toe te rekenen. Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van 'het toerekenbaar ontbreken van documenten'.

In het kader van deze beoordeling worden steeds de volgende vragen beantwoord:

a. Zijn de verklaringen omtrent het betreffende element en het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig?

b. Komen deze verklaringen overeen met hetgeen overigens bekend is?

Is het antwoord op vraag a en/of b ‘nee’, dan is het aannemelijk dat het ontbreken van deze documenten aan de asielzoeker is toe te rekenen. Hierbij gelden de volgende aandachtspunten.

Verklaringen omtrent het ontbreken van documenten na vertrek uit het land van herkomst

Een vreemdeling behoort zijn documenten zorgvuldig te bewaren. Indien de asielverzoeker verklaart dat zijn documenten na binnenkomst in Nederland zijn zoekgeraakt of weggemaakt, zal dit vrijwel altijd toerekenbaar zijn aan de betrokken asielzoeker. Als hij deze in Nederland verliest, of in enig ander land waar hij reeds veilig was, is in beginsel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

Indien de asielzoeker verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent geldt het volgende. Het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

(…)

Reisroute

'Hetgeen overigens bekend is' betreft bij het ontbreken van documenten inzake de reis: alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland (bekende reisroutes, controle op papieren in de landen van herkomst en tijdens de doorreis in andere landen, de wijze van reizen, aankomst- en vertrektijden en duur en verloop van de reis op grond van vaar-, vlieg- en andere reisschema's).

Hierbij gelden in het bijzonder de volgende aandachtspunten:

a. Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen. Ook op zichzelf geloofwaardige verklaringen omtrent het kwijtraken van documenten, impliceren niet automatisch dat de asielzoeker in het geheel geen (reis)bescheiden meer in zijn bezit heeft. Zowel bij een reis over land als een reis per vliegtuig is het onaannemelijk dat een asielzoeker niets aan indicatief bewijs in diens bezit heeft. Zelfs hotelrekeningen, telefoonkaarten, buitenlands geld of suikerzakjes van een luchtvaartmaatschappij en dergelijke kunnen al als indicatie dienen. In dit verband is het relevant dat men bij een reis per vliegtuig vrijwel altijd in het bezit van een (al dan niet vals of vervalst) officieel reisdocument moet zijn geweest. Na een reis per vliegtuig naar de EU moet in ieder geval het vluchtnummer kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld op grond van het vliegtuigticket en/of de instapkaart. Daarnaast geldt dat bagage tijdens de vliegreis is voorzien van etiketten met vermelding van het vluchtnummer. Indien een asielzoeker in het bezit van bagage is, moet hij ook dergelijk bewijs kunnen overleggen.

b. In het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen. Verifieerbare elementen zijn bijvoorbeeld: - de omschrijving van aankomst in de EU, zoals aankomst met de boot en omschrijving van de haven (na onderzoek blijkt de betreffende boot inderdaad op die route en tijden te varen en klopt de omschrijving van de haven; in geval van een passagierslijst kan gecheckt worden of de vreemdeling inderdaad aanwezig was);

- asiel hebben gevraagd in een ander land en inderdaad in die hoedanigheid bekend zijn.

c. Verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis zijn niet geloofwaardig. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis (nauwkeurige omschrijving vervoermiddel en verloop van de reis).

6.3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 april 2008 (LJN: BC9690), voor zover van belang, overwogen dat:

“De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat het in 2.1.3 weergegeven beleid inhoudt dat met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zich nog niet aannemelijk is gemaakt dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend; daarvan is pas sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. De Afdeling acht deze uitleg, gezien de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en de in 2.1.3 genoemde onderdelen van de Vc 2000, in onderlinge samenhang bezien, niet onredelijk of anderszins onjuist.”

6.4. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat, ook indien het niet aan de vreemdeling te wijten is dat de documenten aan de reisagent zijn afgestaan, er alsnog consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis moeten worden afgelegd. In dit geval betekent dit dat - los van de vraag of eiser zich op het moment dat hij de documenten zou hebben afgestaan aan de reisagent in een veilig derde land bevond - eiser gehouden was gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reis af te leggen. Eiser heeft dit ook ter zitting beaamd.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser geen concrete, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reisroute heeft afgelegd. Zo heeft eiser enkel gesteld dat hij meent op 27 mei 2008 omstreeks 22.00/22.30 uur van Arbil naar Istanbul te zijn gevlogen, mogelijk met een vliegtuig van Lufthansa. Eiser heeft echter onvoldoende concreet en gedetailleerd verklaard over het vliegtuig en de luchtvaartmaatschappij waarmee hij heeft gevlogen. Nu uit het beleid volgt dat in geval de reisbescheiden in het geheel ontbreken, dit eiser eerst niet valt toe te rekenen indien hij consistent, gedetailleerd en verifieerbaar heeft verklaard over de reisroute, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van toerekenbaar ontbreken van documenten.

6.5. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. De beroepsgrond faalt.

7. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. De verklaringen van eiser over de gestelde gebeurtenissen op 10 mei 2008 en 15 mei 2008 worden niet geloofwaardig geacht, vanwege de vage, onwaarschijnlijke en onlogische elementen daarin. Verweerder acht het gestelde dreigement op 10 mei 2008 door het Al Mahdi leger niet aannemelijk, omdat eiser nimmer daadwerkelijk een klacht tegen het bedrijf heeft ingediend en hij heeft bevestigd dat hij na het gesprek met [directeur] niet meer bij de betrokken families is langs geweest. Ook heeft [directeur] eiser niet bedreigd tijdens hun gesprek in april 2008. Het gestelde verband tussen [directeur] en het Al Mahdi leger berust volgens verweerder enkel op verklaringen van derden en heeft een speculatief karakter. Eiser heeft verder onvoldoende toegelicht om welke reden juist hij benaderd zou zijn om explosieven voor het Al Mahdi leger te maken. Verweerder acht het voorts niet geloofwaardig dat het Al Mahdi leger op 15 mei 2008 opnieuw naar het huis van eiser is gegaan en daar een dreigbrief heeft achtergelaten. Niet is gebleken dat zijn familie daadwerkelijk de dreigbrief aan eiser heeft opgestuurd. Evenmin heeft eiser een aannemelijke verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij de dreigbrief niet direct heeft meegenomen uit Irak, terwijl hij wel een aantal andere inhoudelijke documenten in het kader van zijn procedure heeft overgelegd.

8.2. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat zijn relaas positieve overtuigingskracht ontbeert. Daartoe voert hij aan dat, hoewel hij nog geen klacht tegen het bedrijf had ingediend, hij wel druk bezig was met de voorbereidingen daarvoor. In de periode van de voorbereidingen was hij weinig thuis, zodat er wellicht eerdere bedreigingen zijn geweest die hem niet hebben bereikt. Verder voert eiser aan dat er wel degelijk aanwijzingen bestonden voor de relatie tussen [directeur] en het Al Mahdi leger. Zij waren samen op een foto in het bedrijf te zien en ook gingen hierover geruchten rond. De heer [directeur] was directeur van een openbare instelling en een dergelijke positie kan alleen verkregen worden via invloedrijke relaties. Eiser is benaderd omdat hij als scheikundig ingenieur vanaf eind 1992 tot oktober 1998 werkzaam is geweest voor de afdeling vernieuwing en onderzoek van de wapenindrustrie van de Iraakse overheid. De heer [directeur] probeerde op deze wijze voor elkaar te krijgen dat eiser zijn voorbereidingen voor de klachtprocedure zou staken. Ten slotte stelt eiser dat de dreigbrief die hij op

15 mei 2008 heeft ontvangen tijdens de verzending door zijn familie aan hem verloren is gegaan.

8.3.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser voor een chemische fabriek heeft gewerkt en door het verrichten van werkzaamheden is vergiftigd. Ook gelooft verweerder dat eiser een klacht heeft willen indienen jegens zijn werkgever [directeur] en dat deze eiser tijdens een ruzie in april 2008 heeft verzocht om te stoppen met het benaderen van familieleden en de voorgenomen klacht niet in te dienen.

8.3.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat van de verklaringen van eiser die betrekking hebben op de gestelde gebeurtenissen op

10 mei 2008 en 15 mei 2008 geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser de aanleiding voor het dreigement van het Al Mahdi leger op 10 mei 2008 niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft nooit een klacht ingediend tegen het bedrijf en ook heeft hij na het gesprek met [directeur] geen contact meer gehad met de families van zijn collega’s. Dat eiser is doorgegaan met het treffen van voorbereidingen maakt dit niet anders, nu niet duidelijk is geworden hoe [directeur] hiervan op de hoogte zou kunnen zijn geraakt. Verder heeft verweerder daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het verband tussen [directeur] en het Al Mahdi leger berust op speculaties. De stelling van eiser dat [directeur] en het Al Mahdi leger samen op een foto te zien zouden zijn en dat er geruchten over hun samenwerking gaan, is onvoldoende om van een dergelijk verband uit te gaan. Eiser heeft zijn stelling dat de positie van directeur alleen verkregen kan worden via invloedrijke relaties, niet met stukken onderbouwd. Voorts heeft verweerder waarde kunnen hechten aan de omstandigheid dat onduidelijk is waarom juist eiser zou zijn benaderd om explosieven voor het Al Mahdi leger te maken. Eiser heeft geen ervaring in het geven van trainingen in het maken van explosieven. De door eiser gegeven verklaring dat hij werkzaam was in de militaire industrie, heeft verweerder in redelijkheid onvoldoende kunnen achten. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij opzichter was. Het zijn van opzichter betekent echter niet dat eiser de inhoudelijke expertise had op het gebied van chemicaliën. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat eiser op 15 mei 2008 een dreigbrief heeft ontvangen. Eiser heeft enkel gesteld dat die brief door zijn familie zou zijn nagezonden, doch heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd.

8.3.3. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. De beroepsgrond faalt.

9. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/38/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Eiser heeft in beroep naar een aantal documenten verwezen, waaruit volgens hem blijkt dat de veiligheidssituatie en mate van willekeurig geweld in Irak, en in de provincie Babel in het bijzonder, zo ernstig is, dat iedere burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, te weten:

- het rapport van Amnesty International “Iraq: Civilians under fire” van 27 april 2010;

- de antwoorden van minister Verhagen op Kamervragen van 11 juni 2010 (TK 2009-2010, nr. 2635);

- de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 7 oktober 2010 (LJN: BN9902); en

- het rapport van het landelijk bureau Vluchtelingenwerk Nederland van 9 november 2010.

10.1. In artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is vermeld dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd. Gelet hierop zal de rechtbank de stukken waarnaar eiser in beroep heeft verwezen bij haar beoordeling betrekken, nu deze relevant kunnen zijn en de goede procesorde zich daar niet tegen verzet. In de zienswijze had eiser in dit kader al verwezen naar de UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers (hierna: Guidelines) van 27 april 2009.

10.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dermate slechte veiligheidssituatie in Irak, en met name in de provincie Babel, dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak, en in het bijzonder Babel, aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Het standpunt van verweerder dienaangaande is in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling. De Afdeling heeft meerdere malen geoordeeld dat er in Irak geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in voornoemde bepaling, bijvoorbeeld bij uitspraak van 4 februari 2011 (LJN: BP4320). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met de enkele verwijzing naar algemene stukken over de veiligheidssituatie in Irak zonder precieze pagina’s of onderdelen aan te wijzen waaruit blijkt dat de situatie in Babel thans slechter is dan de situatie die ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2011 aan de orde was, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak, louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Deze beroepsgrond van eiser faalt dan ook.

11. Eiser stelt voorts dat hij vanwege zijn gezondheid niet kan terugkeren naar Irak. Uitblijven van de behandeling zal tot gevolg hebben dat hij eerder zal komen te overlijden. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op de brief van de endocrinoloog G. van de Berg van 28 april 2010 en de brief van de arts-assistent cardiologie V.E. Hagens van 8 oktober 2010. Ter zitting heeft eiser voorts betoogd dat de omstandigheid dat hij medische klachten ondervindt en als gevolg daarvan eerder zal overlijden, binnen de reikwijdte van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) valt. Het criterium dat een medische noodsituatie op korte termijn, binnen drie maanden, moet ontstaan, acht eiser een te beperkte uitleg van artikel 3 EVRM.

12. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 23 februari 2010 en 28 juni 2010, op het standpunt dat de omstandigheid dat eiser diverse medische klachten heeft, geen omstandigheid is waardoor bij uitzetting van eiser sprake zou zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser bevindt zich immers niet in een vergevorderd en levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte. De door eiser overgelegde medische stukken geven geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de BMA-adviezen. Het toetsingskader van artikel 3 van het EVRM is streng en beperkt zich tot zeer uitzonderlijke gevallen, dit blijkt ook uit vaste jurisprudentie.

13.1. De door eiser overgelegde brief van de arts-assistent cardiologie V.E. Hagens van 8 oktober 2010 dateert van na het bestreden besluit. Nu deze voor de beoordeling relevant kan zijn en de goede procesorde zich daar niet tegen verzet, zal de rechtbank deze op grond van artikel 83 van de Vw 2000 bij haar beoordeling betrekken.

13.2. De rechtbank overweegt dat in de BMA-adviezen van 23 februari 2010 en van 28 juni 2010 - kort samengevat - staat vermeld dat eiser medische klachten heeft, waarvoor hij medicatie krijgt en onder controle van de endocrinoloog staat. De klachten van eiser zijn zodanig dat daarvan - bij uitblijven van de behandeling - op korte termijn geen acute medische noodsituatie te verwachten is. Eiser is in staat te reizen met gangbare vervoersmiddelen onder de voorwaarde dat hij zijn medicatie en zijn medische gegevens (schriftelijk) meeneemt. In Irak is volgens het BMA behandeling, in algemeen medisch-technische zin, onvoldoende.

13.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een BMA-advies een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien een zodanig advies op onpartijdige, objectieve en deskundige wijze is opgesteld, mag verweerder bij de beoordeling van de aanvraag om toelating in beginsel van het advies uitgaan. Dit is eerst anders indien eiser concrete aanknopingspunten voor twijfel biedt aan de juistheid en volledigheid van dit deskundigenbericht.

13.4. De rechtbank stelt vast dat de door eiser overgelegde brief van endocrinoloog G. van de Berg van 28 april 2010 door het BMA bij het opstellen van het advies van 28 juni 2010 is betrokken, zodat deze brief reeds daarom geen concreet aanknopingspunt aan het BMA-advies oplevert. De door eiser overgelegde brief van de arts-assistent cardiologie V.E. Hagens van 8 oktober 2010 is weliswaar niet door het BMA in de beoordeling betrokken, maar hieruit komt geen ander beeld naar voren van eisers medische klachten ten opzichte van de situatie ten tijde van het BMA-advies. Hiermee heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen concrete met bewijsstukken onderbouwde aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de informatie in de BMA-adviezen overgelegd. Verweerder heeft bij de beoordeling van onderhavige aanvraag dan ook van de BMA-adviezen mogen uitgaan en is terecht tot de conclusie gekomen dat de omstandigheid dat eiser diverse medische klachten heeft, geen omstandigheid is waardoor bij uitzetting van eiser sprake zou zijn van schending van artikel 3 van het EVRM.

13.5. Het standpunt van eiser dat het criterium van artikel 3 van het EVRM ruimer is dan het criterium van het ontstaan van een medische noodsituatie, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 8 juni 2010, LJN: BM7425) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.

Gelet op het voorgaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat het door verweerder gehanteerde criterium onjuist moet worden geacht. De beroepsgrond faalt evenzeer.

14. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/27782,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Kuipers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc..: MMK

Coll.: AEM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.