Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6232

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
398570 - KG ZA 11-831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde gebod om teveel in detentie doorgebrachte tijd te verrekenen met een andere gevangenisstraf wordt afgewezen. Uitgangspunt is dat op gedaagde de verplichting rust de door de strafrechter opgelegde straffen en maatregelen ten uitvoer te leggen. Voor een afwijking van dit uitgangspunt dient een wettelijke grondslag te bestaan. Gesteld noch gebleken dat dat het geval is. De in artikel 90 lid 4 Sv bedoelde verrekeningsmogelijkheid is niet van toepassing nu geen sprake is van een beeindiging van de strafzaak zonder oplegging van een straf of maatregel. Door voeging van de zaken is immers sprake van één zaak, zodat niet aan de criteria van dat artikel is voldaan. Dat bij een niet gevoegde behandeling van de zaken een verrekening met het voorarrest ingevolge artikel 90 lid 4 Sv mogelijk zou zijn geweest, maakt het voorgaande niet anders. De bevoegdheid tot verrekening komt exclusief toe aan de strafrechter en dus niet aan gedaagde (het openbaar ministerie) of de voorzieningenrechter in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 398570 / KG ZA 11-831

Vonnis in kort geding van 29 augustus 2011

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. B.G.M.C. Peters te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. L.C.W.M. van Kessel te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 augustus 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Op 15 januari 2008 is eiser in verzekering gesteld. Hij heeft de periode tot 18 september 2008 in voorarrest doorgebracht als verdachte van diefstal (hierna: 'zaak 1').

1.2. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2008 in de strafzaak met parketnummer 13/421029-07 (hierna: 'zaak 2') is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

1.3. In zaak 2 heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 24 oktober 2008, gewezen onder parketnummer 23/000607-08, het onder 1.2 vermelde vonnis vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan en eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest. Op 9 juni 2009 is dit arrest onherroepelijk geworden doordat op die datum het door eiser ingediende cassatieberoep door de Hoge Raad werd verworpen.

1.4. Eiser is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2009 in zaak 1 en in de strafzaak met parketnummer 13/443021 (hierna: 'zaak 3') veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Eiser is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

1.5. De meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam heeft eiser bij vonnis van 20 augustus 2010 in de strafzaak met parketnummer 13/650037-10 (hierna: 'zaak 4') veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest. Van dit vonnis is eiser in hoger beroep gekomen.

1.6. Bij arrest van 30 september 2010 met parketnummer 22/005764-09 heeft het gerechtshof Amsterdam, de meervoudige strafkamer zittinghoudende te 's-Gravenhage, in zaak 1 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, eiser vrijgesproken en in zaak 3 eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest. Op 15 oktober 2010 is dit arrest onherroepelijk geworden.

1.7. Eiser verblijft sinds 25 februari 2011 in detentie ter zake van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in

zaak 2.

1.8. Bij brief van 28 juni 2011 heeft de advocaat van eiser het openbaar ministerie te Amsterdam verzocht eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen, nu hij ter zake van zaak 1 vier maanden teveel in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft het openbaar ministerie aan de advocaat van eiser bericht hiertoe niet te zullen overgaan.

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om eiser op straffe van een dwangsom onmiddellijk in vrijheid te stellen. Voorts vordert eiser gedaagde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan hem van € 80,-- per dag dat hij teveel in detentie heeft doorgebracht.

2.2. Aan zijn vorderingen legt eiser ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt nu eiser in 2008 vier maanden teveel in detentie heeft doorgebracht. De einddatum van zijn detentie had daarom 30 juni 2011 moeten zijn en niet 20 oktober 2011. Eiser heeft immers met betrekking tot de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan zaak 1 acht maanden in voorarrest gezeten en is in hoger beroep voor de gevoegde zaken 1 en 3 veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, terwijl hij voor de feiten die ten grondslag lagen aan zaak 1 is vrijgesproken. Als gevolg van de enkele administratieve overweging om de zaken 1 en 3 te voegen, wordt eiser benadeeld bij de executie van de onherroepelijk aan hem opgelegde vrijheidsstraffen. De weigering van gedaagde om de duur die eiser langer dan de opgelegde vrijheidsstraf in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in de gevoegde zaken 1 en 3 te verrekenen met de thans nog ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf in zaak 2, is een onrechtmatige daad jegens eiser en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

3.2. Uitgangspunt is dat op gedaagde de verplichting rust de door de strafrechter opgelegde straffen en maatregelen ten uitvoer te leggen. Voor een afwijking van dit uitgangspunt dient een wettelijke grondslag te bestaan, behoudens het zich hier niet voordoende geval dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschonden. Gesteld noch gebleken is dat voor de door eiser verzochte verrekening een bij wet gegeven grondslag van toepassing is. Artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) maakt in één strafzaak verrekening van voorarrest met de in dat artikel genoemde opgelegde straffen mogelijk. Voor de door eiser gewenste verrekening biedt dit artikel echter geen grondslag. Ook doet zich hier de situatie als bedoeld in artikel 68 Wetboek van Strafvordering (Sv) niet voor. De in artikel 90 lid 4 Sv bedoelde verrekeningsmogelijkheid is niet van toepassing, nu evenmin sprake is van een beëindiging van de strafzaak zonder oplegging van een straf of maatregel. Door voeging van de zaken 1 en 3 is immers sprake van één zaak, zodat niet aan de criteria van dit artikel is voldaan. Dat bij een niet gevoegde behandeling van de zaken een verrekening met het voorarrest in zaak 1 ingevolge artikel 90 lid 4 Sv mogelijk zou zijn geweest, maakt het voorgaande niet anders.

3.3. Zelfs indien aangenomen zou worden dat de redelijkheid en billijkheid voldoende grondslag bieden om tot verrekening over te gaan, dan komt nog de bevoegdheid tot verrekening exclusief aan de strafrechter toe en dus niet aan het openbaar ministerie of de voorzieningenrechter in kort geding. Daarom behoeven de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden geen nadere bespreking. Het beroep van eiser op mogelijke toekomstige wetgeving (het voorontwerp van Wet schadecompensatie strafvorderlijk overheidsoptreden) kan niet slagen, nu anticipatie op een nog niet ingediend wetsvoorstel niet mogelijk is.

3.4. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat voor de door eiser gewenste verrekening geen grond bestaat. Gedaagde voldeed daarom aan zijn wettelijke executieplicht door na de beëindiging van het voorarrest in zaak 4 direct over te gaan tot executie van het arrest in zaak 2. Het gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

3.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.376,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2011.

mn