Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6226

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/24774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6, mogelijkheid lichter middel.

De rechtbank overweegt dat paragraaf A2/5.5 van de Vc 2000, dat een uitwerking is van artikel 3, derde lid, van de Vw 2000, de mogelijkheid biedt om, in geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen aanvragen, van toegangsweigering en oplegging van de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 6, tweede lid, van de Vw 2000 af te zien. De rechtbank wijst in dat verband ook naar de Memorie van Toelichting bij de laatste wijziging van artikel 3 van de Vw 2000 (TK, 2007-2008, 31 208, nr. 5) waarin is overwogen dat ingevolge artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 in de praktijk de toegang aan asielzoekers niet wordt geweigerd. Bovendien volgt uit artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn - en overigens ook uit het in paragraaf A6/1 van de Vc 2000 opgenomen beleid - dat verweerder verplicht is om steeds te onderzoeken of een lichter middel doeltreffend kan worden opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in dit geval niet ten onrechte de toepassing van een lichter middel achterwege heeft gelaten, gelet op het feit dat eiser eerder in 2005 met onbekende bestemming is vertrokken zonder het besluit op zijn asielaanvraag af te wachten. Daaruit kan immers worden afgeleid dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/24774

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1990], van (gestelde) Indiase nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Erik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 29 juli 2011 is eiser op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Bij beroepschrift van 31 juli 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 4 augustus 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was ook aanwezig R.B. Raj, tolk in de Punjabi taal.

Overwegingen

1.1 Eiser heeft aangevoerd dat de Richtlijn 2008//115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) van toepassing. Er bevindt zich ten onrechte geen terugkeerbesluit in het dossier. Het besluit om eisers asielaanvraag buiten behandeling te stellen is geen meeromvattend besluit en kan niet als terugkeerbesluit worden aangemerkt. De toegangsweigering kan evenmin als terugkeerbesluit worden aangemerkt.

1.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet in geschil is dat eiser op grond van

artikel 3 van de Vw 2000 de toegang tot Nederland is geweigerd. Uit deze toegangs-weigering vloeit voort dat aan eiser de maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd kan worden. Er is geen afzonderlijk terugkeerbesluit nodig, nu voorafgaand aan de inbewaringstelling een besluit tot toegangsweigering is uitgereikt aan eiser en daarmee de terugkeerprocedure is aangevangen.

1.3 Op grond van artikel 3 van de Vw 2000 wordt in andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, de toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:

a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;

b. (…);

c. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is;

(…).

Op grond van het derde lid van dat artikel weigeren de ambtenaren belast met de grensbewaking niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang aan de vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst.

1.4 Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats. Op grond van het tweede lid kan een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

1.5 De rechtbank overweegt dat in artikel 2 van de Terugkeerrichtlijn de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn is omschreven. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank en zittingsplaats (onder meer de uitspraak van 3 februari 2011, LJN: BP5432) is de werkingssfeer voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk bepaald. Nu verweerder tot op heden niet van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om in nationale wetgeving de toepassing van de Terugkeerrichtlijn op grensdetentie uit te sluiten, komt eiser de mogelijkheid toe zich op (andere) voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen van de Terugkeerrichtlijn te beroepen. Verweerders verwijzing naar de Mededeling implementatie Terugkeerrichtlijn in de Staatscourant van 10 maart 2011 leidt niet tot een ander oordeel nu uit deze mededeling niet blijkt in welke bepalingen van de nationale wetgeving artikel 2, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd.

1.6 De rechtbank overweegt verder dat, zoals zij in eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen, uit artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat voor het opleggen van de maatregel jegens de vreemdeling een terugkeerprocedure dient te lopen. Uit artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een dergelijke procedure in beginsel aanvangt met een terugkeerbesluit. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de toegang tot Nederland is geweigerd, is voor het starten van een terugkeerprocedure het uitvaardigen van een terugkeerbesluit evenwel niet vereist, nu het besluit tot toegangsweigering naar het oordeel van de rechtbank impliceert dat een terugkeerprocedure is aangevangen. In het besluit tot toegangsweigering ligt immers besloten de aanzegging het grondgebied feitelijk en onmiddellijk te verlaten. Dit betekent dat voor het toepassen van een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000 geen afzonderlijk besluit is vereist indien voorafgaand aan die toepassing een besluit tot toegangsweigering is uitgereikt.

2.1 Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen individuele belangenafweging gemaakt alvorens eiser de toegang te weigeren en de maatregel aan eiser op te leggen. Eiser verwijst naar paragraaf A2/5.5 en paragraaf A6/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval geen aanleiding bestond een lichter middel toe te passen omdat het grensbewakingbelang groter is, met name nu er geen belangen door eiser naar voren zijn gebracht. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van

29 juni 2011 (LJN: BR0158).

2.3 Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.4 Volgens paragraaf A2/5.5 van de Vc 2000 dient, voor zover van belang, ingevolge

artikel 3, derde lid, van de Vw 2000, in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, waarna de vreemdeling ter behandeling van het asielverzoek zal worden geplaatst in AC Schiphol.

2.5 Volgens paragraaf A6/1 van de Vc 2000 dient, voor zover van belang, de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel, vanwege het ingrijpende karakter daarvan, beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke. Vermeld wordt dat steeds zal moeten worden nagegaan of met een lichter middel volstaan kan worden en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voortdurend in acht dienen te worden genomen.

2.6 Volgens paragraaf C12/2.3 van de Vc 2000 wordt, voor zover van belang, wanneer een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode dan wel artikel 3 van de Vw 2000 en aan de buitengrens te kennen geeft asiel te willen aanvragen, op aanwijzing van het Hoofd van de Immigratie en Naturalisatiedienst, de toegang geweigerd en wordt op grond van artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 6, tweede lid, van de Vw 2000 het AC Schiphol aangewezen als plaats of ruimte waar de vreemdeling zich dient op te houden.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk, zodat de rechtbank direct zal treden in de vraag of eisers detentie hiermee in overeenstemming is te achten. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2011 (LJN: BQ3797).

2.8 Uit deze bepaling vloeit voort dat alvorens tot oplegging van de maatregel kan worden overgegaan, onderzocht dient te worden of een minder dwingende maatregel dan detentie doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 28 april 2011 in de zaak El Dridi (LJN: BQ4483) waarin het Hof in rechtsoverweging 39 heeft overwogen dat uit punt 16 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn alsmede uit de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn voortvloeit dat de lidstaten de verwijdering dienen uit te voeren met de minst dwingende maatregelen. Enkel in het geval waarin de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit - door middel van verwijdering - in gevaar dreigt te komen door het gedrag van de betrokkene, hetgeen per geval moet worden beoordeeld, kunnen de lidstaten laatstgenoemde zijn vrijheid ontnemen door hem in bewaring te stellen, aldus het Hof.

2.9 De Afdeling heeft in de hiervoor vermelde uitspraak van 29 juni 2011 overwogen dat een lichter middel in de hiervoor bedoelde zin niet kan worden toegepast, zonder dat daarmee het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter uit de omstandigheid dat verweerder met het toepassen van het lichter middel het grensbewakingsbelang prijsgeeft niet zonder meer worden afgeleid dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. De vraag of een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast moet immers worden beantwoord in het licht van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn. Uit punt 2 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn blijkt dat deze doelstelling is het ontwikkelen van een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden.

2.10 Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het in paragraaf C12/2.3 van de Vc 2000 weergegeven beleid zich verzet tegen de toepassing van een lichter middel, omdat volgens dat beleid indien de toegang tot Nederland is geweigerd in alle gevallen een maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 6 tweede lid, van de Vw 2000 moet worden opgelegd, overweegt de rechtbank dat paragraaf A2/5.5 van de

Vc 2000, dat een uitwerking is van artikel 3, derde lid, van de Vw 2000, de mogelijkheid biedt om, in geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen aanvragen, van toegangsweigering en oplegging van de maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 6, tweede lid, van de Vw 2000 af te zien. De rechtbank wijst in dat verband ook naar de Memorie van Toelichting bij de laatste wijziging van artikel 3 van de Vw 2000 (TK, 2007-2008, 31 208, nr. 5) waarin is overwogen dat ingevolge artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 in de praktijk de toegang aan asielzoekers niet wordt geweigerd. Bovendien volgt uit artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn - en overigens ook uit het hiervoor onder 2.5 weergegeven in de Vc 2000 opgenomen beleid - dat verweerder verplicht is om steeds te onderzoeken of een lichter middel doeltreffend kan worden opgelegd. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in dit geval niet ten onrechte de toepassing van een lichter middel achterwege heeft gelaten, gelet op het feit dat eiser eerder in 2005 met onbekende bestemming is vertrokken zonder het besluit op zijn asielaanvraag af te wachten. Daaruit kan immers worden afgeleid dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

3. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 niet onrechtmatig is. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

4. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van

W. de Jong-Koops, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: WdJ

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.