Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5639

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/10124 en AWB 11/10125
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Turkse zelfstandige, driejarenbeleid, gedragslijn, artikel 41 Aanvullend Protocol (standstillbepaling).

Verweerder hanteerde, blijkens de REK-uitspraak van 1 juni 1995 (AWB 95/1866) en IND-werkinstructie nrs. 3 en 3A, tussen 5 april 1994 en 29 februari 1996 een gedragslijn waarbij een vreemdeling in reguliere zaken in aanmerking kon komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid zonder dat aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking waarvoor hij of zij een aanvraag had ingediend, moest zijn voldaan. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 30, 31 en 33 van Toprak af dat ook op een dergelijke gedragslijn artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (standstillbepaling) van toepassing is. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit ten onrechte de voorwaarde gehanteerd dat eiser aan de belangrijkste voorwaarde moet hebben voldaan (in casu wezenlijk Nederlands belang) om in aanmerking te komen voor het driejarenbeleid. Het voldoen aan de belangrijkste voorwaarde is een beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, zodat verweerder deze voorwaarde in dit geval niet mocht stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/10124 (beroep)

AWB 11/10125 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[eiser 1], eiser en verzoeker (hierna: eiser)

geboren op [1966],

[eiser 2],

geboren op [1973],

[eiser 3],

geboren op [1990],

[eiser 4],

geboren op [1994],

[eiser 5],

geboren op [1996],

allen van Turkse nationaliteit, eisers en verzoekers (hierna: eisers),

gemachtigde: mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 januari 2008 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Bij besluiten van 3 juni 2009 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 22 januari 2008 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [eiser 1]”, respectievelijk “gezinshereniging bij ouder [eiser 1]” afgewezen. Bij besluit van 22 oktober 2009 zijn de tegen deze besluiten gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

Op 10 december 2010 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (AWB 09/42391 en 09/42489), de beroepen van eisers tegen het besluit van 22 oktober 2009 gegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2009 vernietigd.

Bij besluit van 28 februari 2011 heeft verweerder de bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Op 24 maart 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het onderzoek geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank van nadere informatie te voorzien. Eiser en verweerder hebben op 28 juni 2011 hun reactie aan de rechtbank doen toekomen. Eiser heeft op 5 juli 2011 gereageerd op verweerders standpunt. Nadien heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, gesloten.

Feiten

1.1 In voornoemde uitspraak van 10 december 2010 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep van eisers gegrond verklaard naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 september 2010 (LJN: BN9181). Het besluit steunde op een negatief advies van SenterNovem namens de Minister van Economische Zaken, waarin het zogenoemde puntensysteem was gehanteerd, dat door de Afdeling in strijd is geacht met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije van 23 november 1970, in werking getreden op 1 januari 1973 (hierna: standstillbepaling).

1.2 Op 1 december 2010 heeft verweerder eiser verzocht om aanvullende stukken. Na ontvangst van deze stukken heeft verweerder op 23 december 2010 de minister van Economische Zaken Landbouw en Innovatie opnieuw om advies verzocht. Op 29 december 2010 heeft Agentschap NL namens de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een nieuw advies uitgebracht. Het bestreden besluit is gebaseerd op dit nieuwe advies van 29 december 2010.

Overwegingen

Ten aanzien van het verzoek om proceskosten van het bezwaar

2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 december 2010 is af te leiden dat de beslissing in primo van 3 juni 2009 ook onrechtmatig was en hij daarom een vergoeding voor de kosten in bezwaar dient te krijgen. Verweerder stelt dat eiser het verzoek om proceskostenvergoeding in die beroepsprocedure had moeten voorleggen.

2.2 Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten in bezwaar uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In het onderhavige geval heeft verweerder het primaire besluit van 3 juni 2009 niet herroepen. Derhalve maakt eiser geen aanspraak op vergoeding van de kosten in bezwaar.

Ten aanzien van het wezenlijk Nederlands belang

3.1 Op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

3.2 In voornoemde uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 is geoordeeld dat het toepassen van het in het destijds geldende beleid (paragraaf B5/7.3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000) neergelegde puntensysteem in strijd is met de standstillbepaling in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Uit deze bepaling is af te leiden dat nieuwe maatregelen niet tot doel mogen hebben de vestiging van en het verrichten van diensten door Turken te onderwerpen aan restrictievere voorwaarden dan die op 1 januari 1973 golden. Tevens volgt uit genoemde uitspraak van de Afdeling dat Turkse vreemdelingen destijds voor toelating op grond van het verrichten van arbeid als zelfstandige in aanmerking kwamen indien met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang werd gediend. Een wezenlijk Nederlands belang werd destijds aanwezig geacht indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Van een dergelijke bijdrage was slechts sprake, indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

3.3 Blijkens het nieuwe advies gaat Agentschap NL ervan uit dat een wezenlijk Nederlands belang aanwezig wordt geacht indien een zelfstandige onderneming van een Turkse vreemdeling levensvatbaar is en in een behoefte voorziet.

4.1 Eiser heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verweerder hem op 1 december 2010 om stukken heeft verzocht die zijn genoemd in hoofdstuk B5/7.3.2 van de Vc 2000 dat ziet op toetsing aan het puntensysteem. Agentschap NL heeft namens de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, een nieuw advies uitgebracht op basis van deze stukken. Met een omweg vraagt verweerder gegevens te overleggen die nodig zijn om aan het puntensysteem te voldoen. Daarom heeft Agentschap NL aan de hand van het verkeerde criterium geoordeeld over eisers onderneming en is het advies niet als deskundig aan te merken.

4.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Agentschap NL zich op de stukken mocht baseren nu er niet is getoetst aan de hand van het puntensysteem maar er is gekeken of er een wezenlijk Nederlands economisch belang is aan de hand van de huidige economische situatie en er is getoetst aan het criterium zoals dat gold op 1 januari 1973.

4.3 De rechtbank oordeelt dat verweerder weliswaar in zijn brief van 1 december 2010 op grond van het oude beleid, waarin het puntensysteem was neergelegd, stukken heeft opgevraagd, maar dat er niettemin een advies is opgevraagd bij Agentschap NL, waarin is beoordeeld of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang aan de hand van het criterium zoals dat gold op 1 januari 1973. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies niet buiten beschouwing diende te laten wegens strijd met de standstillbepaling in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

5.1 Eiser stelt voorts dat hij met zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient. Hij voert onder meer aan dat door het overleggen van vier intentieverklaringen van potentiële opdrachtgevers hij inzage heeft gegeven in de opdrachten die hij met zijn onderneming zal binnenhalen. Hieruit blijkt dat er een behoefte is voor eisers ondernemingsactiviteiten. Dit leidt tot een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het advies van Agentschap NL.

5.2 Verweerder heeft zich gebaseerd op het nieuwe advies van Agentschap NL, waarin is geoordeeld dat de substantiële behoefte aan de producten en/of diensten van eiser onvoldoende is onderbouwd. De door eiser overgelegde intentieverklaringen van potentiële opdrachtgevers missen specifieke informatie die inzicht geven in de behoefte van de opdrachtgevers. Niet is aangegeven hoeveel opdrachten er zijn en hoeveel omzet daarmee gemoeid is.

5.3 De rechtbank stelt vast dat de vier intentieverklaringen waarnaar eiser in beroep heeft verwezen al bij het onderzoek van Agentschap NL zijn betrokken. De enkele stelling van eiser dat uit de intentieverklaringen een behoefte blijkt voor eisers bedrijfsactiviteiten, in tegenstelling tot wat in het advies staat, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het advies. Nog steeds is niet duidelijk om hoeveel opdrachten het gaat en welke omzetbedragen daarmee zijn gemoeid. Het standpunt van eiser weerlegt deze motivering van het advies dan ook niet. Verweerder heeft zich daarom op het advies kunnen baseren en op grond van het advies terecht geconcludeerd dat er geen wezenlijk Nederland belang is gediend met eisers beoogde ondernemingsactiviteiten. Gelet daarop behoeft eisers standpunt met betrekking tot de levensvatbaarheid van de onderneming geen bespreking, nu volgens het nieuwe advies van Agentschap NL aan beide voorwaarden moet zijn voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het beroep op het driejarenbeleid

6.1 Eisers stellen zich in beroep op het standpunt dat het terugdraaien van versoepeld beleid in strijd is met de standstill bepaling. Eiser verwijst daarbij onder andere naar het arrest Toprak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) (19 december 2010, LJN: BP4942). Ook in het geval van het zogenaamde driejarenbeleid is sprake van een versoepeling zodat dit beleid van toepassing is in de onderhavige zaak, nu eisers aanvragen dateren van 22 januari 2008 en eisers nog steeds in afwachting van hun beroep zijn.

6.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat, los van de vraag of eiser wel valt onder de reikwijdte van het driejarenbeleid, hij niet voldoet aan de belangrijkste voorwaarde van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’, nu geen sprake is van een wezenlijk Nederlands belang. Het criterium dat vreemdelingen aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning moeten voldoen heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het driejarenbeleid voor reguliere vergunningen. De mogelijkheid om het driejarenbeleid toe te passen in reguliere zaken is voor het eerst vastgelegd in de IND-werkinstructie nr. 52 van 29 februari 1996. Voorts verwijst verweerder in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 28 mei 2010 (AWB 09/36303). In het geval van eiser levert de afschaffing van het driejarenbeleid daarom geen beperking op in de zin van de standstillbepaling.

6.3 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het driejarenbeleid voor reguliere vergunningen na 1 januari 1973 in werking is getreden. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het driejarenbeleid een versoepeling van het beleid, nu een vreemdeling onder het driejarenbeleid aan minder voorwaarden hoefde te voldoen om in aanmerking te komen voor de gevraagde verblijfsvergunning. Aan het middelenvereiste en het mvv-vereiste werd bij toepassing van het driejarenbeleid in reguliere zaken immers voorbijgegaan.

Uit het door eiser genoemde arrest Toprak, dat ziet op artikel 13 van Besluit 1/80, volgt dat een aanscherping van een na 1 december 1980 ingevoerde bepaling, die een versoepeling vormde van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling, een nieuwe beperking vormt in de zin van dat artikel, ook wanneer door deze aanscherping de voorwaarden voor verkrijging van de vergunning ten opzichte van de voorwaarden uit hoofde van de bepaling die van kracht was op 1 december 1980 niet strenger worden. Zoals de Afdeling in haar uitspraken van 24 juli 2009 (zaaknummers 200803358/1 en 200804679/1; www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, hebben artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol en artikel 13 van Besluit 1/80 dezelfde betekenis, zodat het oordeel van het Hof in het voornoemd arrest Toprak ook van belang is voor de onderhavige procedure. De afschaffing van het driejarenbeleid op 1 januari 2003 betekent dientengevolge dan ook een beperking van het beleid in de zin van de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. De afschaffing van het driejarenbeleid ontneemt Turkse vreemdelingen die zich op dit beleid hadden kunnen beroepen als het niet was afgeschaft immers een mogelijkheid om zich legaal in Nederland te vestigen en arbeid als zelfstandige te gaan verrichten.

De conclusie is daarom dat het driejarenbeleid op eiser van toepassing blijft.

6.4 Eiser stelt zich op het standpunt dat de invulling van dit beleid in de loop der tijd strenger is geworden. In het begin werd niet getoetst aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking, zoals blijkt uit de uitspraak van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 1 juni 1995 (AWB 95/1866). Subsidiair stelt eiser dat als het criterium dat aan de belangrijkste voorwaarde moet zijn voldaan wel altijd heeft gegolden, verweerder deze in de praktijk niet toepaste. Eiser verwijst in zijn reactie van 28 juni 2011 in dit kader naar meerdere zaken waarin vreemdelingen een vergunning op grond van het driejarenbeleid werd verleend, zonder dat zij aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking voldeden. Eiser heeft dit standpunt met stukken onderbouwd. De strengere invulling van het driejarenbeleid is in strijd met de standstill bepaling. Ten slotte heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij aan de belangrijkste voorwaarde voldoet. De belangrijkste voorwaarde houdt immers in dat hij als zelfstandige werkzaam is en dat is hij nog steeds.

6.5 Volgens hoofdstuk B1/4.10 van de Vc 2000, het huidige beleid dat handelt over tijdsverloop in reguliere zaken, onder het kopje: ‘procedurele bepalingen’, regelt het driejarenbeleid voor verblijfsvergunningen regulier slechts de afwijking van het mvv-vereiste en het middelenvereiste. De aanvraag komt dus niet voor inwilliging op grond van het driejarenbeleid in aanmerking indien niet aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning wordt voldaan. In geschil is of dit criterium dat aan de belangrijkste voorwaarde moet zijn voldaan, altijd al deel uitmaakte van het driejarenbeleid in reguliere zaken.

6.6 Verweerder stelt zich blijkens zijn schriftelijke reactie van 28 juni 2011 op het standpunt dat de mogelijkheid om het driejarenbeleid toe te passen in reguliere zaken voor het eerst is vastgelegd in IND-werkinstructie nr. 52 van 29 februari 1996. Daarin is voor het eerst het criterium van de belangrijkste voorwaarde opgenomen. Vanaf deze datum is dus eerst in de beslispraktijk het driejarenbeleid toegepast, aldus verweerder.

6.7.1 De rechtbank overweegt dat in de eerdergenoemde uitspraak van de REK van 1 juni 1995 is overwogen dat verweerder een driejarenbeleid hanteerde dat na 5 april 1994 ook op reguliere aanvragen werd toegepast. De REK heeft destijds op basis van een brief van 11 september 1992 van de staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de ACV en een brief van 5 april 1994 van de staatssecretaris van Justitie aan de voorzitter van de Afdeling, alsmede op basis van door verweerder aan de rechtbank verstrekte informatie, de voorwaarden van het driejarenbeleid in haar uitspraak opgenomen. In deze uitspraak is niet vermeld dat het criterium “voldoen aan de belangrijkste voorwaarde” bij reguliere aanvragen een voorwaarde was.

6.7.2 Naar aanleiding van genoemde REK-uitspraak heeft verweerder, in afwachting van een bespreking van de REK-uitspraak in de Tweede Kamer IND-werkinstructie nr. 3 van 3 augustus 1995 en IND-werkinstructie nr. 3A van 9 augustus 1995 met als onderwerp “vtv-tijdsverloop” opgesteld. Hierin is evenmin vermeld dat het criterium “voldoen aan de belangrijkste voorwaarde” werd gehanteerd.

6.7.3 In IND-werkinstructie nr. 52 van 29 februari 1996 met als onderwerp: “driejarenbeleid” is onder het kopje “Reguliere zaken” vermeld dat vreemdelingen in reguliere zaken in aanmerking komen voor het driejarenbeleid, indien - voor zover van belang - de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vergunning tot verblijf (bijvoorbeeld bij huwelijk: de samenwoning).

6.7.4 In “Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 1996/15” van 3 december 1996 met als onderwerp: “voorwaarden driejarenbeleid” is onder het kopje “Bijzonderheden reguliere zaken” vermeld dat vreemdelingen in reguliere zaken in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid, indien - voor zover van belang - de vreemdeling voldoet aan de belangrijkste voorwaarde.

6.8 Gelet op voornoemde REK-uitspraak en werkinstructie nrs. 3 en 3A volgt de rechtbank niet verweerders standpunt dat eerst vanaf 29 februari 1996 in de beslispraktijk het driejarenbeleid in reguliere zaken werd toegepast. Voorts blijkt uit de REK-uitspraak en werkinstructie nrs. 3 en 3A niet dat in de beslispraktijk bij reguliere zaken het criterium werd gehanteerd dat aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking moest zijn voldaan, alvorens een vreemdeling in aanmerking kwam voor het driejarenbeleid. In werkinstructie 52 van 29 februari 1996 is voor het eerst gerefereerd aan genoemd criterium.

6.9.1 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verweerder tussen 5 april 1994 en 29 februari 1996 geen geschreven regels had opgesteld waarin het driejarenbeleid was opgenomen, maar dat verweerder tussen 5 april 1994 en 29 februari 1996 wel een gedragslijn hanteerde waarbij een vreemdeling in reguliere zaken in aanmerking kon komen voor het driejarenbeleid zonder dat aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking waarvoor hij of zij een aanvraag had ingediend, moest zijn voldaan.

6.9.2 In voornoemd arrest Toprak oordeelde het Hof in rechtsoverweging 30 en 31: “Vooraf moet worden opgemerkt dat artikel 13 van Besluit nr. 1/80 niet alleen van toepassing kan zijn op een wettekst of een besluit maar ook op die van een circulaire waarin wordt uiteengezet hoe de betrokken regering de wet zal toepassen. Dit artikel 13 richt zich immers op de door de lidstaten ingevoerde beperkingen, zonder de aard van de handelingen waarbij dergelijke beperkingen worden ingevoerd te preciseren.” Voorts oordeelde het Hof in rechtsoverweging 33: “Vaststaat dat de circulaire van 1982 en de Vreemdelingencirculaire 2000, evenals de circulaire die aan de orde was in het zojuist genoemde arrest Commissie/Nederland, gevolgen hebben voor de betrokken vreemdelingen, onder wie personen met de Turkse nationaliteit.”

De rechtbank leidt uit deze rechtsoverwegingen af dat ook met betrekking tot een gedragslijn als in de onderhavige zaak de standstillbepaling in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol van toepassing is.

6.9.3 Nu verweerder tussen 5 april 1994 en 29 februari 1996 een gedragslijn hanteerde waarbij een vreemdeling in reguliere zaken in aanmerking kon komen voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid zonder dat aan de belangrijkste voorwaarde van de beperking waarvoor hij of zij een aanvraag had ingediend, moest zijn voldaan, en op een dergelijke gedragslijn artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol van toepassing is, heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de voorwaarde gehanteerd dat eiser aan de belangrijkste voorwaarde moet hebben voldaan (in casu wezenlijk Nederlands belang) om in aanmerking te komen voor het driejarenbeleid. Het voldoen aan de belangrijkste voorwaarde is een beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, zodat verweerder deze voorwaarde in dit geval niet mocht stellen.

6.10.1 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de criteria van het driejarenbeleid. De beroepsgrond slaagt.

6.10.2 Verweerder heeft ten aanzien van de overige eisers geen zelfstandig standpunt ingenomen met betrekking tot het driejarenbeleid. Reeds daarom heeft verweerder het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Bovendien zijn de aanvragen van de overige eisers afhankelijk van die van eiser. Nu eisers beroep gegrond wordt verklaard, dient hun beroep daarom ook gegrond te worden verklaard.

7. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Gelet daarop komt de rechtbank aan een beoordeling van de overige gronden van beroep niet toe. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

11.Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/10124,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/10125,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 304,-- (zegge: driehonderdvier euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-- (zegge: dertienhonderdelf euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.

De griffier is verhinderd de rechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.: RK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.