Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5494

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/24566 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na de invoering van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voldoen de MTV-controles die op de snelwegen in de grensstreek worden uitgevoerd aan de Schengengrenscode en de uitleg die het Hof van Justitie EU daaraan heeft gegeven in de zaak Melki en Abdeli (gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, LJN: BN0083). In artikel 4:17a, vijfde lid, zijn de intensiteit en de frequentie van de identiteitscontroles die op grond van artikel 50 van de Vw 2000 kunnen worden uitgevoerd zodanig gepreciseerd en beperkt, dat de feitelijke uitoefening van de controlebevoegdheid van artikel 50 van de Vw 2000 niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/24566 VRONTN

Uitspraak in het geding tussen de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiser]

geboren op [1985],

van gestelde Libische nationaliteit,

verblijvende aan boord van DTB Zaandam,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J.C. Janssen, advocaat te Eindhoven,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel

verweerder,

gemachtigde: A. van de Burgt, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2011 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld.

Eiser heeft daartegen bij brief van 1 augustus 2011 beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 augustus 2011. Eiser is door middel van telehoren door de rechtbank gehoord op zijn detentielocatie, waar ook een tolk aanwezig was. De gemachtigde van eiser en van verweerder waren ter zitting in Zutphen aanwezig.

Omdat het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet volledig is geweest, heeft zij het onderzoek heropend. Het beroep is vervolgens, na verwijzing naar een meervoudige kamer, behandeld op de nadere zitting van 17 augustus 2011. Eiser is door middel van telehoren door de rechtbank gehoord op zijn detentielocatie, waar ook een tolk aanwezig was. De gemachtigde van eiser en verweerder waren ter zitting in Zutphen aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat voor wat betreft eisers staandehouding uit van de volgende feiten en omstandigheden. In het op 27 juli 2011 door de verbalisanten [verbalisant A en verbalisant B] op ambtsbelofte, respectievelijk op ambtseed, opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van staandehouding staat, voor zover thans van belang, het navolgende:

“Op 26-07-2011, te Hazeldonk-Rijksweg A16, om 21:15, waren wij, op de openbare auto-/autosnel-/weg: de Rijksweg A16/E19 in de gemeente: Breda.

Op bovengenoemd(e) weg worden regelmatig controles uitgevoerd omdat: er op deze weg regelmatig illegale migratie plaatsvindt.

De controle werd uitgevoerd conform artikel 4.17a Vreemdelingen Besluit, waarmee tevens is gewaarborgd dat deze controle niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole.

Op 26-07-2011, te 21:16, hebben wij een controle gehouden waarbij op basis van informatie en ervaringsgegevens gecontroleerd werd.

Tijdens deze controle hebben wij een persoon als passagier van een voertuig voorzien van het kenteken: [kenteken] uit het land: Nederland, staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.”

2.2 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient de rechtbank te beoordelen of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland.

Ingevolge het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.

In artikel 20 van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: de Schengengrenscode) is bepaald dat de binnengrenzen op iedere plaats kunnen worden overschreden zonder dat personen, ongeacht hun nationaliteit, worden gecontroleerd.

In artikel 21, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode is bepaald dat de afschaffing van de grenscontrole aan de binnengrenzen geen afbreuk doet aan de uitoefening van de politiebevoegdheid door de bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving, voor zover de uitoefening van die bevoegdheid niet hetzelfde effect heeft als grenscontroles; dit geldt ook in de grensgebieden. Voor de toepassing van de eerste zin kan met name niet worden gesteld dat de uitoefening van de politiebevoegdheid hetzelfde effect heeft als de uitoefening van grenscontroles wanneer de politiële maatregelen:

i) niet grenstoezicht tot doel hebben;

ii) gebaseerd zijn op algemene politie-informatie en -ervaring met betrekking tot mogelijke bedreigingen van de openbare veiligheid en met name bedoeld zijn ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

iii) worden gepland en uitgevoerd op een manier die duidelijk verschilt van de systematische controles van personen aan de buitengrenzen;

iv) op basis van controles ter plaatse worden uitgevoerd.

2.3 Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 22 juni 2010 in de gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki en Abdeli, (LJN: BN0083, hierna: het arrest) een uitleg gegeven van de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode. In rechtsoverwegingen 73 en 74 heeft het Hof het navolgende overwogen:

“73. Voorts bevat artikel 78-2, vierde alinea, van de code de procédure pénale, dat controles toestaat ongeacht het gedrag van de betrokken persoon en los van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, in het bijzonder met betrekking tot de intensiteit en de frequentie van de controles die op die rechtsgrondslag mogen worden uitgevoerd, noch preciseringen noch beperkingen van de aldus verleende bevoegdheid teneinde te voorkomen dat de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid door de bevoegde autoriteiten leidt tot controles met hetzelfde effect als grenscontroles in de zin van artikel 21, sub a, van verordening nr. 562/2006.

74. Een nationale wettelijke regeling waarbij aan de politieautoriteiten de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles wordt verleend, die enerzijds beperkt is tot het grensgebied van de lidstaat met andere lidstaten en anderzijds losstaat van het gedrag van de gecontroleerde persoon en van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, kan slechts voldoen aan de in het licht van het rechtszekerheidsvereiste uitgelegde artikelen 20 en 21, sub a, van verordening nr. 562/2006, indien zij in het noodzakelijke kader voor de aan die autoriteiten verleende bevoegdheid voorziet, teneinde met name de beoordelingsvrijheid te sturen waarover die autoriteiten bij de feitelijke uitoefening van die bevoegdheid beschikken. Dat kader moet waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles, zoals met name blijkt uit de in artikel 21, sub a, tweede zin, van verordening nr. 562/2006 vermelde omstandigheden.”

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank moet uit deze rechtsoverwegingen worden afgeleid dat een nationale regeling waarbij aan de politieautoriteiten de bevoegdheid wordt gegeven tot het verrichten van identiteitscontroles, waarbij deze bevoegdheid enerzijds is beperkt tot het grensgebied van een lidstaat met dat van andere lidstaten en anderzijds losstaat van het gedrag van de gecontroleerde persoon en losstaat van specifieke omstandigheden waarvan een risico op aantasting van de openbare orde uitgaat, alleen dan niet in strijd is met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode, wanneer deze nationale regeling voorziet in een kader dat waarborgt dat de feitelijke uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.

2.5 Tegen de achtergrond van dit arrest heeft de wetgever per 1 juni 2011 artikel 4.17a van het Vb 2000 ingevoerd, waarmee de wetgever heeft beoogd te waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de door artikel 50 van het Vw 2000 in het leven geroepen bevoegdheid tot het verrichten van identiteitscontroles niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles.

2.6 In deze procedure moet beoordeeld worden of de staandehouding van eiser met toepassing van voormeld artikel 4:17a in strijd is met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode, zoals uitgelegd in het arrest.

2.7 Voorop wordt gesteld dat het arrest niet vermeldt aan welke voorwaarden de desbetreffende nationale regelgeving concreet moet voldoen om te waarborgen dat de feitelijke uitoefening van de controlebevoegdheid niet hetzelfde effect kan hebben als grenscontroles. Wel valt uit rechtsoverweging 73 van het arrest af te leiden dat het mogelijk is om dit te waarborgen door in de betreffende nationale regelgeving de intensiteit en de frequentie van de controles te preciseren en te beperken.

2.8 In artikel 4:17a, vijfde lid, zijn de intensiteit en de frequentie van de identiteitscontroles die op grond van artikel 50 van de Vw 2000 kunnen worden uitgevoerd zodanig gepreciseerd en beperkt, dat de feitelijke uitoefening van de controlebevoegdheid van artikel 50 van de Vw 2000 niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. Een controle zoals die in het geval van eiser is uitgevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet in strijd met de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de staandehouding van eiser onrechtmatig was. Omdat eiser de gronden van de maatregel niet heeft bestreden en ook overigens niet heeft aangevoerd dat de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring bij afweging van alle betrokken belangen niet (langer) is gerechtvaardigd, kan de maatregel toetsing in rechte doorstaan.

2.9 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. Tj. Gerbranda en mr. R.G.J. Welbergen, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2011.