Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5474

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
22-08-2011
Zaaknummer
AWB 11-12153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag. Sprake van nova. 3 EVRM. Vestigingsalternatief Noord-Somalië. Niet in geschil is dat eiser geboren is in Mogadishu, dat hij vanaf 1984 tot 2006 heeft gewoond in de provincie Togdheer en vanaf 2006 tot 10 april 2009, dus tot aan zijn vertrek, gewoond heeft in de provincie Galguduud. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er voor eiser een vestigingsalternatief is in Togdheer. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief door eiser veilig kan worden bereikt. Daarbij dient verweerder concreet aan te geven op welke wijze, dus via welke route, het vestigingsalternatief Togdheer veilig bereikt kan worden. Daar verweerder dit heeft nagelaten en eiser – verwijzend naar jurisprudentie – gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat het vestigingsalternatief niet veilig bereikt kan worden, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en wordt het niet gedragen door een deugdelijke en kenbare motivering. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 12153

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 augustus 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. P.E. Vos, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 7 oktober 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 11 maart 2011 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 juli 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft eerder, te weten op 6 augustus 2009, een asielaanvraag ingediend en daartoe het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de stam [naam] en de substam [naam]. Zijn stam woont in [plaatsnaam] in de provincie [naam], ook wel provincie [naam] genoemd. De broer van eiser heeft op 10 januari 2006 vier mannen van de familie [naam] vermoord. De familie van eiser had al langere tijd ruzie met de familie [naam] over het gebruik van waterputten. Eiser heeft van een nicht over de moorden gehoord. Uit angst voor bloedwraak is eiser direct naar zijn oom, die buiten het dorp woont, gevlucht. In de periode van 10 januari 2006 tot 10 april 2009 heeft eiser in verschillende plaatsen verbleven bij verschillende familieleden van oom [naam] om maar uit handen te blijven van de familie [naam]. Van zijn oom heeft eiser vernomen dat zijn broer in maart 2006 is geëxecuteerd door de autoriteiten van Somaliland. Voorts heeft hij van zijn oom en zijn moeder gehoord dat hij werd gezocht door leden van de familie [naam]. Uiteindelijk hebben de ooms van eiser in april 2009 geld voor eiser ingezameld zodat hij het land kon verlaten.

2.2 Verweerder heeft de eerste asielaanvraag van eiser bij besluit van 13 augustus 2009 afgewezen op de volgende gronden. Verweerder heeft het relaas van eiser ongeloofwaardig geacht, althans zijn vrees voor bloedwraak. Daarbij heeft verweerder de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) betrokken. Op grond van het asielrelaas komt eiser derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw. Er is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon, die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Bij uitspraak van 4 september 2009 zijn het tegen voornoemd besluit ingestelde beroep en het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, respectievelijk ongegrond verklaard en afgewezen (AWB 09/29252 en AWB 09/29253). Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

2.3 Eiser heeft op 9 oktober 2009 een tweede asielaanvraag ingediend. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn eerste asielaanvraag ten onrechte is afgewezen.

2.4 Verweerder heeft deze asielaanvraag bij besluit van 14 oktober 2009 afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld, zodat dat besluit in rechte is komen vast te staan.

2.5 Thans ligt ter beoordeling voor, de derde asielaanvraag die eiser op

7 oktober 2010 heeft ingediend. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat zijn moeder en zus na zijn vertrek uit Somalië drie keer zijn aangevallen door de familie [naam], te weten in mei, juni en augustus 2010, waarbij werd aangegeven door de aanvallers dat zij op zoek zijn naar eiser. Bij terugkeer vreest eiser daarom een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.6 Verweerder heeft de derde asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft aan eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw tegengeworpen. Voorts heeft verweerder overwogen dat van vluchtelingschap geen sprake is. Er is evenmin sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij is van belang dat niet nader onderbouwd is waarom eiser niet kan terugkeren naar het vestigingsalternatief Somaliland ([naam]). Voorts is volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat er bij terugkeer sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De vrees dat de familie [naam] vanwege bloedwraak nog steeds op zoek is naar hem, is niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Uit het ne-bis-in-idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.8 De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nova ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit, of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nova rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.9 De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit materieel vergelijkbaar is met het afwijzende besluit van 13 augustus 2009. Beoordeeld dient dan ook te worden of de aangevoerde feiten en omstandigheden, die eiser aan zijn onderhavige aanvraag ten grondslag heeft gelegd, zoals hiervoor in 2.5 weergegeven, zijn aan te merken als nova. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, nu van deze feiten en omstandigheden niet kan worden gezegd dat op voorhand is uitgesloten dat zij kunnen afdoen aan het eerdere besluit.

Ten aanzien van de stelling van verweerder dat het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 17 maart 2006 reeds in de eerdere procedure door eiser is ingebracht en aangehaald, overweegt de rechtbank als volgt. Het is juist dat het voornoemde rapport in een eerdere asielprocedure door eiser is ingebracht. Dat rapport is toen echter ingebracht ter weerlegging van het standpunt van verweerder, dat niet valt in te zien dat er in het geval van de zus en moeder van eiser wel sprake is geweest van een succesvolle bemiddeling en in het geval van eiser niet. Thans wordt aan eiser tegengeworpen dat het niet aannemelijk is dat de moeder en zus van eiser niet zijn vermoord, vanwege de bloedwraak, terwijl eiser hiervoor wel te vrezen zou hebben. Anders dan is betoogd door verweerder, dient het voornoemde rapport van de UNHCR thans dan ook bij de beoordeling te worden betrokken, aangezien eiser hierop een beroep doet ter onderbouwing van de in de onderhavige procedure aangevoerde nova.

2.10 De rechtbank zal, nu sprake is van nova, ingaan op de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

2.11 In beroep voert eiser in de eerste plaats aan dat het standpunt van verweerder aangaande vluchtelingschap onduidelijk is. Er zijn volgens eiser wel degelijk nieuwe argumenten aangevoerd. Volgens eiser wordt door verweerder niet betwist dat het Vluchtelingenverdrag van Genève (hierna: het Vluchtelingenverdrag) in gevallen van bloedwraak van toepassing is.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de gestelde problemen van eiser van de zijde van de [naam] familie niet herleidbaar zijn tot één van de gronden genoemd onder artikel 1, onder A, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag, daar deze problemen aangemerkt dienen te worden als problemen in de privésfeer. Door eiser is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. Zo heeft eiser niet aangevoerd onder welke Verdragsgrond de gestelde problemen geschaard kunnen worden. Verweerder heeft derhalve op goede gronden besloten dat ten aanzien van de gestelde problemen en de daartoe nieuw aangevoerde feiten en omstandigheden, geen sprake kan zijn van vluchtelingschap. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat niet meer wordt toegekomen aan het vraagstuk van de bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag.

2.13 Ten aanzien van artikel 3 van het EVRM, en dan in het bijzonder ten aanzien van de gestelde vrees voor bloedwraak, verwijst eiser naar hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Daarbij voert eiser nog aan dat hij in het gehoor van opvolgende aanvraag van 6 december 2010 een zo nauwkeurig mogelijke tijdsaanduiding van de aanvallen heeft gegeven en verweerder daar niet op heeft doorgevraagd. Verder voert hij aan dat hij in de zienswijze afdoende heeft uitgelegd waarom hij ervan mag uitgaan dat de aanvallen door de familie [naam] zijn uitgevoerd. Hij heeft ook een voor de hand liggende uitleg gegeven over hoe het kan dat de familie [naam] van de nieuwe verblijfplaats van zijn moeder en zus op de hoogte is geraakt. Verder is volgens eiser wel onderbouwd, reeds in de eerste procedure, dat vrouwen geen slachtoffer kunnen worden van bloedwraak. Daartoe verwijst hij naar het hiervoor genoemde rapport van de UNHCR van 17 maart 2006.

2.14 De rechtbank is van oordeel dat eiser, met voornoemd UNHCR rapport genoegzaam heeft onderbouwd dat bloedwraak niet ook vrouwelijke familieleden hoeft te treffen. In het rapport van de UNHCR staat hieromtrent het volgende vermeld:

”Traditionally, it is only adult males who become targets of a blood feud, which can last for decades and can require the extinction of all male family members. More recently, there have been reports of women and children becoming targets in blood feuds. They may also be killed or injured in attacks on male family members, while children can be kept at home for extended periods and prevented from attending school because the family fears they may be killed, attacked or kidnapped. Thus, while adult males are the primary target in a blood feud, other family members may also be at risk of death or lesser violations of their human rights”.

Uit het voorgaande blijkt dat mannelijke leden nog steeds het primaire doelwit zijn, maar dat ook vrouwelijke familieleden en kinderen het slachtoffer kunnen worden van bloedwraak. Uit het rapport blijkt echter niet dat het gebruikelijk is dat vrouwen het slachtoffer worden van bloedwraak. Evenmin blijkt uit het rapport dat vrouwen, indien zij het slachtoffer worden van bloedwraak, in alle gevallen worden gedood. Ook van mishandeling kan sprake zijn. De verklaringen van eiser passen naar het oordeel van de rechtbank bij hetgeen in het rapport staat vermeld. Eiser stelt namelijk dat zijn moeder en zus zijn aangevallen vanwege de familievete en daarbij zijn mishandeld. De ter zitting door verweerder geponeerde stelling dat bekend is dat ook vrouwen het slachtoffer kunnen worden van bloedwraak en de verwijzing daartoe naar het rapport van de UNHCR van 5 mei 2010, geeft, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.15 De rechtbank is echter ten aanzien van eisers verklaringen omtrent de aanvallen op eisers moeder en zus van oordeel, dat verweerder deze op goede gronden niet aannemelijk heeft geacht. Zo heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij weinig concreet heeft verklaard over de data van de aanvallen, de namen van de aanvallers, het aantal aanvallers en de naam van het ziekenhuis waar zijn zus en moeder zijn behandeld. Het valt aan eiser toe te rekenen dat hij hier niet naar heeft geïnformeerd, terwijl hij naar zijn zeggen drie keer telefonisch heeft gesproken met zijn moeder. In dit kader is nog van belang dat - in weerwil van hetgeen eiser stelt - in het gehoor wel is doorgevraagd op de data van de aanvallen. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiser, met deze verklaringen, zijn gestelde vrees ten aanzien van hetgeen hem bij terugkeer naar Somalië te wachten staat, niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.16 Voorts voert eiser in beroep ten aanzien van artikel 3 van het EVRM, en dan in het bijzonder ten aanzien van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, aan dat hij voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk voor vervolging te vrezen heeft en zodoende niet terug kan keren naar de provincie [naam]. In dit kader voert hij tevens aan dat het feit dat er sprake is van een vestigingsalternatief in [naam] onverlet laat dat niet vaststaat dat dat gebied vanaf het vliegveld veilig bereikt kan worden. Volgens eiser kan hij evenmin terugkeren naar de provincie [naam] vanwege de algehele onveilige situatie aldaar. De terugkeer naar [naam] zal bovendien via het in het onveilige gebied gelegen vliegveld van Mogadishu moeten gaan, zodat niet op voorhand aannemelijk is dat een veilige terugreis naar dat gebied mogelijk is. Ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, verwijst eiser naar jurisprudentie van rechtbanken, van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 in de zaak ‘Sufi and Elmi v. The United Kingdom’ (nummers 8319/07 en 11449/07).

2.17 Verweerder heeft zijn standpunt op dit punt ter zitting desgevraagd toegelicht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser niet verwacht kan worden om terug te keren naar [naam] vanwege de algehele onveilige situatie aldaar. Er is echter een vestigingsalternatief in Noord-Somalië, namelijk in [naam]. Verweerder stelt zich – verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2011 (LJN: BQ7947) – op het standpunt dat de wijze waarop de uitzetting naar [naam] geëffectueerd zal worden, geen deel uitmaakt van het besluit.

2.18 Niet in geschil is dat eiser geboren is in Mogadishu, dat hij vanaf 1984 tot 2006 heeft gewoond in de provincie [naam]/[naam] en vanaf 2006 tot 10 april 2009, dus tot aan zijn vertrek, gewoond heeft in [naam], provincie [naam].

2.19 Vooropgesteld wordt dat de stelling van eiser dat hij niet kan terugkeren naar [naam] omdat hij daar persoonlijk heeft te vrezen voor bloedwraak, niet aannemelijk wordt bevonden, zodat die stelling in dit kader buiten beschouwing dient te worden gelaten. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.13 en 2.14 is overwogen.

2.20 Voorts is de rechtbank, anders dan verweerder, van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of aan eiser op goede gronden een vestigingsalternatief is tegengeworpen, niet relevant is of eiser (eventueel) kan worden uitgezet via een door verweerder aangegeven route, maar of eiser zelfstandig, via een door verweerder aangegeven route het vestigingsalternatief kan bereiken. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2011 treft dan ook geen doel. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief door eiser veilig kan worden bereikt. Daarbij dient verweerder concreet aan te geven op welke wijze, dus via welke route, het vestigingsalternatief [naam] veilig bereikt kan worden. Daar verweerder dit heeft nagelaten en eiser – verwijzend naar jurisprudentie – gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat het vestigingsalternatief niet veilig bereikt kan worden, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en wordt het niet gedragen door een deugdelijke en kenbare motivering. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.21 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.22 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Voorts zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag van 7 oktober 2010 te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser;

3.5 draagt verweerder op € 150,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in tegenwoordigheid van

E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 augustus 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC,

’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.