Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5300

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/22494 en 11/22495
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het verzoek om toekenning van schadevergoeding ten gevolge van het ten onrechte aan verzoeker gunnen van een termijn van nul dagen om Nederland te verlaten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat, nu geen sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb, verzoeker bij de uitreiking van het besluit ten onrechte is meegedeeld dat hem een vertrektermijn van nul dagen wordt gegund, als gevolg waarvan verzoeker geen recht op opvang had. Deze mededeling maakt echter geen onderdeel uit van het bestreden besluit dat ter toetsing voorligt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, van de Awb staat het de voorzieningenrechter daarom niet vrij een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding. Indien verzoeker meent dat hij voor toekenning van schadevergoeding in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkend verzoek bij verweerder indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/22494 (hoofdzaak)

AWB 11/22495 (voorlopige voorziening)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2011

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1976,

van Bosnische en Kroatische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr. S.E.B. den Boer,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.H.M. Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene asielprocedure afgewezen.

Verzoeker heeft op 8 juli 2011 tegen dit besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/22494. Tevens heeft verzoeker op die datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verweerder wordt verboden hem uit te zetten totdat op het beroep is beslist, geregistreerd onder zaaknummer AWB 11/22495.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 4 augustus 2011, waar verzoeker en diens gemachtigde, met afmelding, niet zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien bij de rechtbank beroep is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak (het beroep).

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker al eerder hier te lande, te weten op 18 september 1999, een asielaanvraag heeft gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker aangevoerd dat hij afkomstig is uit Sarajevo en dat zijn vader de Bosnische nationaliteit en zijn moeder de Kroatische nationaliteit heeft. Vanwege zijn dubbele nationaliteit en het feit dat hij uit een gemengd huwelijk komt, heeft verzoeker zowel in Kroatië als in Bosnië problemen ondervonden. Verder werd verzoeker op 25 mei 1993 krijgsgevangen genomen door het Kroatische leger en negentig dagen vastgehouden totdat hij werd vrijgelaten door toedoen van familieleden van zijn moeder in het Kroatische leger. Als gevolg van zijn krijgsgevangenschap heeft verzoeker psychische problemen gekregen. Op 4 augustus 1999 heeft verzoeker zijn land van herkomst verlaten. Sinds zijn komst in Nederland heeft verzoeker medicijnen gebruikt voor zijn psychische problemen en is hij onder behandeling bij het RIAGG.

5. Bij besluit van 25 september 2000 is voormelde aanvraag niet ingewilligd. Verzoeker heeft op 30 oktober 2000 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 15 december 2000 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder zaaknummer AWB 01/301. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 mei 2002 ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoeker op 31 mei 2002 beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer AWB 02/41826. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 13 december 2004 is het beroep gegrond verklaard en het besluit van 3 mei 2002 vernietigd, kort gezegd omdat verweerder de psychische problemen van verzoeker niet had betrokken bij de vraag of verzoeker voor toelating op grond van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking kwam. De voorzieningenrechter heeft voorts in die uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker is vervolgens op 16 februari 2005 gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 21 maart 2005 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Daartoe is – kort gezegd – overwogen dat verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, aanhef en onder c, van de Vw 2000, nu hij voor meerdere delicten is veroordeeld en derhalve een gevaar vormt voor de openbare orde. De psychische situatie van verzoeker heeft verweerder voorts in het kader van de belangenafweging betrokken. In dat verband heeft verweerder zich op het standpunt gesteld niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die een directe aanleiding zijn geweest voor verzoeker om in 1999 uit zijn land van herkomst te vertrekken. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve overwogen dat verzoeker evenmin in aanmerking komt voor toelating op grond van het driejarenbeleid.

6. Verzoeker heeft voorts op 15 april 2005 bezwaar gemaakt tegen de weigering om hem verblijf toe te staan op grond van het driejarenbeleid en beroep ingesteld en een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt voor zover bij besluit van 21 maart 2005 het bezwaar ongegrond is verklaard. Het beroep en het verzoek zijn respectievelijk geregistreerd onder de zaaknummers AWB 05/16890 en AWB 05/16892. Vervolgens blijkt uit een verklaring van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) van 26 april 2005 dat verzoeker die dag in het kader van het terugkeerprogramma naar Sarajevo in Bosnië-Herzegovina is vertrokken en daarbij op de luchthaven Schiphol de verklaring heeft ondertekend dat hij zijn nog lopende procedures intrekt. Hierop heeft de toenmalige gemachtigde van verzoeker bij afzonderlijk schrijven van 13 mei 2005 zowel het bezwaar als het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken.

7. Op 28 juni 2011 heeft verzoeker wederom een asielaanvraag gedaan. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Verzoeker is in april 2005 naar Bosnië-Herzegovina teruggekeerd. Daar werd hij telefonisch bedreigd door onbekende personen. Verzoeker vermoedt dat die bedreiging afkomstig was van de staatsveiligheidsdienst omdat hij politiek asiel had aangevraagd in het buitenland. Verzoeker heeft via een familielid, die bij de politie werkt, vernomen dat hij werd afgeluisterd en dat de autoriteiten zo te weten zijn gekomen dat hij in Nederland was en daar asiel had aangevraagd. Na de telefonische bedreiging is verzoeker naar Kroatië gegaan. Daar werd hij ook bedreigd. Verzoeker is in een café door drie mannen in elkaar geslagen en met een mes in zijn knie gestoken. Hierdoor heeft verzoeker een maand in het ziekenhuis van Split gelegen. In december 2006 werd verzoeker uit het ziekenhuis ontslagen en is hij teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina, waar hij bij zijn moeder is gaan wonen. Daar werd verzoeker wederom telefonisch bedreigd. Begin 2007 is verzoeker naar een weekendhuisje, dan wel vakantiehuisje, gegaan waar hij tot februari 2009 ondergedoken heeft gezeten. Vanwege psychische problemen is verzoeker weggegaan uit het weekendhuisje en is hij naar zijn vriendin in Slovenië vertrokken. Na een jaar is verzoeker teruggekeerd naar zijn vakantiehuisje in Bosnië-Herzegovina omdat zijn visum voor Slovenië was verlopen. In die periode zijn mensen van de staatsveiligheidsdienst bij zijn moeder langs geweest om te vragen waar verzoeker was. De moeder van verzoeker kreeg schriftelijke oproepen waarin stond dat verzoeker zich bij de autoriteiten moest melden. Bij zijn moeder hebben vier huiszoekingen plaatsgevonden. Na drie maanden is verzoeker naar het Kroatische eiland Peljesac gegaan waar hij een aantal maanden op een camping heeft verbleven. Op het strand is verzoeker door twee mannen geslagen omdat hij zwart haar heeft en een islamitisch klinkende voor- en achternaam heeft. Hiervan heeft verzoeker bij de politie in Kroatië aangifte gegaan. Vervolgens is verzoeker teruggegaan naar Sarajevo. Na een maand is verzoeker in het ziekenhuis geopereerd aan een maagzweer. Verzoeker heeft drie tot vier maanden in het ziekenhuis gelegen. Daarna heeft hij ongeveer een jaar bij zijn moeder gewoond. In 2010 bezocht verzoeker een voetbalwedstrijd in Servië (Banja Luka) waar hij ruzie kreeg met twee Servische toeschouwers. Een van de twee heeft zeven kogels op verzoeker afgevuurd. Verzoeker werd niet geraakt. Hij heeft van dit incident aangifte gedaan bij de Servische politie. Vervolgens is verzoeker teruggekeerd naar Sarajevo. Hier heeft hij tot aan zijn vertrek naar Nederland op 11 mei 2011 voornamelijk in het vakantiehuisje verbleven. Op 11 mei 2011 is verzoeker met de bus via Kroatië, Slovenië, Oostenrijk en Duitsland naar Nederland gereisd, waar hij op 12 mei 2011 arriveerde. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn relaas zijn Kroatische paspoort, zijn rijbewijs, een (onleesbare) bevinding van een arts-specialist van 9 november 2010, een verwijsbrief naar de specialist bij de openbare instelling gezondheidscentrum in het kanton Sarajavo van 8 november 2010, een ontslagbrief van het psychiatrisch ziekenhuis te Sarajevo van 13 februari 2007, een ontslagbrief van het psychiatrisch ziekenhuis te Sarajevo uit 2007 en een besluit van 28 mei 2009 omtrent het stopzetten van zijn invaliditeitsuitkering overgelegd.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanvraag van 28 juni 2011 ten opzichte van de aanvraag van 18 september 1999 niet is te beschouwen als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. In de eerste plaats is aannemelijk dat verzoeker op 26 april 2005 is teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina. In de tweede plaats is de huidige aanvraag gebaseerd op een na die terugkeer opgekomen, dan wel gesteld, feitencomplex dat een (voldoende) zelfstandig karakter draagt ten opzichte van het relaas dat tot de eerdere afwijzing heeft geleid. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van eenzelfde geschil dat ten tweede male aan de rechter wordt voorgelegd en gaat over tot toetsing van het thans voorliggende bestreden besluit in het licht van de gronden die daartegen door verzoeker zijn aangevoerd. De voorzieningenrechter ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2005, LJN: AT5803.

9. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

10. In verband met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn asielrelaas voor zover dat betrekking heeft op zijn verklaringen dat hij problemen van de zijde van de Bosnische autoriteiten zou hebben ondervonden. Verweerder wijst erop dat verzoeker heeft verklaard dat door de Bosnische autoriteiten twee schriftelijke oproepen voor hem zijn afgegeven bij zijn moeder om zich te melden. De reden die verzoeker geeft voor het ontbreken van die oproepen, te weten dat hij niet zoveel documenten durfde mee te nemen en deze documenten verstopt heeft bij zijn weekendhuisje, heeft verweerder als ontoereikend van de hand gewezen. Verzoeker heeft een eigen verantwoordelijkheid om zijn relaas waar mogelijk te ondersteunen aan de hand van voldoende documenten of bescheiden. Volgens verweerder is niet gebleken dat het voor verzoeker onmogelijk was om de oproepen mee te nemen op zijn reis. Daarnaast wijst verweerder op de verklaring van verzoeker verklaard dat vier huiszoekingen bij zijn moeder hebben plaatsgevonden en de Bosnische autoriteiten daarbij huiszoekingsbevelen hadden. Volgens verweerder is niet gebleken dat verzoeker niet de gelegenheid zou hebben gehad enige bescheiden met betrekking tot de huiszoekingen mee te nemen op zijn reis. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat het ontbreken van genoemde documenten aan verzoeker is toe te rekenen.

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het aan verweerder om te bepalen welke documenten hij noodzakelijk acht voor de beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank kan dit standpunt van verweerder slechts marginaal toetsen, evenals in het geval verweerder de verklaringen voor het ontbreken van documenten niet geloofwaardig acht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt mocht stellen dat van verzoeker verlangd kon worden dat hij zijn asielrelaas met bedoelde documenten zou hebben ondersteund. Hierbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat uit de verklaringen van verzoeker niet, althans onvoldoende, blijkt dat het onmogelijk was om die stukken mee naar Nederland te nemen. Voorts hoefde verweerder verzoeker niet te volgen in diens stelling dat eerst zijn toerekeningsvatbaarheid onderzocht had dienen te worden voordat het ontbreken van documenten aan hem kon worden tegengeworpen. In de eerste plaats komt uit de verklaringen van verzoeker naar voren, zoals ook verweerder heeft aangegeven, dat hij willens en wetens deze documenten niet heeft meegenomen. Bovendien is het primair aan verzoeker om zijn stelling nader te concretiseren en heeft hij andere documenten wel meegenomen. De stelling van de gemachtigde van verzoeker, dat op grond van de overgelegde stukken minimaal getwijfeld zou kunnen worden aan de toerekeningsvatbaarheid van verzoeker, is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat uit die medische stukken, die dateren van 2007 en 2008, niet naar voren komt dat verzoeker (nog) ontoerekeningsvatbaar is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en dat om die reden van verzoekers relaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

12. Verweerder is van mening dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist met betrekking tot de problemen die hij van de zijde van de autoriteiten in Bosnië-Herzegovina zou hebben ondervonden. Hiertoe heeft verweerder opgemerkt dat de verklaringen omtrent de gestelde jarenlange en voordurende negatieve aandacht voor verzoeker vanwege een asielaanvraag en verblijf in het buitenland, geen grond vinden in hetgeen met betrekking tot de situatie van naar Bosnië-Herzegovina teruggekeerde asielzoekers is beschreven in het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 7 oktober 2003. In het licht hiervan, en naast het feit dat verzoeker toerekenbaar geen enkel document dienaangaande heeft overgelegd en zijn verklaring enkel heeft gebaseerd op hetgeen hem door een bij de politie werkzaam familielid (neef) zou zijn verteld, zijn de verklaringen van verzoeker niet waarschijnlijk. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat de door verzoeker geschetste gang van zaken, waarbij de staatsveiligheidsdienst hem jarenlang zou zoeken en daartoe vier keer de woning van zijn moeder heeft doorzocht maar verzoeker desondanks nimmer hebben kunnen aantreffen, bevreemding wekt. Volgens verweerder is het evenzo bevreemdend dat de staatsveiligheidsdienst nimmer zou kunnen traceren in het weekendhuisje in de buurt van zijn woonplaats. Voorts heeft verweerder verzoeker niet gevolgd in zijn verklaringen dat hij ondergedoken zou zijn, aangezien hij tevens heeft verklaard dat hij een invaliditeitsuitkering zou hebben ontvangen, een ziekenhuisoperatie- en opname in zijn woonplaats Sarajevo heeft ondergaan, zijn vriendin in een theater ontmoette, naar de stad moest omdat anders zijn ziektekostenverzekering werd stopgezet, en regelmatig voor langere periodes bij zijn moeder verbleef. Naar de mening van verweerder doet de stelling in de zienswijze, dat verzoeker zich niet in een weekendhuisje maar in een verlaten schuur ver van de bewoonde wereld heeft schuilgehouden, niet af aan het feit dat uit de overige verklaringen van verzoeker blijkt dat hij gedurende langere tijd op normale wijze aan het openbare leven heeft deelgenomen. Voorts volgt verweerder verzoeker evenmin in diens verklaring dat hij ervan werd beschuldigd dat hij ‘niet een verdediger van het land is’. Naast het feit dat verzoeker in dezen vaag blijft wat hiermee wordt bedoeld en heeft verklaard dat hij ook niet weet waar die opmerking vandaan komt, laat het zich niet rijmen met zijn verklaring dat hij aan zijn militaire verplichtingen in Bosnië-Herzegovina heeft voldaan.

13. Marginaal toetsend is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder met het voorgaande – ook als wordt daargelaten dat verweerder ongeloofwaardig acht dat als verzoeker al wordt gezocht, de staatsveiligheidsdienst verzoeker niet kon vinden – voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om dit deel van het asielrelaas, wat voor verzoeker de directe aanleiding zou zijn geweest om Bosnië-Herzegovina te verlaten, vanwege het ontbreken aan positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig te achten. Dat de problemen voor verzoeker echt zijn, zoals in de zienswijze is gesteld, maakt niet dat

14. verweerder de verklaringen van verzoeker omtrent de dreigtelefoontjes en de huiszoekingen wel aannemelijk zou moeten achten. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het op de weg van verzoeker had gelegen om daaromtrent consistente en plausibele verklaringen af te leggen, welke bovendien stroken met hetgeen over de situatie in Bosnië-Herzegovina uit objectieve bronnen bekend is, en deze verklaringen waar mogelijk met documenten te ondersteunen.

15. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de overige verklaringen van verzoeker onvoldoende zwaarwegend zijn voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap, dan wel het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Immers, niet is gebleken dat verzoeker zich als gevolg van zijn gemengde afkomst of zijn dubbele nationaliteit niet in Bosnië-Herzegovina of Kroatië staande heeft kunnen houden. Niet is gebleken van substantiële discriminatie waardoor het leven van verzoeker in beide landen onhoudbaar is geworden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij sinds 2006 tot 2009 een invaliditeitsuitkering heeft gekregen en toegang had tot medische zorg. Verder komt uit de verklaringen van verzoeker niet naar voren dat hij niet in zijn onderhoud kon voorzien. In dat verband is nog van belang dat uit het door verzoeker overgelegde besluit tot stopzetting van zijn uitkering niet kan worden opgemaakt dat het om een discriminatoire maatregel ten aanzien van verzoeker zou gaan. Uit het besluit blijkt immers dat de uitkering is stopgezet omdat verzoeker niet (langer) voldoet aan de voorwaarde, te weten de hoogte van het percentage van invaliditeit, om hiervoor in aanmerking te komen.

16. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder zich evens op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de door verzoeker beschreven incidenten, waarbij met verzoeker is gevochten en hij is mishandeld vanwege zijn afkomst, ook niet blijkt dat het leven voor verzoeker in Bosnië-Herzegovina of Kroatië onhoudbaar is geworden. Blijkens zijn verklaringen heeft hij in de incidenten geen directe aanleiding gezien om Bosnië-Herzegovina, dan wel Kroatië, te verlaten. Hierbij dient bovendien in ogenschouw te worden genomen dat verzoeker na de incidenten ook weer op enig moment is teruggekeerd naar één van beide landen. Voorts is van belang dat verzoeker tegen deze problemen de bescherming van de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina of Kroatië kan inroepen. Zoals hiervoor al is geoordeeld heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet geloofwaardig is te achten dat verzoeker in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt verder ook niet dat de Kroatische autoriteiten verzoeker geen hulp of bescherming zouden kunnen of willen bieden. Zo heeft verzoeker aangifte kunnen doen van het incident op het strand van Peljesac te Kroatië en is deze in behandeling genomen. Dat de Kroatische autoriteiten de personen die bij dit incident betrokken waren nog niet heeft kunnen vinden, leidt niet tot het oordeel dat de autoriteiten aldaar aan verzoeker geen bescherming of hulp bieden. Bovendien heeft verzoeker zijn vermoeden dat de Kroatische autoriteiten niet hun best doen, niet onderbouwd. Daargelaten dat verzoeker geen rechtstreeks beroep kan doen op artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, zoals ook blijkt uit het verslag van de Commissie van 30 maart 2011 over de toepassing van het Handvest (SEC (2011) 396 definitief), is op grond van het hiervoor overwogene niet plausibel te achten dat verzoeker bij terugkeer naar Bosnië-Herzegovina of Kroatië in zijn menselijke waardigheid wordt aangetast.

17. Gezien het voorgaande heeft verweerder verzoeker terecht niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel op één van de in artikel 29 van de Vw 2000 genoemde gronden waarop hij een beroep heeft gedaan.

18. De voorzieningenrechter is ten slotte van oordeel dat verweerder ambtshalve terecht geen aanleiding heeft gezien om op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen. Verzoeker heeft immers niet nader onderbouwd of aangetoond dat hij niet naar Bosnië-Herzegovina of Kroatië kan terugreizen of aldaar in een medische noodsituatie terecht zou komen. Dit blijkt ook niet uit de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd tijdens het nader gehoor. Bovendien heeft verzoeker onlangs zonder problemen van Bosnië-Herzegovina naar Nederland kunnen reizen. De omstandigheid dat verzoeker in het verleden psychische problemen heeft gehad, betekent niet dat hij die problemen thans nog heeft. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat er voor verweerder geen aanleiding bestond om het Bureau Medische Advisering (BMA) in te schakelen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de openbare IND-werkinstructie 2010/15 van 17 december 2010, in het bijzonder naar pagina 10 daarvan, over de ambtshalve toets aan artikel 64 van de Vw 2000 in de algemene asielprocedure. Daar staat onder meer vermeld dat als uit het medische advies van MediFirst blijkt dat er een medische situatie is waarvoor iemand het advies krijgt om zich tot curatieve hulpdiensten te wenden en uit het nader gehoor blijkt dat er daadwerkelijk door de vreemdeling een afspraak is gemaakt, dan wel de vreemdeling onder behandeling staat, de zaak wordt voorgelegd aan het BMA. Uit het rapport van MediFirst van 30 juni 2011 blijkt niet dat verzoeker is doorverwezen. Voorts blijkt uit het rapport van nader gehoor niet dat voor verzoeker een afspraak is gemaakt, dan wel dat hij onder behandeling staat. De voorzieningenrechter acht deze in de Werkinstructie neergelegde werkwijze in rechte houdbaar.

19. Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

20. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard. Gelet hierop zal voorts het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

22. Met betrekking tot het verzoek om toekenning van schadevergoeding ten gevolge van het ten onrechte aan verzoeker gunnen van een termijn van nul dagen om Nederland te verlaten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat, nu geen sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb, verzoeker bij de uitreiking van het bestreden besluit ten onrechte is meegedeeld dat hem een vertrektermijn van nul dagen wordt gegund, als gevolg waarvan verzoeker geen recht op opvang had. Deze mededeling maakt echter geen onderdeel uit van het bestreden besluit dat ter toetsing voorligt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, van de Awb staat het de voorzieningenrechter daarom niet vrij een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding. Indien verzoeker meent dat hij voor toekenning van schadevergoeding in aanmerking komt, kan hij een daartoe strekkend verzoek bij verweerder indienen.

23. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist, hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: