Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5098

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
10 - 39737
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De tegenwerping van artikel 1(F) is in rechte komen vast te staan, zodat eiser hier thans niet meer tegen op kan komen.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer van eiser naar Irak en dat er geen derde land is waar eiser zich zou kunnen vestigen. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende om aan te nemen dat het verder onthouden van een verblijfsvergunning, dan wel de ongewenstverklaring disproportioneel is te achten. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, heeft verweerder in redelijkheid niet tot de conclusie hoeven leiden dat de ongewenstverklaring disproportioneel is.

Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in ieder geval tussen eiser en zijn jongste zoon sprake is van familie- en gezinsleven, dat onder het beschermingsbereik van artikel 8 EVRM valt of dat de ongewenstverklaring eiser de mogelijkheid ontneemt zijn familie in Nederland te bezoeken en er in dat opzicht sprake is van inmenging op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang van de Nederlandse staat dan aan het belang van eiser en zijn jongste zoon.

Aan handelingen zoals die aan eiser zijn verweten en die vallen onder het bereik van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag kan, gelet op de aard en ernst daarvan, in beginsel een groot gewicht worden toegekend, dat niet vermindert door enkel tijdsverloop. Verweerder dient echter in gevallen als het onderhavige, waarin eiser al sinds 1998 daadwerkelijk feitelijk in Nederland verblijft en hij op grond van artikel 3 EVRM niet uit Nederland kan worden uitgezet, wel rekening te houden met het feit dat het belang van de Nederlandse staat om, in het licht van voorgaande omstandigheden, niettemin vast te houden aan de ongewenstverklaring van eiser, enkel van principiële aard is, waardoor aan dit belang minder gewicht kan worden toegekend. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van eiser en zijn jongste zoon. Verder blijkt niet uit het bestreden besluit, noch uit het onderliggende primaire besluit, dat de ‘guiding principles’ als hiervoor genoemd in onderlinge samenhang zijn gewogen en beoordeeld, waardoor verweerder ook daarmee op onvoldoende deugdelijke en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat aan het algemeen belang meer gewicht dient te worden toegekend en dat de weging van de belangen derhalve in het nadeel van eiser uitvalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 39737

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 augustus 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft eiser bij besluit van 18 maart 2009, uitgereikt op 6 mei 2009, ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt.

1.2 Eiser is op 21 december 2009 gehoord door een ambtelijke commissie naar aanleiding van zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 20 januari 2010 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 1 september 2010 (AWB 10/6138) gegrond verklaard.

1.3 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 21 oktober 2010 opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 15 november 2010 beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser heeft op 20 november 1998 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 11 juni 2003 afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 22 december 2004 (AWB 03/21368) is het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Bij besluit van 1 februari 2006 is de aanvraag opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 2 februari 2007 (AWB 06/4211) is het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; nr. 200701589/1) van 11 juli 2007 gegrond verklaard, de onderliggende uitspraak van 2 februari 2007 is vernietigd en het inleidende beroep alsnog gegrond verklaard.

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 november 1998 opnieuw afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 21 oktober 2009 (AWB 09/19218) niet-ontvankelijk verklaard.

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Aan eiser is het gestelde in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) tegengeworpen. Deze tegenwerping staat in rechte vast. Er is geen aanleiding deze conclusie te herzien. Gelet op de toelichting bij artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw en het beleid als neergelegd in paragraaf A5/2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bestaat de bevoegdheid eiser ongewenst te verklaren. Verder is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

Artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzet zich duurzaam tegen terugkeer naar Irak. Het handhaven van de ongewenstverklaring is echter niet disproportioneel.

De ongewenstverklaring levert geen strijd op met eisers recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De ongewenstverklaring wordt evenmin strijdig geacht met het recht van eiser op respect voor zijn privéleven in de zin van artikel 8 EVRM.

Er is geen aanleiding artikel 64 Vw analoog op eiser toe te passen. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding vormen om, met toepassing van artikel 4:84 Awb, af te zien van de ongewenstverklaring.

2.3 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. De tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, en daarmee de grondslag van ongewenstverklaring, ontbeert een deugdelijke motivering en een zorgvuldige voorbereiding. Eiser verwijst op dit punt naar hetgeen in de eerdere processtukken, onder meer de stukken in de asielprocedure, is uiteengezet.

2.4 De rechtbank oordeelt dat de tegenwerping van artikel 1(F) in rechte is komen vast te staan, zodat eiser hier thans niet meer tegen op kan komen. Eiser heeft eerder, ter onderbouwing van zijn beroep gericht tegen het besluit van 1 februari 2006, verscheidene gronden aangevoerd tegen de vaststelling van verweerder dat artikel 1(F) op hem van toepassing is. Deze gronden zijn zonder voorbehoud door deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, verworpen in de uitspraak van 2 februari 2007. Hiertegen heeft eiser in hoger beroep twee grieven gericht. In de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 is ten aanzien van deze twee grieven geoordeeld dat het aangevoerde niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden. Op grond van de grieven die zien op het beroep van eiser op artikel 3 EVRM is vervolgens de uitspraak van 2 februari 2007 vernietigd, is het inleidende beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze vernietiging houdt echter niet in dat verweerder de 1(F)-beoordeling opnieuw moet doen, nu de grieven die daarop zagen zonder voorbehoud zijn verworpen door de Afdeling.

2.5 Nu in rechte vaststaat dat verweerder op goede gronden aan eiser het gestelde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen, heeft verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw ongewenst kunnen verklaren. Eisers betoog dat de ongewenstverklaring onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert, faalt derhalve.

2.6 Eiser heeft vervolgens gesteld dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting en dat het voortduren van de ongewenstverklaring disproportioneel is.

2.7 De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer van eiser naar Irak. Evenmin is in geschil dat er geen derde land is waar eiser zich zou kunnen vestigen, zodat moet worden geconcludeerd dat alleen in geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning, dan wel het voortduren van de ongewenstverklaring, in het onderhavige geval disproportioneel moet worden geacht. Deze vraag heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid ontkennend kunnen beantwoorden. Hierbij is het volgende van belang.

2.8 Eiser heeft aangevoerd dat het feit dat hij al meer dan twaalf jaar zonder verblijfsvergunning in Nederland verblijft, en daarbij al meer dan twee jaar ongewenst is verklaard, terwijl artikel 3 EVRM zich tegen zijn uitzetting verzet, meer dan voldoende is om de ongewenstverklaring disproportioneel te achten. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van deze rechtbank van 15 december 2010 (LJN: BO8208 en BO8417).

Eiser heeft verder aangevoerd dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij ook nog bijzondere omstandigheden noemt. De ongewenstverklaring dient niet langer enig doel, nu niet in geschil is dat eiser Nederland niet kan verlaten en het doel van ongewenstverklaring is te zorgen dat eiser Nederland verlaat. Eiser wijst in dit verband nog op de noot van mr. B.K. Olivier bij de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2009 (NAV 2009/40).

2.9 In tegenstelling tot hetgeen deze rechtbank in haar uitspraken van 15 december 2010 heeft geoordeeld, is deze rechtbank en nevenzittingsplaats van oordeel dat het enkele tijdsverloop onvoldoende is om aan te nemen dat het verder onthouden van een verblijfsvergunning, dan wel de ongewenstverklaring disproportioneel is te achten. Immers, zoals de Afdeling in vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 24 juni 2009, JV 2009/347) heeft geoordeeld, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting, vertrek uit Nederland niet mogelijk is en (cursief de rechtbank) hij zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, alvorens kan worden beoordeeld of het voortduren van de ongewenstverklaring en in verband daarmee het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zou kunnen zijn. Gelet hierop is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt. Eiser is daarin niet geslaagd. Hiertoe is het volgende redengevend.

2.10 Eiser heeft aangevoerd dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt en daartoe allereerst gesteld dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij inmiddels is gescheiden van zijn echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien om aan te nemen dat eiser zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd aan te geven dat hij niemand heeft om op terug te vallen, moet worden geoordeeld dat eiser hierin niet kan worden gevolgd. Immers, naast zijn ex-echtgenote zijn de vier volwassen kinderen van eiser hier te lande woonachtig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij van hen geen ondersteuning kan krijgen, als hij deze nodig heeft.

2.11 Ook in de medische situatie van eiser heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Verweerder heeft bij de beoordeling hiervan het rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 25 november 2009 kunnen betrekken. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat eiser, blijkens zijn eigen verklaringen en de door hem overgelegde medische informatie, niet verstoken blijft van behandeling van zijn medische klachten.

2.12 Eisers stelling dat hij, als gevolg van de ongewenstverklaring, strafrechtelijk kan worden vervolgd als hij hier te lande wordt aangetroffen, rechtvaardigt niet de conclusie dat daarom sprake is van een uitzonderlijke situatie die maakt dat de ongewenstverklaring disproportioneel is. De wetgever heeft immers welbewust dit gevolg aan de ongewenstverklaring verbonden.

2.13 Eiser heeft verder een beroep gedaan op artikel 8 EVRM. Ten aanzien van dit beroep overweegt de rechtbank als volgt.

2.14 De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat in ieder geval tussen eiser en zijn jongste zoon sprake is van familie- en gezinsleven, dat onder het beschermingsbereik van artikel 8 EVRM valt. Evenmin is in geschil dat de ongewenstverklaring eiser de mogelijkheid ontneemt zijn familie in Nederland te bezoeken en er in dat opzicht sprake is van inmenging op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of deze inmenging is gerechtvaardigd als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM.

2.15 Verweerder heeft zich in het primaire besluit dat in het bestreden besluit is herhaald en ingelast, op het standpunt gesteld dat de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan geen schending van artikel 8 EVRM oplevert. Verweerder heeft daarbij overwogen dat sprake is van inmenging op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, maar dat deze inmenging is gerechtvaardigd. Verweerder heeft bij de belangenafweging de door het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de arresten Boultif tegen Zwitserland (application number 54273/00) van 2 augustus 2001 en Üner tegen Nederland (application number 46410/99) van 18 oktober 2006 neergelegde ‘guiding principles’ betrokken.

2.16 Om de omvang van de ingevolge artikel 8 EVRM op de Nederlandse staat rustende verplichtingen te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en moet een eerlijk evenwicht (fair balance) worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met de ongewenstverklaring van eiser, enerzijds en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland kunnen uitoefenen van het familie- en gezinsleven anderzijds. Omdat het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt, ingevolge vaste jurisprudentie van het EHRM, in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe. Deze belangenafweging dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst.

2.17 De rechtbank betrekt bij deze toetsing de volgende feiten. Eisers jongste zoon, [naam], is in Nederland geboren op [geboortedatum] en heeft rechtmatig verblijf. Eiser verblijft sinds 1998 in Nederland. Blijkens het BMA-rapport van 25 november 2009 heeft eiser suikerziekte type 2 en lijdt hij daarnaast aan chronische diarree en COPD.

2.18 Voorts betrekt de rechtbank bij de beoordeling hetgeen eiser op dit punt heeft verklaard tijdens de hoorzitting van 21 december 2009. Hieruit blijkt dat eiser op straat leeft en dat zijn kinderen, op zijn getrouwde dochter na, bij hun moeder wonen. Eiser heeft bijna dagelijks telefonisch contact met zijn kinderen. Soms neemt hij [naam] mee met de trein. [naam] is erg gehecht aan eiser, hij huilt vaak en zegt dan dat eiser niet terug naar Irak moet gaan. Eisers zoon [naam] wordt dan boos, omdat hij denkt dat eiser tegen [naam] zal zeggen dat hij terug moet naar Irak. Eiser gaat vaak naar [naam] die een eigen eetcafé heeft. [naam] geeft zijn vader vaak geld, minimaal € 50,-. [naam] komt bijna dagelijks naar eiser en als hij niet kan, gaat eiser naar hem toe. Eiser ziet al zijn kinderen en ook zijn kleinzoon vaak.

2.19 Tijdens de zitting van 12 mei 2011 heeft eiser, desgevraagd, nog verklaard dat hij zijn jongste zoon één à twee keer per week ziet, meestal in het weekend. Eiser gaat naar hem toe, maar niet naar de woning. Eiser blijft buiten, zodat [naam] naar hem toekomt. Soms brengt zijn oudste broer [naam] ergens naar toe, waar eiser hem dan ontmoet. [naam] komt vaak naar de zaal van de Armeense gemeenschap. Dan speelt hij ook met andere kinderen, omdat daar activiteiten worden georganiseerd voor de Armeense gemeenschap. Eiser kan [naam] geen drankje geven. [naam] slaapt daar niet bij eiser, omdat eiser het niet veilig genoeg vindt. [naam] is op 24 april 2011 nog bij eiser geweest tot ongeveer 22.00 uur, maar hij bleef niet slapen.

2.20 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang van de Nederlandse staat, dat gediend is met de ongewenstverklaring van vreemdelingen aan wie het gestelde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, dan aan het belang van eiser en zijn jongste zoon. Hiertoe is het volgende redengevend.

2.21 Aan handelingen zoals die aan eiser zijn verweten en die vallen onder het bereik van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag kan, gelet op de aard en ernst daarvan, in beginsel een groot gewicht worden toegekend, dat niet vermindert door enkel tijdsverloop. Verweerder dient echter in gevallen als het onderhavige, waarin eiser al sinds 1998 daadwerkelijk feitelijk in Nederland verblijft en hij op grond van artikel 3 EVRM niet uit Nederland kan worden uitgezet, wel rekening te houden met het feit dat het belang van de Nederlandse staat om, in het licht van voorgaande omstandigheden, niettemin vast te houden aan de ongewenstverklaring van eiser, enkel van principiële aard is. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit dat verweerder in een geval als het onderhavige aan dit belang van de staat in redelijkheid minder gewicht had moeten toekennen dan is gebeurd. Daarbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van eiser en zijn jongste zoon, dat is gediend met het ongestoord kunnen uitoefenen van het familie- en gezinsleven. Ten aanzien van de overweging van verweerder op dit punt, namelijk dat het ter keuze staat van eiser, zijn zoon en diens moeder om eiser naar het buitenland te volgen, overweegt de rechtbank dat verweerder hiermee heeft miskend dat eiser op grond van artikel 3 EVRM niet kan terugkeren naar Irak en niet is gebleken van mogelijkheden om zich in een derde land te vestigen, waardoor eiser Nederland feitelijk niet kan verlaten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft miskend dat op ouders zoals eiser een zorgplicht rust voor het minderjarige kind. Deze zorgplicht moet, nu eiser ongewenst is verklaard, onder zeer moeilijke omstandigheden worden ingevuld. Deze omstandigheid heeft verweerder ten onrechte niet bij de belangenafweging betrokken. Hierbij had verweerder moeten betrekken dat eiser thans gescheiden is van de moeder van [naam], zodat er daarom extra belemmeringen zijn om concreet invulling te geven aan het familie- en gezinsleven, bijvoorbeeld door [naam] te bezoeken of te ontvangen. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van de invloed die omstandigheden als die in het onderhavige geval aan de orde zijn, hebben op (jonge) kinderen als [naam]. Verder blijkt niet uit het bestreden besluit, noch uit het onderliggende primaire besluit, dat de ‘guiding principles’ als hiervoor genoemd in onderlinge samenhang zijn gewogen en beoordeeld, waardoor verweerder ook daarmee op onvoldoende deugdelijke en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat aan het algemeen belang meer gewicht dient te worden toegekend en dat de weging van de belangen derhalve in het nadeel van eiser uitvalt.

2.22 Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat de ongewenstverklaring van eiser geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM. Het beroep zal hierom gegrond worden verklaard. De overige gronden behoeven geen nadere bespreking.

2.23 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.24 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.25 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser;

3.5 draagt verweerder op € 150,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, voorzitter, en mr. H.C. Greeuw en mr. A.J. Medze, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.