Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5093

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
10 - 39763
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ8676, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van 5 oktober 2009 niet kan worden opgemaakt dat ten tijde van het binnentreden in de woning sprake was van ‘informed consent’. Hoewel uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten het doel van het bezoek hebben meegedeeld en zij toestemming hadden verkregen om de woning te betreden, is hiermee nog geen sprake van ‘informed consent’. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt immers niet dat zij de reden van hun bezoek hebben meegedeeld noch dat zij informatie hebben verstrekt over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor het (verdere) verblijfsrecht van eiser. De stelling van verweerder ter zitting dat kan worden aangenomen dat informatie over die gevolgen is meegedeeld bij de uitleg over het doel van het huisbezoek volgt de rechtbank niet. Mededelingen als hier aan de orde dienen immers met het oog op (rechterlijke) controle in een proces-verbaal te worden vastgelegd.

De rechtbank stelt vast dat uit voornoemde processen-verbaal niet blijkt wat de reden is geweest voor de IND voor het laten instellen van een onderzoek naar de samenwoning en relatie tussen eiser en referente. Ook verweerders gemachtigde heeft daarover geen helderheid kunnen verschaffen. Voor zover uit de processen-verbaal al zou zijn af te leiden dat het verzoek van de IND om een onderzoek in te stellen is gebaseerd op een anonieme tip, is de rechtbank van oordeel dat die anonieme tip geen redelijke grond kan vormen voor het afleggen van een huisbezoek. Ook in de informatie die is verkregen van referente dan wel van de ex-echtgenoot van referente is geen redelijke grond gelegen. Uit de processen-verbaal die op deze bezoeken betrekking hebben blijkt immers niet van enige concrete informatie die aanleiding heeft kunnen vormen voor het huisbezoek van 14 september 2009.

De informatie die is verkregen van één van de buren van eiser op 26 augustus 2009 bevat wel voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het bestaan van een exclusieve en duurzame relatie tussen eiser en referente. Dit maakt echter niet dat sprake is van een redelijke grond. Immers, voor het bestaan van een dergelijke grond moet niet alleen sprake zijn van concrete objectieve feiten die aanleiding geven tot twijfel aan het verblijfsrecht, maar moet tevens voldaan zijn aan het vereiste dat de door betrokkene verstrekte gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze geverifieerd kunnen worden. Hiervan is in het onderhavige geval niet gebleken. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, zodat ten tijde van het huisbezoek van 14 september 2009 geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek.

Nu moet worden geoordeeld dat geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek, zou de weigering toestemming te verlenen aan verbalisanten om de woning te betreden, geen gevolgen hebben gehad voor het (verdere) verblijfsrecht van eiser. Eiser, althans referente, had hiervan vóór het binnentreden op de hoogte moeten worden gesteld. Nu uit de hiervoor weergegeven processen-verbaal niet blijkt dat dit is gebeurd, is geen sprake geweest van ‘informed consent’. Dit maakt dat de informatie, die uit het huisbezoek is verkregen, in strijd met artikel 8 EVRM is verkregen. Verweerder had deze informatie dan ook niet bij de besluitvorming mogen betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 39763 (beroep)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 augustus 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. J.A. Canales, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Erik en mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 17 maart 2010 de eerder verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij partner [naam referente] (referente)” ingetrokken met ingang van 18 februari 2009. Eiser heeft tegen het besluit op 12 april 2010 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 16 november 2010 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Erik. Op 28 maart 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. De voortgezette behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. W.A. Kleingeld.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 19 mei 2009 heeft verweerder een digitaal verzoek ingediend bij de Vreemdelingenpolitie van regionaal politiekorps Amsterdam-Amstelland om te onderzoeken of sprake is van samenwoning dan wel een exclusieve duurzame relatie tussen eiser en referente. Naar aanleiding van dit verzoek hebben twee medewerkers van het politiekorps Amsterdam-Amstelland op 16 augustus 2009, 26 augustus 2009 en 14 september 2009 onderzoek verricht.

2.2 In het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2009, opgemaakt naar aanleiding van een huisbezoek van 16 augustus 2009 op het adres van eiser en referente, is, voor zover hier van belang, het volgende neergelegd:

“Op zondag 16 augustus 2009, omstreeks 21.00 uur belden wij, verbalisanten, aan op voorgenoemd adres […]. Dit om de foto van [eiser] te tonen aan de naaste buren. […]

Nadat wij hebben geprobeerd de buren te benaderen voor dit onderzoek hebben wij, verbalisanten, aangebeld bij [adres van eiser]. Wij zagen dat de deur werd opengedaan door een manspersoon. Wij, verbalisanten, hebben ons gelegitimeerd middels het aan ons, door de dienst verstrekte, politielegitimatiebewijs en hebben gevraagd of de heer [eiser] aanwezig was. De manspersoon die de deur opendeed kwam, nadat wij, verbalisanten, ons voorgesteld hadden, erg zenuwachtig over. Nog voordat wij hem hadden gevraagd over wie hij was, begon hij al te vertellen dat hij een dagje naar Slagharen was met zijn kinderen en dat hij was blijven eten. Wij, verbalisanten, hebben hierop gevraagd wie hij was. Hierop vertelde de manspersoon dat hij [naam] is en dat zijn kinderen en zijn ex-vrouw woonachtig zijn op dit adres. Daarna hoorden wij, verbalisanten, de heer [naam] zeggen dat de heer [eiser] niet aanwezig was, de heer [naam] wist ons, verbalisanten, te vertellen dat de heer [eiser] op familiebezoek was in Alkmaar. Wij, verbalisanten, hoorden [hem] zeggen dat de vriendin van de heer [eiser], mevrouw [naam], wel aanwezig was en dat mevrouw [naam] er meer over kon vertellen. […]

Nadat wij ons hadden voorgesteld, vroeg ik, verbalisant […] aan mevrouw [naam] of de heer [eiser] aanwezig was. Ook mevrouw [naam] wist ons, verbalisanten, te vertellen dat de heer [eiser] op familiebezoek was naar Alkmaar. Ik, verbalisant […] vroeg of mevrouw [naam] het adres wist waar de heer [eiser] verbleef in Alkmaar. Hierop antwoordde mevrouw [naam] of er iets belangrijks aan de hand was en waarom wij dit alles wilden weten. Ik, verbalisant […] heb mevrouw [naam] verteld dat wij de heer [eiser] graag even hadden willen spreken en dat wij, verbalisanten, een andere keer nogmaals op bezoek zullen komen.”

2.3 In het proces-verbaal van 14 september 2009, opgemaakt naar aanleiding van een op 26 augustus 2009 uitgevoerde onderzoek, is, voor zover hier van belang, het volgende neergelegd:

“Op woensdag 26 augustus 2009 omstreeks 14.30 uur gingen wij, verbalisanten, naar binnen bij desbetreffende zaak [naam]. Dit om te zien en om te informeren of de heer [eiser] daar werkzaam is. Wij zagen daar een manspersoon, die wij herkenden als de heer [naam], achter de toonbank ging staan. Wij, verbalisanten, hebben ons gelegitimeerd middels het aan ons, door de dienst verstrekte, politielegitimatiebewijs en hebben ons doel kenbaar gemaakt. De heer [naam] verklaarde ons het volgende:

Er is geen persoon genaamd [eiser] bij hem werkzaam en dat [eiser] de nieuwe partner is van zijn ex-vrouw. De heer [naam] kende betrokkene [eiser] niet persoonlijk en dat het wel erg raar zou zijn dat de partner van zijn ex-vrouw bij hem in dienst zou zijn. De heer [naam] heeft 1 werkneemster in dienst waar hij het arbeidscontract van heeft laten zien. De heer [naam] kwam erg zenuwachtig op ons over, wij, verbalisanten, zagen dat hij schichtig heen en weer ging met zijn ogen. De heer [naam] heeft verteld dat hij tijdelijk staat ingeschreven op zijn zaak-adres, maar daar niet woont. […] De heer [naam] vertelde ons, dat hij een omgangsregeling heeft met zijn kinderen, namelijk om de twee weken een weekend, vandaar dat hij zondagavond 16 augustus 2009 bij zijn ex-vrouw thuis was tijdens ons bezoek. Hierop hebben wij, verbalisanten, het pand verlaten.

Op woensdag 26 augustus 2009, omstreeks 15.30 uur zijn wij, verbalisanten, naar het adres […] geweest om een buurtonderzoek in te stellen. Wij hebben aangebeld bij [de buren van eiser], dit om de foto van de heer [eiser] te tonen. Beide buren waren niet thuis. Wij, verbalisanten, zagen dat er in de voortuin van […] een vrouw zat. […] Wij hebben ons voorgesteld en aan haar gevraagd of zij wist wie er op nummer [adres eiser] woonachtig is. De vrouw wist ons te vertellen dat de man die daar woont [naam] heet en dat zijn vrouw [naam] heet. […] Wij, verbalisanten, lieten aan mevrouw […] de foto van [eiser] zien en vroegen of dit de partner van mevrouw [naam] was. [Zij] vertelde ons dat dit absoluut niet de partner of echtgenoot van mevrouw [naam] is. Wij hebben [haar] gevraagd of zij degene op de foto weleens heeft gezien. [Zij] verklaarde ons hierop het volgende:

De persoon op de foto had zij afgelopen weekend in de voortuin zien zitten samen met betrokkenen [naam] en [naam]. [Zij] vermoedt dat de persoon een broer of neef is van betrokkene [naam]. [Zij] heeft een goed contact met betrokkene [naam] en haar echtgenoot [naam]. […] Mevrouw [naam] en de heer [naam] hebben een paar jaar terug problemen gehad binnen hun huwelijk en dat toentertijd het huis waarin zij nu wonen te koop had gestaan. Maar mevrouw [naam] heeft uiteindelijk betrokkene [naam] uit de woning gekocht en hij hield het bedrijf genaamd [naam]. [Zij] was ook heel blij voor betrokkene [naam] en betrokkene [naam] want ze waren alweer bijna een jaar bij elkaar.”

2.4 In het proces-verbaal van 5 oktober 2009, opgemaakt naar aanleiding van het onderzoek van 14 september 2009, is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen.

“Op 14 september 2009 omstreeks 19.30 uur stonden wij, verbalisanten, voor [adres eiser]. Wij, verbalisanten, zagen een vrouwspersoon voor de deur, die wij herkenden als mevrouw [naam]. Wij, verbalisanten, hebben ons gelegitimeerd middels het aan ons, door de dienst verstrekte, politielegitimatiebewijs en hebben ons doel kenbaar gemaakt. Daarna vroegen wij, of wij binnen mochten komen, hierop heeft mevrouw [naam] ons binnengelaten. Binnengekomen zagen wij een manspersoon, die wij herkenden als de heer [naam], op de bank in de woonkamer zitten. Tevens waren de twee dochters van mevrouw [naam] en de heer [naam] in de woonkamer aanwezig. Wij, verbalisanten, hebben gevraagd of de heer [eiser] aanwezig was. Mevrouw [naam] verklaarde ons het volgende:

De heer [eiser] werkt in Alkmaar. Hij werkt voor een uitzendbureau genaamd ‘[naam]’. Hij werkt nu ongeveer 6 maanden via dit uitzendbureau in de schoonmaakbranche. Zijn werktijden zijn in de avond van 19.00 uur tot een uur of 22.00 uur. Hij ontvangt geen reiskostenvergoeding omdat hij nog niet in vaste dienst is. Daarom verblijft hij doordeweeks bij zijn broer in Alkmaar.

Wij, verbalisanten, hebben mevrouw [naam] gevraagd hoe en wanneer zij kennis heeft gemaakt met de heer [eiser]. Hierop antwoordde mevrouw [naam]:

Ik heb in 2005 kennis gemaakt met [naam]. Ik was toen nog getrouwd maar er waren al wel problemen in mijn huwelijk. Daarna hebben wij telefonisch contact onderhouden met elkaar. In januari 2008 is [naam] naar Nederland gekomen met een machtiging voorlopig verblijf.

Wij, verbalisanten, hebben gevraagd of we de woning mochten bekijken. Hierop zijn wij, verbalisanten, met mevrouw [naam] naar boven gegaan. Wij, verbalisanten, hebben de slaapkamer betreden. Daar zagen wij, verbalisanten, een trouwfoto van groot formaat aan de muur, naast het bed hangen. Dit was een trouwfoto van mevrouw [naam] en de heer [naam]. Verder viel ons, verbalisanten, op dat er meerdere gezamenlijke foto’s van mevrouw [naam] en de heer [naam] in de gehele woning aanwezig waren. Mevrouw [naam] verklaarde op onze vraag of zij foto’s heeft met de heer [eiser] het volgende:

Ik heb geen gezamenlijke foto’s met [naam]. Wij hebben geen foto’s in Suriname gemaakt en nu is de heer [eiser] vanaf januari 2008 in Nederland. Het is er niet van gekomen.

Wij, verbalisanten, hebben nadat wij weer in de woonkamer waren, aan mevrouw [naam] gevraagd hoe de heer [eiser] erop reageert dat de heer [naam] zo vaak bij haar thuis is. Mevrouw [naam] verklaarde ons dat de heer [naam] op dit moment geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en dat hij hierdoor heel vaak in de avond bij mevrouw [naam] is. Dit in verband met de kinderen. De heer [eiser] heeft hier alle begrip voor.

Resume. Wij, verbalisanten, hebben de heer [eiser] bij geen van onze bezoeken aan kunnen treffen. Wel troffen wij, verbalisanten, bij ieder bezoek de heer [naam] aan. Gelet hierop heben wij, verbalisanten, het vermoeden dat er sprake is van een schijnrelatie tussen de heer [eiser] en mevrouw [naam].”

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken, omdat eiser niet voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Eiser en referente hebben nooit een deugdelijk bewezen relatie onderhouden op het adres waar zij beiden staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Dit blijkt uit de adresonderzoeken welke zijn uitgevoerd door het politiekorps Amsterdam-Amstelland.

2.6 Eiser heeft in beroep onder meer aangevoerd dat de (adres)onderzoeken in strijd met artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn afgelegd.

2.7 Artikel 8, eerste lid, EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. De rechtbank zal beoordelen of het huisbezoek in strijd met dit artikel is afgelegd. Hiertoe is het volgende van belang.

2.8 In bijstandszaken heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) (zie onder meer de uitspraak van 18 januari 2011, LJN BP2353) voor de vaststelling van de rechtmatigheid van huisbezoeken een toetsingskader vastgesteld. De rechtbank ziet aanleiding dit toetsingskader ook van toepassing te achten in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van beëindiging van een verblijfsrecht.

2.9 In de jurisprudentie van de CRvB, waaronder de hiervoor genoemde uitspraak van 18 januari 2011, is het volgende toetsingskader vastgesteld.

Er is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van 5 oktober 2009 niet kan worden opgemaakt dat ten tijde van het binnentreden in de woning sprake was van ‘informed consent’. Hoewel uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten het doel van het bezoek hebben meegedeeld en zij toestemming hadden verkregen om de woning te betreden, is hiermee nog geen sprake van ‘informed consent’. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt immers niet dat zij de reden van hun bezoek hebben meegedeeld noch dat zij informatie hebben verstrekt over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor het (verdere) verblijfsrecht van eiser. De stelling van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat kan worden aangenomen dat informatie over die gevolgen is meegedeeld bij de uitleg over het doel van het huisbezoek volgt de rechtbank niet. Mededelingen als hier aan de orde dienen immers met het oog op (rechterlijke) controle in een proces-verbaal te worden vastgelegd.

2.11 Voorts is het, gelet op het hierboven weergegeven toetsingskader, de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een redelijke grond voor het huisbezoek. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

2.12 Uit de processen-verbaal van 31 augustus 2009, 14 september 2009 en 5 oktober 2009 blijkt dat de aanleiding voor de onderzoeken is gelegen in een digitaal verzoek van de IND om te onderzoeken of sprake is van samenwoning dan wel van een exclusieve duurzame relatie tussen eiser en referente. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van 14 september 2009 dat bij de IND een schriftelijke tip is binnengekomen waarin is vermeld dat eiser werkzaam zou zijn bij [naam], waarvan de ex-man van referente de eigenaar is. Verweerders gemachtigde ter zitting leidt uit voornoemde processen-verbaal af dat het verzoek van de IND om een onderzoek in te stellen is gebaseerd op een anonieme tip.

2.13 De rechtbank stelt vast dat uit voornoemde processen-verbaal niet blijkt wat de reden is geweest voor de IND voor het laten instellen van een onderzoek naar de samenwoning en relatie tussen eiser en referente. Ook verweerders gemachtigde ter zitting heeft daarover geen helderheid kunnen verschaffen. Voor zover uit voornoemde processen-verbaal al zou zijn af te leiden dat het verzoek van de IND om een onderzoek in te stellen is gebaseerd op een anonieme tip, is de rechtbank van oordeel dat die anonieme tip geen redelijke grond kan vormen voor het afleggen van een huisbezoek. Immers, over de inhoud van die tip is niets bekend, zodat niet kan worden beoordeeld of de informatie in die tip voldoende concreet was om voor verweerder aanleiding te vormen onderzoek te laten verrichten.

2.14 Ook in de informatie die is verkregen van referente dan wel van de ex-echtgenoot van referente bij gelegenheid van het huisbezoek op 16 augustus 2009, respectievelijk tijdens het bezoek aan het bedrijf van de ex-echtgenoot van referente op 26 augustus 2009 is geen redelijke grond gelegen. Uit de processen-verbaal die op deze bezoeken betrekking hebben blijkt immers niet van enige concrete informatie die aanleiding heeft kunnen vormen voor het huisbezoek van 14 september 2009.

2.15 De informatie die is verkregen van één van de buren van eiser op 26 augustus 2009 bevat wel voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het bestaan van een exclusieve en duurzame relatie tussen eiser en referente. Dit maakt echter niet dat sprake is van een redelijke grond. Immers, voor het bestaan van een dergelijke grond moet niet alleen sprake zijn van concrete objectieve feiten die aanleiding geven tot twijfel aan het verblijfsrecht, maar moet tevens voldaan zijn aan het vereiste dat de door betrokkene verstrekte gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze geverifieerd kunnen worden. Hiervan is in het onderhavige geval niet gebleken. Zo zijn eiser en referente bijvoorbeeld niet eerst (gescheiden) gehoord door de Vreemdelingendienst. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, zodat ten tijde van het huisbezoek van 14 september 2009 geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek.

2.16 Nu, zoals hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat er geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek, zou de weigering toestemming te verlenen aan verbalisanten om de woning te betreden, geen gevolgen hebben gehad voor het (verdere) verblijfsrecht van eiser. Eiser, althans referente, had hiervan vóór het binnentreden op de hoogte moeten worden gesteld. Nu uit de hiervoor weergegeven processen-verbaal niet blijkt dat dit is gebeurd, is geen sprake geweest van ‘informed consent’. Dit maakt dat de informatie, die uit het huisbezoek is verkregen, in strijd met artikel 8 EVRM is verkregen. Verweerder had deze informatie dan ook niet bij de besluitvorming mogen betrekken.

2.17 Reeds hierom zal het beroep gegrond worden verklaard. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

2.18 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.092,50,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere zitting, wegingsfactor 1).

2.20 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.092,50 te betalen aan eiser;

3.5 draagt verweerder op € 150,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, voorzitter, en mrs. H.C. Greeuw en B.M.A. Bataille, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.