Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4970

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/2511VPB, AWB 10/2512 VPB en AWB 10/6716 VPB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VPB, thincapregeling. Eiseres heeft de aan haar in Nederland gevestigde aandeelhouders schuldig gebleven dividenduitkeringen in rekening-courant geboekt, daarover rente berekend en deze rente in zijn aangiften VPB in aftrek gebracht. Verweerder heeft deze rentekosten met toepassing van de thincapregeling (gedeeltelijk) gecorrigeerd. Eiseres komt in beroep op tegen deze correcties omdat deze leiden tot economische dubbele heffing: de corresponderende rente-opbrengsten worden bij de aandeelhouders volledig in de heffing betrokken. Dit is volgens eiseres in strijd zijn met doel en strekking van artikel 10d Wet VPB 1969. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de totstandkoming van de thincapregeling door de wetgever is aanvaard dat in een geval als dit econcomische dubbele heffing optreedt, onder meer omdat daarvan een door de wetgever gewenst geachte preventieve werking uitgaat. Derhalve is van strijd met doel en strekking geen sprake. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2077
V-N 2011/43.19.29
FutD 2011-1963
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10/2511VPB, AWB 10/2512 VPB en AWB 10/6716 VPB

Uitspraakdatum: 18 juli 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ [te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor de boekjaren 2004, 2005 en 2006 aanslagen in de vennootschapsbelasting (hierna: VPB) opgelegd, berekend naar belastbare bedragen van respectievelijk € 751.006, 1.037.583 en € 2.537.445 (aanslagnrs. [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]; hierna respectievelijk: de aanslag 2004, de aanslag 2005 en de aanslag 2006). Bij de vaststelling van elk van deze aanslagen is bij afzonderlijke beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van respectievelijk € 5.229, € 7.460 en € 4.335 (hierna: de heffingsrentebeschikkingen) .

1.2 Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 31 maart 2010 en 3 april 2010 de aanslag 2004 en de aanslag 2005 verminderd tot aanslagen, berekend naar belastbare bedragen van respectievelijk € 746.280 en € 1.036.655 en de bij deze aanslagen gegeven heffingsrentebeschikkingen dienovereenkomstig herzien. De aanslag 2006 en de daarbij gegeven heffingsrentebeschikking heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 19 augustus 2010 gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brieven van 6 april 2010 (2004 en 2005) en 24 september 2010 (2006), ontvangen bij de rechtbank op 9 april 2010 en 27 september 2010, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2010 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is verschenen [A], namens verweerder is verschenen [B].

1.6 De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een afschrift daarvan overgelegd aan verweerder en aan de rechtbank.

1.7 Bij brief van 24 december 2010 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

II OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 De aandelen van eiseres waren op 1 januari 2004 in handen van [X] Holding B.V. (hierna: de Holding). Door overdracht van 40% van de aandelen op 9 december 2005 zijn er vanaf die datum vier medeaandeelhouders die ieder 10% van de aandelen houden. De Holding treedt tevens op als bestuurder van eiseres.

2.2 Eiseres is dividenduitkeringen aan de Holding en aan de overige aandeelhouders schuldig gebleven en heeft deze als schuld in rekening-courant geboekt. Over deze schuld is rente berekend. De schuld in rekening-courant bedroeg aan het begin van 2004 € 940.000 en aan het einde van 2006 € 2.682.700.

2.3 Op 25 oktober 2006 is aan eiseres door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de NMA) een boete opgelegd tot een bedrag van € 56.216 (hierna: de NMA-boete). In verband met de NMA-boete heeft eiseres in 2006 € 8.280 aan juridische advieskosten gemaakt (hierna: de juridische advieskosten).

2.4 In haar aangiften VPB voor de jaren 2004, 2005 en 2006 heeft eiseres ter zake van de schuld in rekening-courant respectievelijk € 82.190, € 128.739 en € 187.578 aan rentekosten (hierna tezamen ook: de rentekosten) in aftrek gebracht. Tevens heeft eiseres in haar aangifte voor 2006 de aftrek van de NMA-boete en de juridische advieskosten geclaimd.

2.5 Verweerder heeft bij aanslagregeling ter zake van de rentekosten correcties op de aangegeven belastbare winst aangebracht van respectievelijk € 82.190 (aanslag 2004), € 122.002 (aanslag 2005) en € 22.074 (aanslag 2006). Verder heeft verweerder bij de regeling van de aanslag 2006 de aftrek van de NMA-boete en de juridische advieskosten geweigerd.

2,6 In zijn uitspraken op bezwaar heeft verweerder correcties van de rentekosten voor 2004 en 2005 verminderd tot € 77.464 en € 121.074; de correctie van de rentekosten voor 2006 heeft hij gehandhaafd.

Geschil

2.7 In geschil zijn de correcties. Meer in het bijzonder is in geschil of:

- de aftrekbeperking van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB 1969) van toepassing is op de rentekosten ;

- de aftrekuitsluiting van artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969 in samenhang gelezen met artikel 3.14, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 van toepassing is op de NMA-boete en de juridische advieskosten.

2.8 Eiseres beantwoordt deze vragen ontkennend en voert daartoe -samengevat- het volgende aan. De thincapregeling van artikel 10d Wet VPB 1969 is niet van toepassing op de rentekosten. Van uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag is in dit geval geen sprake. De aftrekbeperking leidt tot dubbele belastingheffing. De schuld in rekening-courant is in feite eigen vermogen. Indien de rechtbank beslist dat de thincapregeling van toepassing is, dient de niet aftrekbare rente te worden aangemerkt als een winstuitdeling aan de aandeelhouders. De NMA-boete en de juridische advieskosten zijn niet van aftrek uitgesloten omdat de NMA-boete is opgelegd om aan eiseres een voordeel te ontnemen waarover reeds belasting is geheven.

2.9 Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd weersproken.

2.10 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, vermindering van de aanslagen tot aanslagen die zijn berekend naar de in de aangiften vermelde belastbare bedragen.

2.11 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Thincapregeling

2.12.1 De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar opvatting dat de rentekosten in aftrek moeten worden toegelaten omdat de daartegenover staande renteopbrengsten bij de aandeelhouders van eiseres zijn belast. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.12.2 Het effect van economische dubbele heffing in binnenlandse verhoudingen is bij de invoering van de thincapregeling onderkend:

"Indien rente door de thin-capitalisationmaatregel bij de schuldenaar niet aftrekbaar is, heeft dit geen gevolgen voor de heffing over de rente bij de schuldeisers. De aftrekbeperking is immers niet gekoppeld aan individuele leningen, maar aan de verhouding tussen het totale vreemde en eigen vermogen. Verder moet worden bedacht dat de maatregel isgericht op bovenmatige financiering met vreemd vermogen binnen concern. Er mag van worden uitgegaan dat daarvan een preventieve werking zal uitgaan. Anders gezegd: in concernverhoudingen zal men er naar streven binnen de voorgestelde financieringslimieten te blijven, teneinde economisch dubbele heffing te voorkomen." ( Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 8, p. 11).

2.12.3 De thincapregeling is, gelet op de onder 2.12.2 gereleveerde wetsgeschiedenis, gericht op het tegengaan van onderkapitalisatie van groepsvennootschappen. Dat door toepassing van de thincapregeling in een geval als dit economische dubbele heffing optreedt, is door de wetgever aanvaard, onder meer omdat daarvan een door de wetgever gewenst geachte preventieve werking uitgaat. Om die reden bevat de thincapregeling geen tegenbewijsregeling (Kamerstukken I 2003/04, 29 210, nr. C, p. 24) . Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, toepassing van de thincapregeling in dit geval niet in strijd met doel en strekking van artikel 10d Wet VPB 1969. Dat artikel 10d Wet VPB 1969 onbillijke en onredelijke gevolgen heeft, zoals eiseres stelt, kan aan het oordeel van de rechtbank niet afdoen. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter immers de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

2.13 Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat eiseres feiten dient te stellen en, bij weerspreking door verweerder, aannemelijk dient te maken, waaruit volgt dat de rekening-courantschuld, in weerwil van de civielrechtelijke vorm waarin zij is gegoten, niet voortkomt uit een geldlening, maar als onverdeeld resultaat of winstreserve tot het eigen vermogen van eiseres behoort. Hierin is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd laat geen andere conclusie toe dan dat eiseres en haar aandeelhouders met betrekking tot de schuldig gebleven dividenduitkeringen een (rentedragende) rekening-courantverhouding zijn overeengekomen en niet hebben beoogd om te bewerkstelligen dat, in afwijking van deze overeenkomst, de in rekening-courant geboekte dividenduitkeringen tot het eigen vermogen van eiseres behoren. De in rekening-courant geboekte dividenduitkeringen vormen derhalve een geldlening als bedoeld in artikel 10d, eerste lid, Wet VPB 1969.

NMA-boete en juridische advieskosten

2.14 Ingevolge artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969, gelezen in samenhang met artikel 3.14, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001, komen kosten en lasten die verband houden met bestuurlijke boeten niet in aftrek bij het bepalen van de winst (hierna: de aftrekuitsluiting).

2.15 Naar het oordeel van de rechtbank geldt de aftrekuitsluiting onverkort voor de NMA-boete en de juridische advieskosten. Daartoe wijst de rechtbank op het arrest van 7 januari 2011, nr. 09/00617, LJN: BL0214, waarin de Hoge Raad overweegt:

"De onderhavige boete is opgelegd op grond van artikel 56, lid 1, aanhef en letter c, van de Mededingingswet en is als zodanig gericht op bestraffing van de persoon aan wie een in die bepaling vermelde overtreding kan worden toegerekend. De omstandigheid dat bij het opleggen van de boete mede met de bij de overtredingbetrokken omzet rekening kan worden gehouden, maakt dit niet anders. Het ligt in de rede dat mede die omzet in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de ernst van de overtreding die met de boete wordt bestraft. Van een aan de boete ten grondslag liggende vaststelling van het door de beboete persoon met de overtreding behaalde voordeel is ook geen sprake."

Slotsom

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank beslist zoals onder III is vermeld.

Proceskosten

2.17 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst in tegenwoordigheid van de griffier

mr. C.J.M. Reniers.

De griffieris verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.