Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4913

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
393860 - FA RK 11-3601
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervangende toestemming voor het verkrijgen van een reisdocument in de zin van artikel 34, tweede lid, Paspoortwet ten behoeve van een uit Soedan afkomstige minderjarige met onbekende nationaliteit. De minderjarige heeft overigens volgens de moeder de Soedanese nationaliteit. Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBv 1996)

Alvorens over te kunnen gaan tot de beoordeling van het voorliggende verzoek behandelt de rechtbank het internationaal privaatrecht, in het bijzonder de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna HKBv 1996) dat van toepassing is op verzoeken die na 1 mei 2011 zijn ingediend, hetgeen thans het geval is, alsmede de samenloop tussen de verschillende internationaal privaatrechtelijke regelingen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat zij bevoegd is van dit verzoek kennis te nemen en dat ingevolge artikel 15 HKBv 1996 Nederlands recht van toepassing is op een te nemen beslissing.

Tevens onderzoekt de rechtbank welke gezagsverhouding er thans bestaat ten aanzien van de minderjarige en verwijst hiervoor naar artikel 16 HKBv 1996 en hetgeen over die bepaling is opgenomen in het Explanatory Report bij het HKBv 1996 van Paul Lagarde. Uit laatstgenoemde bepaling volgt dat ter bepaling van de gezagsverhouding tot de minderjarige van belang is het recht van de opeenvolgende gewone verblijfplaatsen van de minderjarige. Daargelaten of naar Soedanees recht staande het huwelijk gezamenlijk gezag van de minderjarige is ontstaan, is dat in ieder geval gebeurd naar Nederlands recht, nu de minderjarige hier te lande zijn gewone verblijfplaats heeft gevestigd.

Vervolgens gaat de rechtbank over tot beoordeling van het verzoek van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-3601

Zaaknummer: 393860

Datum beschikking: 30 juni 2011

Paspoortwet

Beschikking op het op 5 mei 2011 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. P.W.J. de Water te Katwijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. J. Pieters te Sneek.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoek- en verweerschrift.

De minderjarige [de minderjarige], heeft zich zowel schriftelijk als in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 10 juni 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met mr. G. Meij, kantoorgenoot van haar advocaat. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de na te melden minderjarige.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, kosten rechtens.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum huwelijkssluiting] 1998 tot [datum huwelijksontbinding] 2007.

- Partijen zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 1999 te [geboorteplaats minderjarige] (Soedan).

- Blijkens de bij de rechtbank bekende informatie hebben beide partijen alsmede de minderjarige een onbekende nationaliteit. De vrouw heeft evenwel onweersproken gesteld dat de minderjarige uitsluitend de Soedanese nationaliteit heeft.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'.

Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek van de vrouw naar zijn aard is aan te merken als een verzoek inzake de gezamenlijke gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW. De rechtbank is van oordeel dat een verklaring van de rechtbank als bedoeld in artikel 34 tweede lid van de Paspoortwet niet treedt in de kerntaak van enige overheid tot verstrekking van een paspoort of ander reisdocument, maar de aanvragende gezagsouder slechts de mogelijkheid geeft om zelfstandig een aanvraag tot verkrijging van een reisdocument te doen.

Bevoegdheid en samenloop

De rechtbank merkt allereerst op dat zowel in de EG-Verordening Brussel IIbis als in het op Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19 oktober 1996, Trb. 197, 299 (hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) regels zijn neergelegd inzake de bevoegdheid om kennis te nemen van het onderhavige verzoek, te weten in artikel 8 Brussel IIbis en in artikel 5 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Laatstgenoemde regeling is van toepassing nu het onderhavige verzoek is ingediend ná 1 mei 2011.

Nu uit het bepaalde in artikel 61 Brussel IIbis volgt dat in het geval waarin het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in de onderlinge verhouding tussen deze regelingen de verordening voorrang heeft op het verdrag en nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft, heeft de verordening Brussel IIbis voorrang boven het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 waar het de bevoegdheid betreft.

Overweging in verband met EG-verordening (Brussel II / Brussel IIbis voor verzoeken vanaf 1 maart 2005 ingediend

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van de EG-Verordening Brussel IIbis bevoegd te beslissen op het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor het aanvragen van een reisdocument ten behoeve van de minderjarige.

Toepasselijk recht

Nu het verzoek, zoals reeds is opgemerkt, naar zijn aard kan worden aangemerkt als een verzoek inzake de gezamenlijke gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW, valt het daarmee binnen de materiële reikwijdte van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in casu dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast.

(Van rechtswege ontstaan van) ouderlijke verantwoordelijkheid

Ingevolge artikel 16, eerste lid Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt de vraag of de man dan wel de vrouw dan wel partijen gezamenlijk van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid hebben verkregen over de minderjarige beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. De rechtbank leidt uit het Explanatory Report van Paul Lagarde (onder 98 en 99) bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 af dat het aan de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind wordt overgelaten of deze al dan niet rekening houdt met gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan voordat het kind zijn gewone verblijfplaats in deze Staat kreeg. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 16 van het Verdrag met zich meebrengt dat gekeken dient te worden naar het recht van de verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het ontstaan van het gezag, zodat in casu Soedanees recht van toepassing is.

De rechtbank merkt voorts op dat op grond van artikel 16, vierde lid Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bij verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de minderjarige het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst wordt door het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. Daargelaten of naar Soedanees recht sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders over een staande het huwelijk geboren kind, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval door de vestiging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland staande het huwelijk van partijen, van rechtswege gezamenlijk gezag is ontstaan, welk gezamenlijk gezag nadien niet is gewijzigd.

Inhoudelijke behandeling

De vrouw voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de man na herhaaldelijke verzoeken van de vrouw blijft weigeren zijn toestemming te verlenen voor het aanvragen van een eigen reisdocument voor de minderjarige. Ter terechtzitting heeft zij voorts gesteld dat zij omstreeks 7 juli 2011 met de minderjarige op vakantie wil. De man heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat de vrouw voornemens is met de minderjarige naar Canada te emigreren, hetgeen tegen zijn uitdrukkelijke wens is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Nu de man niet is verschenen bij de behandeling van dit verzoek heeft de rechtbank geen vergelijk tussen partijen kunnen beproeven. De rechtbank acht het verzoek van de vrouw evenwel voor toewijzing vatbaar, nu de man weliswaar heeft gesteld dat de vrouw voornemens is naar Canada te vertrekken met de minderjarige, maar dit vermoeden niet met stukken dan wel anderszins heeft onderbouwd. In het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de vrouw is dit standpunt van de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal derhalve vervangende toestemming geven aan de vrouw voor de aanvraag van een reisdocument voor de minderjarige, nu zij het in het belang van de minderjarige acht dat hij over een eigen reisdocument beschikt en op vakantie kan gaan met zijn moeder.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

verleent toestemming aan de vrouw - welke toestemming die van de man vervangt - ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument ten behoeve van minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 1999 te [geboorteplaats minderjarige] (Soedan);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, kinderrechter, bijgestaan door mr. J.H. van Berkel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

30 juni 2011.