Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4869

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
395699 - KG ZA 11-648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde verbod om de vervangende hechtenis van eiser ten uitvoer te leggen wordt afgewezen, nu er geen zicht op is dat de aan eiser opgelegde schadevergoedingsmaatregelen binnen een redelijke termijn als bedoeld in de 'Aanwijzing executie' zullen worden voldaan. Het beroep van eiser op rechtsongelijkheid wordt verworpen. Het CJIB handelt niet onrechtmatig door geen betalingsregeling met eiser te treffen en de vervangende hechtenis te executeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 395699 / KG ZA 11-648

Vonnis in kort geding van 25 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

verblijvende in de [vestigingsplaats], locatie [X.],

eiser,

advocaat mr. H.P. Ruysink te Bunde,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Gijselaar te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 juli 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij arrest van 26 november 2007 heeft de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden. Het Gerechtshof heeft aan [eiser], alsmede, bij afzonderlijke arresten, aan zijn mededaders [dader 2], hierna '[dader 2]' en [dader 3] - hoofdelijk - een drietal schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van in totaal € 63.677,48, bij gebreke van betaling te vervangen door in totaal 365 dagen hechtenis, zijnde het in dit geval geldende wettelijke maximum. Het arrest is op 26 juni 2008 onherroepelijk geworden.

1.2. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau, hierna 'CJIB'. Bij brief van 13 juli 2008 is [eiser] aangeschreven voor de voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen.

1.3. [eiser] heeft bij brief van zijn advocaat van 5 augustus 2008 aan het CJIB een betalingsvoorstel gedaan, welk voorstel bij brief van 11 augustus 2008 door het CJIB is afgewezen, omdat - kort gezegd - de door [eiser] voorgestelde regeling er niet toe zou leiden dat het totale bedrag van de schadevergoedingsmaatregelen binnen een redelijke termijn zou zijn betaald. Op 1 september 2008, 18 oktober 2008 en 8 december 2008 heeft het CJIB [eiser] aangeschreven om de schadevergoedingsmaatregelen, inclusief de wettelijk voorgeschreven verhoging, te voldoen.

1.4. [eiser] is niet overgegaan tot betaling van de schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft de zaak hierop aangeboden voor tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

1.5. In een eerdere kort gedingprocedure voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] gevorderd de Staat te verbieden de vervangende hechtenis tenuitvoer te leggen en de Staat te veroordelen tot het treffen van een betalingsregeling. In die procedure is de Staat in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken, hetgeen is gebeurd bij brief aan de voorzieningenrechter van 6 augustus 2010. In die brief is - voor zover hier relevant - het volgende vermeld:

"(...)

1.7 Gelet op deze voor het CJIB nieuwe informatie, moet het CJIB constateren dat zij onvoldoende de voortgang van de afhandeling van het incassotraject door de deurwaarder heeft bewaakt. Het deurwaarderskantoor Agin Otten, dat door het CJIB voor de incassofase van [dader 2] is ingeschakeld, had in het licht van de gegeven omstandigheden niet de betalingsregeling met [dader 2] overeen mogen komen zoals hij heeft gedaan, omdat onder deze omstandigheden geen uitzicht bestaat op voldoening van de schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn. De deurwaarder had moeten vaststellen dat ook [dader 2] onvoldoende verhaalsmogelijkheden biedt. De deurwaarder had de zaak derhalve moeten retourneren aan het CJIB.

Het CJIB is dan ook voornemens om de huidige betalingsregeling die [dader 2] met de deurwaarder is overeengekomen te beëindigen. Het CJIB zal de deurwaarder opdracht geven [dader 2] aan te spreken op betaling van een bedrag dat aanzienlijk hoger ligt dan het huidige bedrag, zodat uitzicht bestaat op voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen binnen een redelijke termijn. Indien hij niet aan dit voorstel voldoet, zal (ook) ten aanzien van [dader 2] de incassofase worden beëindigd en zal de vervangende hechtenis ter executie worden aangeboden aan de P.I.

(...)"

1.6. Bij vonnis van 20 augustus 2010 heeft de voorzieningenrechter de onder 1.5. genoemde vorderingen afgewezen. [eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

1.7. Sinds 15 maart 2011 verblijft [eiser] in detentie in verband met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te verbieden de vervangende hechtenis verder te executeren, alsmede de Staat te veroordelen tot het treffen van een afbetalingsregeling met [eiser], met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. De Staat heeft met betrekking tot de invordering bij [dader 2] lang stil gezeten, terwijl de vervangende hechtenis van [eiser] meteen tenuitvoer is gelegd. Ondanks de toezegging in de brief van 6 augustus 2010 dat de Staat de betalingsregeling met [dader 2] zou beëindigen, geldt er nog altijd een regeling op grond waarvan [dader 2] een bedrag van ruim € 3.000,-- per maand aan het CJIB betaalt, terwijl [eiser] geen betalingsregeling mag treffen. Derhalve is sprake van rechtsongelijkheid, die de Staat welbewust in stand laat, hetgeen onrechtmatig is jegens [eiser]. Voorts is artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) inmiddels gewijzigd, in die zin dat het vierde lid is geschrapt. Dit betekent dat er geen maximum meer verbonden is aan het aantal maanden waarbinnen een schadevergoedingsmaatregel voldaan dient te zijn. De Staat heeft derhalve ten onrechte de omstandigheid dat [eiser] de schadevergoedingsmaatregel niet binnen een termijn van 27 maanden zou kunnen voldoen als argument gebruikt voor het weigeren van een betalingsregeling.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. De Staat heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, aangezien hij deze reeds in een eerder kort geding aanhangig heeft gemaakt, zodat hij thans misbruik maakt van zijn procesbevoegdheid. [eiser] heeft echter naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige kort geding nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn vorderingen ten grondslag legt. Het beroep van de Staat op niet-ontvankelijkheid wordt daarom verworpen.

3.3. Kern van het geschil betreft de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen en geen betalingsregeling ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen te accepteren.

3.4. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB onder meer belast met de executie van rechterlijke beslissingen waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

3.5. Uit artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. De wijze waarop het CJIB schadevergoedingsmaatregelen ten uitvoer legt is (thans) neergelegd in de 'Aanwijzing executie' (Staatscourant 21 december 2010, 20473), hierna 'de Aanwijzing'. In de Aanwijzing is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan hiervan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregelingen treft, tenzij een verzoek om een betalingsregeling op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Verder bepaalt de Aanwijzing dat een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd indien de inning en/of het verhaal met/zonder dwangbevel niet succesvol kan worden afgesloten. Het CJIB heeft in deze een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.6. In het onderhavige kort geding heeft [eiser] naar voren gebracht dat de Staat de rechtsongelijkheid tussen hem en [dader 2] ten onrechte in stand laat, door met [dader 2] wel en met [eiser] geen betalingsregeling te treffen. De Staat heeft aangevoerd dat weliswaar aanvankelijk met [dader 2] een betalingsregeling is getroffen, maar dat deze niet is nagekomen, zodat op 7 juli 2011 een arrestatiebevel jegens [dader 2] is uitgevaardigd. Ook ten aanzien van [dader 2] zal dientengevolge worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Onder die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat van de door [eiser] gestelde rechtsongelijkheid voorshands onvoldoende is gebleken. Dat [dader 2] gedurende een langere periode in vrijheid is geweest dan [eiser], zoals [eiser] heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af. De Staat heeft immers genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de situatie van [dader 2] op essentiële punten verschilt van die van [eiser], aangezien [dader 2], anders dan [eiser], wel een met bewijsstukken onderbouwd betalingsvoorstel heeft gedaan en ook daadwerkelijk heeft betaald. Daar komt bij dat [dader 2], evenals [eiser], de vervangende hechtenis die aan hem is opgelegd zal moeten ondergaan. Indien [eiser] de aan hem opgelegde vervangende hechtenis eerder heeft ondergaan dan [dader 2] de aan hem opgelegde vervangende hechtenis, zal [eiser] eerder in vrijheid worden gesteld.

3.7. Voorts heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het door de afschaffing van artikel 561 lid 4 Sv thans mogelijk is een betalingsregeling te treffen die langer duurt dan de oorspronkelijk toegestane termijn van maximaal 27 maanden. Hiertegenover heeft de Staat naar voorlopig oordeel echter voldoende aannemelijk gemaakt dat de betalingen en de verhaalsmogelijkheden ook in de huidige regeling zodanig dienen te zijn dat aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel binnen niet al te lange tijd volledig wordt voldaan. De advocaat van [eiser] heeft ter zitting verklaard dat [eiser] in staat moet zijn om een bedrag van € 1.000,-- per maand aan het CJIB te betalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met een dergelijk termijnbedrag onvoldoende aannemelijk is dat de schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn wordt voldaan. Daar komt bij dat ingevolge vast beleid in beginsel geen betalingsregeling meer wordt getroffen indien de veroordeelde de vervangende hechtenis reeds ondergaat (zie ook de Aanwijzing, bijlage 3, onder 4). Volgens vaste jurisprudentie kan dat beleid niet als onrechtmatig worden aangemerkt, onder meer, omdat een ander beleid ertoe zou (kunnen) leiden dat veroordeelden ermee kunnen volstaan om met het aanbieden van een betalingsregeling te wachten tot hun arrestatie. Een en ander leidt vooralsnog tot de slotsom dat op goede gronden niet (meer) is ingegaan op het voorstel van [eiser] tot het treffen van een betalingsregeling.

3.8. Gelet op het voorgaande is voorshands niet aannemelijk geworden dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.

3.9. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.384,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 568,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2011.

mvt