Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4835

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/23535
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring wordt opgeheven, omdat de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit geschorst heeft. De bewaring is niet van meet af aan onrechtmatig te achten, omdat uitspraak van de voorzieningenrechter geen terugwerkende kracht heeft. De uitspraak van de voorzieningenrechter is geregistreerd onder AWB 11/23669.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 11/23535

V-nummer: [nummer]

Inzake: [naam], eiser,

gemachtigde mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. Ch. R. Vink.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Surinaamse nationaliteit te bezitten.

2 Op 19 juli 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

19 juli 2011 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 juli 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.S.M. Rietveld.

4 Bij faxbericht van 27 juli 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht aanvullende informatie over te leggen. Dit antwoord is gevolgd op

28 juli 2011, waarop eiser op 29 juli 2011 heeft gereageerd.

5 Op 4 augustus 2011 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1 Eiser stelt dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure niet ontwijkt of belemmert.

2.1.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) kunnen de lidstaten, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:

b) de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.

2.1.2 Verweerder stelt dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, omdat hij:

(a) niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000),

(b) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft,

(c) veroordeeld is terzake van een misdrijf,

(d) meerdere malen heeft aangegeven Nederland niet te willen en kunnen verlaten. Eiser heeft eerder aangegeven dat hij niet bereid is om de nationaliteitsverklaring van het land van herkomst in te vullen.

Betrokkene heeft onvoldoende middelen van bestaan, waardoor niet aannemelijk kan worden geacht dat hij zelfstandig zijn terugkeer kan realiseren. Betrokkene is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit welke in strijd is met de Nederlandse wet en laat zien dat betrokkene rechtsregels en verplichtingen niet naleeft. Waardoor niet valt in te zien waarom hij de verplichting ten aanzien van meewerking aan zijn voorbereiding uitzetting dan wel uitzettingsprocedure wel zou nakomen.

Betrokkene – hoewel hij zich niet in zijn eigen land bevindt – de mogelijkheid om zijn identiteit vast te stellen op voorhand reeds belemmert. Temeer hij geen activiteiten heeft ondernomen om via zijn familie en/of consulaire/diplomatieke vertegenwoordiging alsnog de juiste documenten te verkrijgen. Door geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben stelt betrokkene zich niet beschikbaar voor voorbereidingen op terugkeer en/of de verwijderingsprocedure.

2.1.3 Niet in geschil is dat eiser geen identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 heeft. Verder staat eiser niet ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgevens. Ook anderszins heeft hij niet aannemelijk gemaakt te beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats. De enkele stelling dat hij thans bij zijn vriendin verblijft, acht de rechtbank in dat kader onvoldoende. Voorts heeft eiser niet weersproken dat hij meerdere malen heeft aangegeven Nederland niet te willen en kunnen verlaten, dat hij niet bereid is een nationaliteitsverklaring in te vullen en dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze gronden, bezien in samenhang met de toelichting die op deze gronden in het besluit tot oplegging van de maatregel is gegeven, kan worden afgeleid dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarmee kan de vraag of eiser kan worden tegengeworpen dat hij is veroordeeld terzake van een misdrijf onbeantwoord blijven.

2.2 Gelet op hetgeen onder 2.1.3 is overwogen heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan bewaring doeltreffend kunnen worden toegepast. Dat eiser een kind heeft leidt niet tot een andersluidend oordeel.

2.3 De enkele omstandigheid dat eiser gezinsleven uitoefent met zijn partner en hun kind, maakt niet dat de bewaring van eiser in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.4 De stelling van eiser dat de bewaring in strijd is met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, is niet onderbouwd. Datzelfde geldt voor zijn stelling dat geen zicht op uitzetting bestaat en verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank gaat daarom aan die stellingen voorbij.

2.5 Bij uitspraak van 10 augustus 2011 (AWB 11/23669) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze nevenzittingsplaats, de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit geschorst totdat op het bezwaar is beslist. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2011 (LJN BP9280) kan de maatregel van bewaring, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn, niet zonder een terugkeerbesluit worden opgelegd. Dat betekent dat de voortduring van de maatregel vanaf 10 augustus 2011 onrechtmatig moet worden geacht. De bewaring is niet van meet af aan onrechtmatig, nu de schorsing van de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit geen terugwerkende kracht heeft. Voor het toekennen van schadevergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

2.6 Het beroep is gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 10 augustus 2011.

2.7 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 augustus 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding af;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Simi, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 10 augustus 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: