Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4660

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
AWB-10_35694 en AWB-10_18259
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vrijstelling mvv-vereiste, 8 EVRM, kinderen geworteld in de Nederlandse samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangen van eiseres niet opwegen tegen het algemeen belang van de staat bij de uitzetting van eiseres. De belangen van de staat wegen in dit geval weliswaar zwaar, mede gelet op de omstandigheid dat eiseres nimmer rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad en dat zij haar gezinsleven is begonnen en nadere invulling heeft gegeven tijdens dit niet legale verblijf. Desondanks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet op goede gronden de belangenafweging in het nadeel van eiseres mogen laten uitvallen, waarbij de rechtbank met name de belangen van de kinderen in aanmerking neemt. In dit kader acht de rechtbank vooral van belang dat niet in geschil is dat de kinderen van eiseres de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij zijn bovendien alle drie hier geboren en opgegroeid, zijn nimmer in Ghana geweest en spreken de Ghanese taal amper. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank van groot belang dat de oudste twee kinderen 10 en 12 jaar oud zijn. Bij kinderen van deze leeftijd kan, anders dan door verweerder is betoogd, niet worden volgehouden dat zij niet sterk geworteld zijn in de Nederlandse samenleving. Daarnaast is relevant dat de partner van eiseres eveneens de Nederlandse nationaliteit bezit, dat zij gedeeld ouderlijk gezag hebben over de kinderen, samenleven als gezin en dat eiseres de zorg voor de kinderen heeft. Verweerder heeft eiseres dan ook ten onrechte niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/35694 (beroep)

AWB 10/18259 (voorlopige voorziening)

V-nr.: [V-nr]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [1968], van Ghanese nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Schelfaut, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met als doel “uitoefenen van gezinsleven met Nederlandse partner en kinderen” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

12 oktober 2010 ongegrond verklaard.

Op 13 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 20 mei 2010 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat in hoogste instantie, althans op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nader te reageren op wat eiseres ter zitting heeft aangevoerd. Verweerder heeft bij brief van 14 april 2011 gereageerd. Bij brief van 20 april heeft eiseres haar reactie kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter zitting is, in meervoudige samenstelling, hervat op 31 mei 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

Eiseres is in 1998 Nederland binnengekomen. Zij verblijft hier te lande samen met haar partner [partner] en hun drie kinderen [kind 1], geboren op [1998], [kind 2], geboren op [2000], en [kind 3], geboren op [2005]. De partner en de kinderen van eiseres hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1. Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). In het tweede lid wordt uitwerking gegeven aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Op grond van het tweede lid, onder l, van dit artikel is van het vereiste te bezitten over een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou zijn.

1.2. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- of gezinsleven. Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Wel worden partijen - onder meer - verdeeld gehouden over de vraag of eiseres van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000. Dat tussen eiseres en haar partner en kinderen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is niet in geschil.

3.1. Aan de orde is daarom of artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de uitzetting van eiseres. Bij de te verrichten beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM dient volgens vaste jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat. Bij deze afweging komt aan de staat een zekere beoordelingsvrijheid toe.

3.2. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM zich in dit geval verzet tegen de uitzetting van eiseres dient de rechtbank dan ook te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en - indien dit het geval is - of verweerder zich, gelet op de “fair balance” die gevonden moet worden tussen de verschillende belangen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitzetting van eiseres niet strijdig zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Dit toetsingskader impliceert een enigszins terughoudende beoordeling van de kant van de rechtbank.

4.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de te verrichten belangenafweging heeft betrokken. Zo is verweerder onder meer ingegaan op de nationaliteit van de kinderen en de partner, de leeftijd van de kinderen en de omstandigheid dat zij hier te lande schoolgaand zijn. Ook heeft verweerder aandacht besteed aan de medische situatie van de jongste dochter.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de belangen van eiseres niet opwegen tegen het algemeen belang van de staat bij de uitzetting van eiseres. De belangen van de staat wegen in dit geval weliswaar zwaar, mede gelet op de omstandigheid dat eiseres nimmer rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad en dat zij haar gezinsleven is begonnen en nadere invulling heeft gegeven tijdens dit niet legale verblijf. Desondanks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet op goede gronden de belangenafweging in het nadeel van eiseres mogen laten uitvallen, waarbij de rechtbank met name de belangen van de kinderen in aanmerking neemt. In dit kader acht de rechtbank vooral van belang dat niet in geschil is dat de kinderen van eiseres de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij zijn bovendien alle drie hier geboren en opgegroeid, zijn nimmer in Ghana geweest en spreken de Ghanese taal amper. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank van groot belang dat de oudste twee kinderen 10 en 12 jaar oud zijn. Bij kinderen van deze leeftijd kan, anders dan door verweerder is betoogd, niet worden volgehouden dat zij niet sterk geworteld zijn in de Nederlandse samenleving. Daarnaast is relevant dat de partner van eiseres eveneens de Nederlandse nationaliteit bezit, dat zij gedeeld ouderlijk gezag hebben over de kinderen, samenleven als gezin en dat eiseres de zorg voor de kinderen heeft. Verweerder heeft eiseres dan ook ten onrechte niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000.

5. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1529,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/35694,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/18259,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 300,-- (zegge: driehonderd euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1529,50 (zegge: vijftienhonderd negenentwintig euro en vijftig cent), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. H.B. van Gijn en C.W.M. Giesen, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2011.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.