Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4534

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2011
Datum publicatie
09-08-2011
Zaaknummer
11/1673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat verweerders beleid ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op het arrest van het EHRM in de zaak van M.S.S. tegen België en Griekenland, nog immer toepasbaar is, met dien verstande dat de vreemdeling ook louter op grond van algemene informatie over opvang- en detentieomstandigheden en de kwaliteit van de asielprocedure in de ontvangende lidstaat concrete aanknopingspunten kan bieden op grond waarvan kan worden getwijfeld of de voor de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt. Hiervoor vindt de rechtbank tevens steun in de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 25 februari 2011. In de overgelegde algemene rapporten, noch in het individuele asielrelaas van eiser zijn aanknopingspunten gelegen dat eiseres geen toegang zal krijgen tot opvang of medische voorzieningen. Anders dan eerder door deze rechtbank en zittingsplaats is geoordeeld is de rechtbank thans van oordeel dat het enkele feit dat door het EHRM in het kader van een interim measure vragen zijn gesteld aan de betreffende lidstaten, nog niet wil zeggen dat deze niet naar tevredenheid van het EHRM zijn of zullen worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 1673

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 juli 2011

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. P. van den Berg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 23 maart 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 13 januari 2011 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit op 14 januari 2011 beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 februari 2011 (AWB 10 / 1675) is de op 14 januari 2011 door eiseres gevraagde voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat de overdracht van eiseres aan Italië achterwege dient te blijven tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 14 april 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen, omdat verweerder de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk acht voor de behandeling van haar aanvraag. Volgens verweerder is er geen reden de asielaanvraag met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening in Nederland in behandeling te nemen. Daartoe stelt verweerder zich onder meer op het standpunt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan mag worden dat Italië zijn internationale verplichtingen naleeft. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat dit niet het geval is. Eiseres is daarin niet geslaagd.

2.3 Niet in geschil is dat de Italiaanse autoriteiten op grond van de in hoofdstuk III van de Verordening neergelegde criteria verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.

2.4 Eiseres betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte geen aanleiding ziet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek aan zich te trekken. Zij voert hiertoe aan dat de presumptie dat Italië zijn internationale verplichtingen ten aanzien van opvang, medische voorzieningen en de toegang tot de asielprocedure voor asielzoekers naleeft, moet wijken. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (nr. 30696/09) en de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2011 (nr 201100012/2/V3). Eiseres verwijst in dit verband verder onder meer naar diverse rapporten inzake Italië, toegewezen interim measures van het EHRM van 14 januari 2010, 13 augustus 2010 en 17 augustus 2010, alsmede naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 16 september 2010 (AWB 10/20733) en de prejudiciële vragen van 12 augustus 2010 van het Court of Appeal van Engeland en Wales aan het Hof van Justitie omtrent het toepassingsbereik van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.

2.5 Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Verordening neergelegde criteria niet verplicht.

2.6 Verweerders beleid terzake is neergelegd in de paragrafen C3/2.3.6.1 en C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc). Blijkens dat beleid wordt er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van voornoemd artikellid van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

2.7 De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland volgt dat indien een vreemdeling concrete aanknopingspunten biedt op grond waarvan eraan getwijfeld kan worden of de ontvangende lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt, het aan de overdragende lidstaat is om deze twijfels weg te nemen. Indien dit niet lukt, mag de overdragende lidstaat niet langer volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en vervolgens overgaan tot overdracht aan de ontvangende lidstaat. Daarbij heeft het EHRM, anders dan verweerders betoog ter zitting dat er altijd (tevens) sprake dient te zijn van individuele aspecten, geoordeeld dat ook louter door middel van een beroep op algemene informatie over de opvang- en detentieomstandigheden en de kwaliteit van de asielprocedure in de ontvangende lidstaat voornoemde concrete aanknopingspunten kunnen worden aangedragen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het hiervoor onder rechtsoverweging 2.6 weergegeven beleid van verweerder nog immer toepasbaar, met dien verstande dat de vreemdeling ook op grond van enkel algemene stukken concrete aanknopingspunten kan bieden op grond waarvan eraan kan worden getwijfeld of de voor de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt. Voor dit oordeel vindt de rechtbank tevens steun in de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 25 februari 2011, welke uitspraak is gedaan in vervolg op de uitspraak van de Voorzitter van Afdeling van 27 januari 2011 waarop eiseres zich heeft beroepen.

2.8 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat eraan moet worden getwijfeld of Italië zijn internationale verplichtingen nakomt de volgende stukken overgelegd:

- de brief van de commissie van Kerken en de Conferentie van Europese kerken in Europa van 26 februari 2010;

- het rapport van de Commissaris voor de mensenrechten Thomas Hammarberg van 16 april 2009, het rapport van Artsen zonder Grenzen van januari 2010 ‘Over the Wall: A tour of Italy’s migrant centres’;

- het artikel ‘Asiel in Zuid-Europa: het Italiaanse asielsysteem in het kader van de EU-wetgeving’ van mr. A. Ricci Ascolli in de Nieuwsbrief Asiel- en Vluchtelingenrecht (NAV) nr. 3 van juni 2009, p. 176-186; en

- het rapport van 28 februari 2011 van Pro-Asyl ‘Zur Situation von Flüchtlingen in Italien’.

2.9 De inhoud van voornoemde rapporten biedt naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan eraan getwijfeld kan worden of Italië zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen.

2.10 Het rapport van Thomas Hammarberg van 16 april 2009 en het artikel van mr. A. Ricci Ascoli van juni 2009 zijn betrokken in de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2009 (LJN: BK2300, BK2240 en BK2296), waarbij is geoordeeld dat hierin geen concrete aanknopingspunten zijn te vinden dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De rechtbank verwijst naar de overwegingen in die uitspraken.

2.11 De brief van de commissie van Kerken en de Conferentie van Europese kerken in Europa vormt evenmin een concreet aanknopingspunt, nu deze enkel een verzoek betreft gericht aan een aantal Europese instellingen en onduidelijk is op welke informatie de brief is gebaseerd.

2.12 Ook uit het rapport van Artsen zonder Grenzen van januari 2010 blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 25 februari 2011 (201100012/3). Ter zitting heeft eiseres desgevraagd meer specifiek verwezen naar pagina 3 van het rapport, waaruit volgens haar blijkt dat in Italië voor asielzoekers een tekort is aan medische zorg en rechtsbijstand. Die conclusie kan uit het rapport evenwel niet worden getrokken. Weliswaar blijkt uit de door eiseres aangehaalde passage dat Artsen zonder Grenzen meent dat de organisatie van voorzieningen voor asielzoekers in de opvangcentra, waaronder medische zorg en rechtsbijstand, tekortschiet en dat het ontbreekt aan centraal toezicht, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat er concrete aanwijzingen zijn dat aan vreemdelingen die aan Italië worden overgedragen in het kader van de Verordening, zoals eiseres, geen medische zorg of rechtsbijstand zal worden verleend of dat de kwaliteit van medische zorg die in Italië aan asielzoekers wordt verleend, niet voldoet aan de vereisten die, op grond van de internationale verplichtingen die op Italië rusten, daaraan mogen worden gesteld. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat een asielzoeker, voor zover hem de noodzakelijke medische zorg niet of onvoldoende wordt verleend, daarover niet kan klagen bij de Italiaanse autoriteiten.

2.13 Ook in het rapport van Pro-Asyl van februari 2011 zijn geen concrete aanwijzingen gelegen dat de Italiaanse autoriteiten eiseres na aankomst niet zullen opvangen, noch dat zij geen toegang zal kunnen krijgen tot de medische voorzieningen in Italië. Eiseres heeft onder meer verwezen naar passages in het rapport waarin wordt gesproken over Der zugang zum Gesundheitssystem (pagina 20 van het rapport) en Die situation der im Rahmen der Dublin-II-Verordnung nach Italien überstellten (pagina 23 van het rapport). Weliswaar wordt in dit rapport een zorgwekkend beeld geschetst van de positie van vreemdelingen die in Italië internationale bescherming zoeken, in het bijzonder de omstandigheden waaronder zij worden opgevangen, en wordt er onder meer geconstateerd dat er een tekort is aan opvangcapaciteit, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat er concrete aanwijzingen zijn dat de Italiaanse autoriteiten vreemdelingen die worden overgedragen in het kader van de Verordening, zoals eiseres, na aankomst geen opvang en medische zorg zullen bieden. Voorts is gesteld noch gebleken dat een asielzoeker, voor zover hem geen opvang of medische zorg wordt verleend, daarover niet kan klagen bij de Italiaanse autoriteiten.

2.14 Daarnaast zijn er in het individuele relaas van eiseres evenmin aanknopingspunten gelegen voor de stelling van eiseres dat zij geen toegang zal verkrijgen tot medische zorg, nu eiseres zelf heeft verklaard dat zij als gevolg van een auto-ongeluk tijdens haar eerdere verblijf in Italië wel degelijk medische behandeling heeft ontvangen.

2.15 De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde interim measures van het EHRM van 14 januari 2010, 13 augustus 2010 en 17 augustus 2010 moeten worden bezien tegen de achtergrond van het concrete geval waarin ze zijn toegewezen, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat deze betekenis hebben voor alle asielzoekers die worden overgedragen aan Italië. Anders dan eerder door deze rechtbank en zittingsplaats is geoordeeld, onder meer bij uitspraak van 16 september 2010 (AWB 10/20733), is de rechtbank thans van oordeel dat het enkele feit dat door het EHRM vragen zijn gesteld aan de betreffende lidstaten, nog niet wil zeggen dat deze niet naar tevredenheid van het EHRM zijn of zullen worden beantwoord. Ten aanzien van het beroep op de interim measures van 14 januari 2010 en 13 augustus 2010 volstaat de rechtbank met een verwijzing naar het in rechtsoverweging 2.6 genoemde toetsingskader, respectievelijk hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de opvangmogelijkheden en medische voorzieningen voor (overgedragen) asielzoekers in Italië. De interim measure van 17 augustus 2010 betreft een andere situatie dan de casus die nu voorligt. In de zaak die heeft geleid tot voornoemde interim measure ging het immers om een vreemdeling aan wie in Italië een verblijfsvergunning was verleend nadat zij onjuiste informatie had gegeven en de vraag of voor haar in Italië een procedure openstond bij eventuele intrekking van die vergunning. In het geval van eiseres is (de mogelijkheid tot) intrekking van een verblijfsvergunning niet aan de orde. De rechtbank voegt hieraan toe dat verweerder in dit kader terecht heeft aangevoerd dat er nog steeds interim measures met betrekking tot Italië worden afgewezen.

2.16 Dat Italië in twee gevallen een ten aanzien van een vreemdeling getroffen interim measure niet heeft nageleefd, zoals eiseres heeft aangevoerd, betekent niet dat in dat land in het algemeen geen effectieve rechtsmiddelen tegen een mogelijke schending van artikel 3 EVRM kunnen worden aangewend. Daarbij komt dat het in die gevallen ging om vreemdelingen die over zee in Italië op het eiland Lampedusa zijn aangekomen en niet om vreemdelingen, zoals eiseres, die in het kader van de Verordening via de luchthavens van Rome of Milaan worden overgedragen aan Italië.

2.17 Ten aanzien van het beroep op de prejudiciële vragen die het Court of Appeal van Engeland en Wales op 12 augustus 2010 heeft gesteld aan het Hof van Justitie overweegt de rechtbank dat deze vragen zijn gesteld in een zaak waarin overdracht aan Griekenland aan de orde is. Nu de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen dat ten aanzien van Italië, in tegenstelling tot de situatie ten aanzien van Griekenland, geen sprake is van een situatie waarin concrete aanknopingspunten zijn aangevoerd voor twijfel of Italië zijn internationale verplichtingen nakomt bestaat er geen aanleiding om te oordelen dat de door het Court of Appeal gestelde prejudiciële vragen aan overdracht van eiseres aan Italië in de weg staan.

2.18 Eiseres betoogt voorts dat haar medische situatie aan overdracht aan Italië in de weg staat.

2.19 Voor de gevallen, waarin een vreemdeling medische omstandigheden ten grondslag legt aan zijn beroep op artikel 3, tweede lid, van de Verordening, geldt het beleid van verweerder dat is neergelegd in C3/2.3.6.4 Vc. Volgens dit beleid dient te worden onderzocht in hoeverre de gestelde bijzondere omstandigheden leiden tot de conclusie dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn aan die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan de vreemdeling om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat het in het beleid weergegeven uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat.

2.20 Eiseres is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiseres stelt door een bloedtransfusie in een ziekenhuis in Italië besmet te zijn geraakt met HIV, maar heeft geen recent gedateerde medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij is besmet met HIV en hiervoor onder specialistische behandeling is of daarvoor in aanmerking komt. Daarnaast stelt zij psychische problemen te hebben als gevolg van het seksueel misbruik door haar stiefvader. Eiseres heeft ter onderbouwing van deze stelling geen (medische) stukken overgelegd, zodat zij daarin niet kan worden gevolgd. Hetgeen eiseres in dit kader heeft aangevoerd kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat zij met concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat het uitgangspunt in voornoemd beleid van verweerder in haar geval niet opgaat.

2.21 Verder betoogt eiseres dat zij op grond van artikel 3, tweede lid, in samenhang met artikel 15 van de Verordening op humanitaire gronden met haar moeder in Nederland dient te worden herenigd.

2.22 De rechtbank overweegt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres, omdat zij meerderjarig is, niet is aan te merken als gezinslid in de zin van artikel 2, onder i, van de Verordening. Nu eiseres daarnaast wel heeft gesteld, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat, zij afhankelijk is van haar rechtmatig in Nederland verblijvende moeder dan wel dat haar moeder afhankelijk is van eiseres - eiseres heeft ter zitting op dit punt slechts verwezen naar een brief van haar moeder, die niet is overgelegd - voldoet zij niet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 15, eerste en tweede lid van de Verordening. Verweerder heeft hierin dan ook terecht geen grond gezien de behandeling van de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken.

2.23 Ten slotte slaagt evenmin de beroepsgrond van eiseres dat verweerder een nieuw voornemen had dienen uit te brengen, nadat verweerder in het bestreden besluit, zo stelt eiseres, een nieuwe reden voor afwijzing heeft gegeven. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verweerder op pagina 3 van het voornemen reeds heeft overwogen dat eiseres niet valt onder het begrip gezinslid en evenmin een beroep kan doen op artikel 15 van de Verordening en dit standpunt in het bestreden besluit slechts heeft herhaald. De rechtbank volgt verweerders nadere toelichting ter zitting dat in het bestreden besluit enkel afstand is gedaan van de opmerking dat er te weinig informatie beschikbaar was om de moeder te traceren. Nu op dit punt alle dragende overwegingen reeds in het voornemen waren opgenomen, is er geen sprake van een situatie als beschreven in paragraaf C15/6.2 Vc en heeft verweerder geen nieuwe voornemenprocedure hoeven starten.

2.24 Nu geen van de beroepsgronden slaagt, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

2.25 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, voorzitter en mrs. L.M. Kos en A.J. Medze, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. El Aqde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2011.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.