Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4266

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
09/753748-08 en 09/535612-08 (t.t.z. gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Preliminair verweer. De raadsvrouw heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging in de zaak met parketnummer 09/435612-08, omdat zou zijn gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van een goede procesorde en/of de bepalingen zoals neergelegd Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vrijheidsberoving, verkrachting en mishandeling van zijn ex-vriendin. Nadat zij de relatie verbroken had, heeft verdachte aangeefster in haar eigen woning mishandeld en verkracht. Korte tijd hierna heeft hij haar en hun kinderen tegen haar zin meegenomen naar Frankrijk en tenslotte Spanje, waardoor de vrijheidsberoving zeven dagen heeft geduurd. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/753748-08 en 09/535612-08 (t.t.z. gev.)

Datum uitspraak: 4 augustus 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

adres: [adres].

1. Het onderzoek en verhandelde ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 mei 2011 en 21 juli 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Kallen en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. J.I. Echteld, advocaat te Gouda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Namens de benadeelde partij, [aangeefster], heeft mr. G.C. Blom, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel de vordering toegelicht.

1.1 Preliminair verweer van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging in de zaak met parketnummer 09/435612-08, omdat zou zijn gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van een goede procesorde en/of de bepalingen zoals neergelegd Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit). De raadsvrouw voert daartoe - kort samengevat - aan dat aan de procedure tot het verkrijgen van aanvullende toestemming gebreken kleven en dat de daaruit volgende beschikking van de Spaanse overheid op onjuiste gronden is verleend. Tevens stelt zij zich op het standpunt dat het ne bis in idem-beginsel in de weg staat aan de vervolging, aangezien verdachte eerder voor hetzelfde feit van zijn vrijheid zou zijn beroofd. Subsidiair voert zij aan dat, nu in de beschikking ten aanzien van de aanvullende toestemming van de Spaanse strafkamer uitsluitend wordt gerefereerd aan de verkrachting, verdachte niet kan worden vervolgd voor de eenvoudige mishandeling.

1.2 De feiten

Op 5 september 2008 is jegens verdachte een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd op verdenking van wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarna verdachte op 8 september 2008 in Spanje is aangehouden. De Spaanse autoriteiten hebben op 16 september 2008 ingestemd met de overlevering aan Nederland. Verdachte heeft daarbij geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27, tweede lid van het Kaderbesluit. Op 23 september 2008 is verdachte aan Nederland overgeleverd. Hij is op 26 september 2008 in bewaring gesteld, waarna de voorlopige hechtenis op 8 oktober 2008 is opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren ter zake van het feit waarvoor hij is overgeleverd (de wederrechtelijke vrijheidsberoving).

Op 3 november 2008 is verdachte opnieuw aangehouden, ditmaal op verdenking van verkrachting en mishandeling. Voor deze feiten is verdachte op 6 november 2008 in bewaring gesteld. Op 14 november 2008 heeft het Openbaar Ministerie de Spaanse autoriteiten verzocht om verdachte te mogen vervolgen voor verkrachting en mishandeling. Op 4 december 2008 heeft de raadkamer bij deze rechtbank de voorlopige hechtenis opgeheven en verdachte onmiddellijk in vrijheid gesteld, oordelende dat het Openbaar Ministerie nog geen vervolgingsrecht toekomt ter zake van de feiten waarvoor niet is overgeleverd (de verkrachting en de mishandeling).1

Op 24 maart 2009 is verdachte door de rechter-commissaris gehoord in het kader van de overlevering. Verdachte heeft desgevraagd opnieuw aangegeven geen afstand te willen doen van het specialiteitsbeginsel. Ter verkrijging van de aanvullende toetstemming is op 31 maart 2010 een nieuw Europees aanhoudingsbevel uitgebracht. In dit arrestatiebevel zijn de wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting aangekruist als lijstfeiten. De mishandeling wordt afzonderlijk genoemd. Bij beschikking van 9 juni 2010 hebben de Spaanse autoriteiten het verzoek tot aanvulling van de overlevering onder verwijzing naar het arrestatiebevel van 31 maart 2010 ingewilligd.

1.3 Geldend recht

Het specialiteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 27 tweede lid van het Kaderbesluit in beginsel staat in beginsel in de weg aan de vervolging, berechting of vrijheidsberoving van overgeleverde personen voor andere feiten (begaan vóór de overlevering) dan waarvoor de overlevering is toegestaan. Op het uitgangspunt dat alleen kan worden vervolgd voor feiten welke in het Europees arrestatiebevel worden beschreven, wordt in het eerste lid van artikel 27 van het Kaderbesluit een uitzondering geformuleerd voor het geval waarin van de overleverende autoriteit aanvullende toestemming is verkregen. Het specialiteitsbeginsel is op grond van het derde lid onder a van artikel 27 Kaderbesluit echter niet van toepassing indien 'de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd'. Eenzelfde bepaling treft men aan in artikel 14, eerste lid, sub a van de Overleveringswet, waarbij het de overlevering van burgers door Nederland aan de buitenlandse autoriteiten betreft.

1.4 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van bovenstaande bepalingen concludeert de rechtbank dat het specialiteitsbeginsel wordt doorbroken nadat verdachte 45 dagen vrijwillig en in vrijheid op Nederlands grondgebied heeft doorgebracht. Het verstrijken van deze termijn doet het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feiten begaan vóór de overlevering in volle omvang herleven. In de onderhavige zaak is verdachte op 8 oktober 2008 in vrijheid gesteld bij gebrek aan ernstige bezwaren voor het feit waarvoor overlevering is toegestaan en op 3 november 2008 opnieuw van zijn vrijheidberoofd ter zake van nieuwe feiten. Op dat moment was de termijn van 45 dagen nog niet verstreken en heeft de raadkamer van deze rechtbank geoordeeld dat het Openbaar Ministerie nog niet ontvankelijk was ten aanzien van de mishandeling en de verkrachting. Verdachte heeft derhalve enkele weken onrechtmatig in detentie doorgebracht. Doordat verdachte echter ook nadien in Nederland is gebleven, is de termijn van 45 dagen alsnog verstreken. De rechtbank concludeert dan ook dat op 31 maart 2010 ten overvloede door het Openbaar Ministerie om aanvullende toestemming bij de Spaanse autoriteiten is gevraagd. Het uit het specialiteitsbeginsel voortvloeiende vervolgingsbeletsel was toen immers niet meer van kracht. Eventuele gebreken aangaande deze procedure voor het verlenen van aanvullende toestemming doen naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen afbreuk aan ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de tenlastegelegde verkrachting en mishandeling in de zaak met parketnummer 09/435612-08.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook indien men er vanuit gaat dat wel aanvullende toestemming van de Spaanse autoriteiten had moeten worden verkregen, dit niet hoeft te leiden tot partiële niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de mishandeling, zoals de raadsvrouw heeft gesteld. Het feit dat de mishandeling niet uitdrukkelijk is genoemd in de beschikking van de Spaanse strafkamer, staat aan de ontvankelijkheid ter zake van dit feit niet in de weg. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 27 november 2007 (LJN BB3994) bepaald dat de rechter het aanhoudingsbevel bij de uitleg van de beslissing van de overleverende autoriteit mag betrekken. Toestemming gegeven door het overleverende land geldt ten aanzien van alle in het verzoek opgenomen misdrijven, waarbij niet relevant is of de overleverende staat deze misdrijven in de toestemming al dan niet uitdrukkelijk vermeldt. Nu in de toewijzing van de aanvulling op de overlevering expliciet wordt verwezen naar het arrestatiebevel van 31 maart 2010 en daarbij geen voorbehoud wordt gemaakt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overlevering van verdachte door de Spaanse rechter is ingewilligd ten aanzien van alle op het arrestatiebevel genoemde feiten.

Ten aanzien het verweer inzake schending van het ne bis in idem beginsel, overweegt de rechtbank dat ook dit geen doel treft. Op grond van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 3 tweede lid van het Kaderbesluit (geïmplementeerd in artikel 9 Overleveringswet) kan een verdachte niet worden vervolgd of overgeleverd voor een feit waarover reeds eerder - door Nederland of een ander land - ten aanzien van zijn persoon een onherroepelijke beslissing is genomen. Van een zodanige situatie is in casu echter geen sprake, nu over het feit waarvoor verdachte in eerste instantie is overgeleverd (de wederrechtelijke vrijheidsberoving) nog niet onherroepelijk is beslist. Daarenboven kunnen de feiten in de zaak met parketnummer 09/435612-08 niet worden aangemerkt als hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr of artikel 3 tweede lid van het Kaderbesluit. Van een tweede vervolging in strijd met ne bis in idem beginsel is derhalve geen sprake.

De beoordeling dat verdachte na zijn tweede aanhouding enige tijd onrechtmatig in detentie heeft doorgebracht, is voor de rechtbank evenmin aanleiding om te besluiten tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het betreft hierbij immers niet een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Op grond van het bovenstaande verwerpt de rechtbank het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 09/753748-08

hij in of omstreeks de periode van 02 september 2008 tot en met 08 september2008 te [plaats] en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Frankrijk en/of in Spanje opzettelijk [aangeefster] en/of haar kinderen [A] en/of [B] en/of [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [aangeefster] en/of die kinderen (onder valse voorwendselen) in zijn, verdachte's, auto laten plaatsnemen en/of is hij, verdachte, (vervolgens) zonder die [aangeefster]

hiervan (vooraf) in kennis te stellen naar België en/of Frankrijk en/of Spanje gereden, terwijl de deur(en) van die auto niet van binnen uit door die [aangeefster] en/of die kinderen te openen waren en/of die [aangeefster] de Franse en/of Spaanse taal niet machtig is en/of heeft hij, verdachte, die [aangeefster] belemmerd om vrij contact op te nemen/te hebben met familie en/of vrienden;

Parketnummer 535612-08

1.

hij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 01 juli 2000 tot 07 september 2008, althans in of omstreeks de periode november tot en met december 2004 en/of in of omstreeks augustus 2008 te [plaats] en/of elders in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de anus van die [aangeefster] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [aangeefster] heeft beetgepakt en/of

- tegen het lichaam van die [aangeefster] heeft geduwd en/of aan het lichaam van die [aangeefster] heeft getrokken en/of

- die [aangeefster] bij haar keel heeft beetgepakt en/of in de keel van die [aangeefster] heeft geknepen en/of

- die [aangeefster] (met haar hoofd) tegen een muur heeft geduwd en/of gegooid (ten gevolge waarvan die [aangeefster] buiten bewustzijn is geraakt) en/of

- die [aangeefster] op een bed heeft geduwd en/of gegooid en/of

- op die [aangeefster] is gaan zitten en/of

- de polsen van die [aangeefster] heeft vastgepakt en/of

- de voordeur op slot heeft gedaan en/of

- die [aangeefster] heeft geslagen/gestompt

en/of (aldus) voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2000 tot en met 07 september 2008 te [plaats] en/of elders in Nederland opzettelijk zijn levensgezel (te weten [aangeefster]), tegen het lichaam heeft geduwd en/of aan het lichaam heeft getrokken en/of (met haar hoofd) tegen een muur heeft geduwd en/of gegooid en/of (krachtig) bij het lichaam heeft vastgepakt en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of in het lichaam heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. Het bewijs

Parketnummer 09/753748-08 (wederrechtelijke vrijheidsberoving)

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 2 september 2008 tot en met 8 september 2008 schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangeefster] en haar kinderen [A], [B] en [C].

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe - zoals vervat in haar pleitnota - aangevoerd, dat aangeefster uit vrije wil met verdachte naar het buitenland is vertrokken om te proberen hun relatie te redden en dat haar verklaring dat zij niet vrijwillig is meegegaan, onbetrouwbaar is.

3.3 Niet ter discussie staande feiten2

Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting neemt de rechtbank het volgende als vaststaand aan.

Verdachte en aangeefster hebben een relatie gehad, waaruit drie kinderen zijn geboren. In die relatie zijn problemen ontstaan en de relatie is medio juli 2008 door aangeefster beëindigd. Verdachte is uit de gezamenlijke woning vertrokken en aangeefster en de kinderen zijn daar blijven wonen. In de ochtend van 2 september 2008 heeft verdachte een hoeveelheid spullen uit de woning van aangeefster gehaald en in zijn Mercedes Vito bus geladen. Daaronder bevonden zich kampeerspullen, kinderkleding en een voorraad voedsel3.

Omstreeks 12:00 uur heeft getuige [getuige 1] nog met aangeefster gesproken toen ze haar twee oudste kinderen van school kwam ophalen. Aangeefster vertelde toen, dat verdachte haar jongste zoontje [C] had meegenomen, dat dit niet de bedoeling was en dat ze naar verdachte zou gaan om [C] daar weg te halen. Op de opmerking van [getuige 1] dat ze niet alleen moest gaan, antwoordde aangeefster iets als dat ze er toch een keer aan moest geloven en dat ze haar niet altijd kunnen beschermen.4

Rond 17.45 uur dezelfde dag hebben [getuige 2] en [getuige 3] melding gedaan van de vermissing van hun vriendin en buurvrouw [aangeefster] (aangeefster) en haar drie kinderen.5 Op 3 september 2008 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente [plaats] gemeld dat [B] en [A] vanaf dinsdagmiddag 2 september 2008 niet op school waren verschenen. De school was bezorgd omdat de kinderen zonder opgave van redenen -hetgeen ongebruikelijk was- niet waren verschenen en men geen telefonisch contact kon krijgen met het gezin.6

Naar aanleiding van de meldingen heeft de politie op 3 september 2008 om 07.45 uur een onderzoek gedaan in de woning van aangeefster aan de [adres] te [plaats]. In de keuken stonden een aantal keukenkastjes open. Tevens lag er glas op de vloer. De matrassen van de kinderbedjes en het beddengoed waren verdwenen.7

De halfbroer van verdachte en de moeder van aangeefster hebben op 2 en 3 september 2008 sms-berichten ontvangen van verdachte's telefoon en van die van aangeefster.

[getuige 4], de halfbroer van verdachte, ontving de volgende sms-jes van aangeefster:8

- eerst alleen de letter "S", hierna

- "batterij leeg Frankrijk" en daarna:

- "nog ongedeerd ter hoogte van Chambord kids denken dat ze vakantie hebben".

[getuige 5], de moeder van aangeefster, kreeg een sms van het toestel van verdachte met de tekst:

"We hebben tijd met elkaar nodig zonder iedereen erom. We hebben spullen gepakt en zijn er vandoor gegaan. Weten ook nog niet wanneer we terug komen als het weer goed is tussen ons. Ik sms nog wel telefoon staat uit."

Later die dag heeft ze een sms van aangeefster via haar eigen telefoon ontvangen, met de tekst:

"Ben ongedeerd nu ter hoogte van Chambord. Kids denken dat ze op vakantie zijn."9

Op 6 september 2008 heeft [getuige 6], een zakelijke relatie van verdachte, telefonisch contact gehad met aangeefster. Tijdens dit gesprek heeft ze op zijn vraag of ze vrijwillig met verdachte was meegegaan, geantwoord met: "Nee".10

[getuige 7], de moeder van verdachte, heeft op een niet nader genoemd moment een handgeschreven brief, met Franse postzegel en poststempel 4 september 200811, van verdachte ontvangen, waarin hij onder meer schrijft: "mede door de bemoeienissen van iedereen kon ik [aangeefster] niet laten zien en merken hoe veel ik nog van haar hield (...) dus zag ik geen andere keus om iedereen mee te nemen (...) wees maar niet bang worden vanzelf weer terug gebracht, [verdachte]."

Op 8 september 2008 is verdachte op grond van een Europees Arrestatiebevel aangehouden bij de plaats La Jonquera in Spanje12, waar hij toen met aangeefster en de drie kinderen in de auto lag te slapen.13

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte heeft verklaard dat aangeefster vrijwillig met hem is meegegaan om hun relatie te redden. Aangeefster heeft verklaard dat ze niet vrijwillig is meegegaan en dat er geen sprake was van een gezamenlijk plan om naar het buitenland te gaan. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van verdachte en aangeefster voor wat betreft de vrijwilligheid bij aangeefster lijnrecht tegenover elkaar staan. Aan de hand van andere feiten en omstandigheden dient nu te worden beoordeeld of er sprake is geweest van vrijwilligheid of onvrijwilligheid bij aangeefster.

De verklaring van verdachte, dat er een gemeenschappelijk plan bestond, zou kunnen worden ondersteund door het feit dat aangeefster, kort voor 2 september 2008 een cursus Frans heeft gekocht. Volgens aangeefster heeft zij dit op verzoek van verdachte gedaan omdat verdachte voornemens was om in dat najaar in Frankrijk te gaan werken. Voorts kan zijn stelling worden ondersteund door de omstandigheid dat aangeefster, in het weekend voorafgaand aan 2 september 2008, uit eigen beweging twee maal bij verdachte thuis is langsgegaan. Aangeefster heeft hiervoor een andere uitleg gegeven, onder anderen dat ze zijn hulp voor de kinderen nodig had. Wat ook de reden van deze bezoekjes moge zijn geweest, de rechtbank overweegt dat de bezoekjes voor meerdere uitleg vatbaar zijn en derhalve niet uitsluitend als ondersteunend bewijs voor het standpunt van verdachte kunnen worden opgevat.

Aangeefster [aangeefster] heeft op 15 september 2008 aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving van haar en de kinderen. Zij heeft verklaard dat verdachte op 2 september 2008 wat spullen uit haar woning kwam ophalen, wat paste in een eerder gemaakte afspraak hierover. [C], het 2-jarig zoontje van verdachte en aangeefster is met verdachte meegereden in de auto.14 Op enig moment bleek dat het tijd was om de andere kinderen ([A] en [B]) uit school op te halen. Aangeefster is hierop met verdachte naar de school gereden. Het was de bedoeling dat ze hierna zouden doorrijden naar de auto van aangeefster, die geparkeerd stond bij het huis van verdachte. Het liep echter anders.15 Toen aangeefster met de kinderen in de bus van verdachte zat, reed hij een heel andere kant op dan waar aangeefster verwachtte dat hij naartoe zou rijden. Toen aangeefster hem vroeg wat hij ging doen, zei verdachte dat hij wat wilde laten zien.16

Ze zijn blijven rijden tot ze België inreden. Aangeefster kreeg het idee dat het niet goed zat en heeft verschillende keren aan verdachte gevraagd waar ze heen gingen. Op enig moment begon verdachte toen over vakantie. De eerste stop was in Frankrijk. Hier zag aangeefster dat er allemaal spullen achterin de bus stonden.17

Aangeefster heeft enkele sms-berichten verstuurd en heeft nog getracht enkele personen (haar moeder en de broer van verdachte) te bellen, hetgeen niet is gelukt. Op enig moment heeft verdachte de gsm van aangeefster afgepakt en naast zich gelegd bij de portierdeur. Verdachte heeft tegen aangeefster gezegd dat hij haar zou meenemen, ver weg. Ze zou niet weg kunnen gaan omdat zij de taal niet sprak en te ver van huis was. Aangeefster heeft verklaard dat er wel een kans is geweest om weg te komen. Zij had echter de beperking dat ze geen vreemde talen spreekt en zich niet verstaanbaar kon maken en ze moest kiezen om zelf weg te vluchten en de kinderen bij verdachte achter te laten. Dit was voor aangeefster geen optie.18

Ten slotte heeft aangeefster verklaard dat verdachte regelmatig tegen haar had gezegd dat als hij haar niet kon krijgen, dat dan niemand haar zou krijgen, hetgeen verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft beaamd. Met dit in het achterhoofd durfde aangeefster zich niet tegen verdachte te verzetten.19

De rechtbank overweegt dat de hiervoor weergegeven verklaring van aangeefster op meerdere punten ondersteuning vindt in de feiten en omstandigheden zoals deze zijn omschreven onder het kopje "niet ter discussie staande feiten". Hieruit blijkt zonder meer dat aangeefster en de kinderen uiterst plotseling zijn vertrokken. Niemand heeft van aangeefster gehoord dat ze met verdachte en de kinderen op vakantie zou gaan, noch de school, noch de familie, noch de bevriende buren. Uit de inhoud van de sms-berichten, alsmede de verklaring van [getuige 4] - inhoudende dat hij heeft getracht om telefonisch in contact te treden met aangeefster, maar dat dit contact direct werd verbroken - en de verklaring van getuige [getuige 6], maakt de rechtbank op dat aangeefster kennelijk niet in alle vrijheid sms-berichten kon verzenden of telefonisch in contact kon treden met vrienden en familie. De rechtbank overweegt dan ook dat de vaststaande feiten in sterke mate ondersteuning bieden voor de verklaring van aangeefster. Die verklaring wordt bovendien nog ondersteund door het feit dat er kennelijk geen kleding van aangeefster was meegenomen, en dat er geen verzorging was geregeld voor de thuis achtergebleven cavia.20

De verdediging heeft als verweer gevoerd, dat aangeefster meerdere malen in de gelegenheid is geweest om hulp te zoeken of om bij verdachte weg te komen. Aangeefster heeft hierover verklaard, dat zij onderweg gezocht heeft naar auto's met Nederlandse nummerborden, om daar zomogelijk om hulp te vragen, maar dat haar dat niet is gelukt. Ook heeft ze verklaard geen Frans of Spaans te spreken en alleen al daarom niet durfde weg te lopen. Bovendien heeft ze verklaard nooit te hebben willen weggaan zonder haar drie kinderen. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, omdat uit het dossier blijkt dat aangeefster al op jonge leeftijd een relatie kreeg met verdachte, zeer snel daarna haar eerste kind kreeg ( ze was toen 17 jaar oud) en zich daarna jarenlang binnen de relatie heeft geschikt naar omstandigheden, die tenslotte op 5 augustus 2008 21 en op 30 september 2008 22 hebben geleid tot informatieve gesprekken bij de politie over verkrachting, op 13 oktober 2008 tot een aangifte23 wegens verkrachting jegens verdachte en op 18 november 2008 een aanvullende verklaring24. Gelet hierop, overweegt de rechtbank dat aangeefster enerzijds niet in staat was zich tegen verdachte's handelwijze te verzetten, anderzijds oordeelt de rechtbank dat niet valt uit te sluiten dat aangeefster, eenmaal ver van huis, uiteindelijk maar heeft berust in de situatie waarin zij zich bevond. De zogenaamde afspraak die volgens verdachte met aangeefster zou zijn gemaakt om niets bezwarends over verdachte tegen de politie te zeggen, zou ook kunnen worden gezien als eenzelfde vorm van berusting door aangeefster. Het feit dat aangeefster zich aanvankelijk niet kon verzetten, danwel dat zij op enig moment mogelijkerwijs heeft berust in de situatie waarin zij zich bevond, neemt de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte niet weg. Verdachte heeft door de hiervoor omschreven omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank een situatie gecreëerd waarin aangeefster geen andere mogelijkheid zag dan met verdachte mee te gaan en bij hem te blijven. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Al het vorengaande leidt de rechtbank tot de slotsom, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster en haar drie kinderen.

Parketnummer 09/535612-08 (verkrachting en mishandeling)

3.5 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 juli 2000 tot en met 7 september 2008 meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan verkrachting (feit 1) en mishandeling (feit 2) van [aangeefster].

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte van deze feiten de verkrachting en de mishandeling gepleegd in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 heeft begaan en bewezen worden verklaard.

3.6 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft daartoe - zoals vervat in haar pleitnota - aangevoerd, dat van alle feitelijkheden aangeefster de bron is en dat er geen betrouwbaar steunbewijs is. De aangifte en de verklaringen van aangeefster worden betwist vanwege hun onbetrouwbaarheid en de daarin vervatte inconsistenties en tegenstrijdigheden. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Dit heeft hij echter gedaan omdat aangeefster hem vertelde dat hij dit had gedaan. Zelf weet verdachte zich niets van verkrachtingen en mishandelingen te herinneren.

3.7 Niet ter discussie staande feiten25

In de nacht van 8 op 9 augustus 2008 heeft verdachte de nacht doorgebracht bij aangeefster in de woning aan de [adres] te [plaats]. Later die nacht heeft verdachte aangeefster naar het ziekenhuis gebracht.26 In het [ziekenhuis] in [plaats] is aangeefster gezien op de eerste hulp en onderzocht op de verdenking van hoofdletsel. Lichamelijk onderzoek, laboratoriumonderzoek en een hartfilmpje lieten geen afwijkingen zien.27

3.8 De beoordeling van de tenlastelegging

Aangeefster heeft verklaard28 dat zij in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 door verdachte is mishandeld en verkracht. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte die avond laat langs kwam. In de slaapkamer kwam verdachte achter aangeefster aan en begon hij haar beet te pakken. Aangeefster schopte, duwde en sloeg van zich af. De rok van aangeefster is door het getrek en geduw aan de zijkant gescheurd. Tijdens het vechten is aangeefster met haar hoofd tegen de muur geslagen. Vanaf dat moment raakte ze bewusteloos. Toen ze bij kwam, voelde ze overal in haar lichaam pijn en lag ze naakt op haar buik in bed. Aangeefster voelde dat verdachte met zijn penis in haar anus zat. Dit deed pijn. Hierna stopte verdachte zijn penis in de vagina van aangeefster en is doorgegaan tot hij is klaargekomen. Aangeefster heeft vervolgens tegen verdachte gezegd dat hij haar naar een dokter moest brengen omdat het niet goed ging met haar.

Verdachte heeft over de bewuste nacht bij de politie verklaard dat hij zich herinnert dat zij liefdevol naast elkaar lagen en dat toen bij hem 'het licht uit ging'. Op het moment dat verdachte weer bij bewustzijn kwam, smeekte aangeefster om haar naar het ziekenhuis te brengen.29Verdachte heeft tevens verklaard dat hij bij aangeefster blauwe plekken op haar benen heeft gezien van 20 centimeter bij 10 a 15 centimeter. Ook liep aangeefster moeilijk, alsof zij net bevallen was. Verdachte heeft verklaard dat hij kapot was van wat hij haar heeft aangedaan.30Verdachte heeft ten slotte bij de politie verklaard dat hij aangeefster wel heeft verkracht, maar nooit heeft geslagen of geschopt.31

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn bekennende verklaring bij de politie niet klopt en dat hij deze enkel heeft afgelegd omdat aangeefster hem vertelde dat hij haar weer zou hebben verkracht, hij momenten heeft waaraan hij totaal geen herinnering heeft en dat hij aangeefster hierin vertrouwde. Verdachte heeft verklaard dat hij van mening is dat hetgeen aangeefster hem heeft verteld, achteraf bezien, allemaal niet waar is geweest en dat hij ten onrechte van aangeefster heeft aangenomen dat hij haar heeft verkracht.

Om uit te sluiten dat het bewijs van de verkrachting(en) en mishandeling(en) uit een bron voortkomt, moet worden nagegaan of er naast de verklaringen van aangeefster ook andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, die haar aangifte kunnen ondersteunen. Daarbij gaat het met name om de verklaringen van getuige [getuige 2], een vriend van verdachte en aangeefster, getuige [getuige 7], de moeder van verdachte en getuige [getuige 8], een buurvrouw van aangeefster.

De getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard32 dat hij begin juli 2008, nadat aangeefster aan zijn vrouw [vrouw] verteld had, dat ze bij verdachte weg was, van zowel aangeefster als verdachte heeft gehoord dat verdachte haar gedurende 7 jaar regelmatig had verkracht.

Over de gebeurtenissen van vrijdag 8 en zaterdag 9 augustus 2008 heeft hij het volgende verklaard33.

Van verdachte zelf heeft [getuige 2], na zijn terugkeer van vakantie, gehoord dat het weer gebeurd was, hij had haar weer verkracht. [getuige 2] was boos, verdachte had hem een week of drie voor die bewuste vrijdag 8 augustus 2008 verkondigd dat hij het nooit meer zou doen. Verdachte vertelde hem dat hij haar bij de keel had gegrepen, dat ze bewusteloos raakte omdat hij haar met haar hoofd tegen de muur had geslagen en dat hij haar toen heeft genomen. Met hetgeen verdachte tegen hem heeft verteld, is [getuige 2] vervolgens naar aangeefster gegaan. Aangeefster heeft op haar beurt aan hem verteld dat verdachte langs geweest was, dat ze ruzie kregen en dat verdachte haar met haar hoofd tegen de muur had geslagen. Op de vraag of ze verkracht was, heeft aangeefster geantwoord dat ze gebloed had van onder en dat ze bang was dat ze ingescheurd was. Ze wist haast niks meer, want ze was buiten westen geweest. Ze kon niet lopen, want haar bovenbenen deden helemaal pijn. Er zouden ook blauwe plekken op gezeten hebben.

Op zaterdag 9 augustus 2008, de ochtend na het gebeuren, is getuige [getuige 2] nog zelf bij aangeefster geweest, voordat hij op vakantie zou gaan; toen zag hij dat ze liep te wankelen en zag hij dat ze schrammen in haar gezicht had alsof ze ergens tegenaan gekomen was. Ook zag hij blauwe plekken of vingerafdrukken in haar nek. Zij heeft toen gezegd dat ze van de trap was gevallen.

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat hij bij de politie de waarheid heeft gesproken.34

De rechtbank overweegt dat getuige [getuige 2] eerst van verdachte heeft gehoord wat er in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 is gebeurd en daarna van aangeefster. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat de lezingen van zowel aangeefster als van verdachte van die gebeurtenis in grote lijnen overeenkomen.

Getuige [getuige 7], de moeder van verdachte, heeft verklaard35 dat zij op een vrijdagnacht door verdachte werd gebeld en van hem hoorde dat hij in de auto zat en dat hij aangeefster naar het ziekenhuis moest brengen omdat ze was gevallen. Getuige is naar de woning van aangeefster gegaan en heeft gewacht tot verdachte en aangeefster weer thuis waren. Omstreeks half zes in de ochtend kwamen ze terug. Getuige [getuige 7] vond het verhaal over een val van aangeefster ongeloofwaardig. Later die dag is de getuige 's middags bij aangeefster langs gegaan. Ze zag toen dat aangeefster allemaal blauwe plekken op haar lichaam had. Ze zag een grote rode beurse plek op haar borstkas en ze zag vier rode vingerafdrukken op beide bovenarmen. Die avond heeft de getuige bij aangeefster in bed geslapen en zag ze dat de bovenbenen van aangeefster aan de voor en achterkant helemaal blauw waren.

Naast deze getuigenverklaringen bevindt zich in het dossier de verklaring van getuige [getuige 8].36 [getuige 8] heeft verklaard dat ze op zondagavond 10 augustus 2008 bij aangeefster langs is geweest. Bij binnenkomst zag ze dat aangeefster moeilijk, wijdbeens liep. Aangeefster vertelde de getuige dat verdachte in de nacht van vrijdag op zaterdag bij haar thuis is geweest en dat hij haar hoofd tegen de muur had geslagen waardoor ze bewusteloos was geraakt. Ze zei dat verdachte haar seksueel had misbruikt, en dat ze zo moeilijk liep omdat ze van onderen was uitgescheurd. De getuige heeft verklaard dat ze die zondagavond zag dat de bovenarmen van aangeefster onder de blauwe plekken zaten.

In de getuigenverklaringen, die de rechtbank als betrouwbaar aanmerkt, vindt de rechtbank bevestiging van de verklaring van aangeefster dat zij in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 door verdachte is verkracht en mishandeld.

Dat in de eerdergenoemde medische verklaring van de behandelend artsen van het [ziekenhuis] niets over zichtbaar uitwendig letsel van aangeefster wordt vermeld, betekent niet zonder meer dat er dus geen sprake is geweest van letsel, zoals de verdediging heeft aangevoerd.

De rechtbank overweegt dat het kennelijk ging om een oriënterend internistisch en neurologisch onderzoek op verdenking van hoofdletsel als gevolg van een val, zoals verdachte en aangeefster in het ziekenhuis hebben gemeld, en het is aannemelijk dat aangeefster toen niet verder is onderzocht op blauwe plekken op haar lichaam of op letsel van gynaecologische aard.

Vast is komen te staan dat verschillende getuigen, inclusief verdachte, kort na de gebeurtenissen in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 hebben waargenomen dat aangeefster letsel had. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het letsel waarover aangeefster verklaart en dat door de getuigen is waargenomen, is veroorzaakt door verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij een black-out heeft gehad en derhalve van aangeefster heeft aangenomen dat hij haar zou hebben verkracht, en dat hij daarom die verkrachting heeft bekend, niet geloofwaardig. Over de seksuele relatie in het verleden heeft aangeefster verklaard dat zij niets weet van black-outs van verdachte tijdens gewelddadige seks en dat het niet zo was dat zij achteraf aan verdachte moest uitleggen wat er was gebeurd. Bovendien acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte juist als er sprake was van geweld van zijn kant, een black-out kreeg.

De raadsvrouw heeft nog verzocht om, in geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, dan een deskundige te benoemen om de betrouwbaarheid van de aangifte en verklaringen van aangeefster te onderzoeken.

Dit verzoek - eerder door de rechter-commissaris afgewezen - wijst ook de rechtbank af; het behoort immers tot de taak van de rechtbank om verklaringen in het dossier op betrouwbaarheid te onderzoeken. In deze zaak worden de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar beoordeeld, nu deze in voldoende mate worden ondersteund door verklaringen van getuigen, zoals hierboven vastgesteld.

Het voorgaande leidt tot de slotsom, dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich in de nacht van 8 op 9 augustus 2008 schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en mishandeling van aangeefster.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier naast de verklaringen van aangeefster onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat van eerdere verkrachtingen en mishandelingen door verdachte gepleegd in de ten laste gelegde periode. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

3.9 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Parketnummer 09/753748-08

hij in de periode van 02 september 2008 tot en met 08 september 2008 te [plaats] en elders in Nederland en in België en in Frankrijk en in Spanje opzettelijk [aangeefster] en haar kinderen [A] en [B] en [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet die [aangeefster] en die kinderen (onder valse voorwendselen) in zijn, verdachtes, auto laten plaatsnemen en is hij, verdachte, vervolgens zonder die [aangeefster] hiervan vooraf in kennis te stellen naar België en Frankrijk en Spanje gereden, terwijl die [aangeefster] de Franse en Spaanse taal niet machtig is en terwijl hij, verdachte, die [aangeefster] heeft belemmerd om vrij contact op te nemen/te hebben met familie en vrienden;

en de rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Parketnummer 535612-08

1.

hij in de periode van 08 augustus 2008 tot 09 augustus 2008 te [plaats] door geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en de anus van die [aangeefster] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld hierin dat verdachte

- die [aangeefster] heeft beetgepakt en

- tegen het lichaam van die [aangeefster] heeft geduwd en aan het lichaam van die [aangeefster] heeft getrokken en

- die [aangeefster] met haar hoofd tegen een muur heeft geduwd en gegooid (ten gevolge waarvan die [aangeefster] buiten bewustzijn is geraakt)

2.

hij in de periode van 08 augustus 2008 tot en met 09 augustus 2008 te [plaats] opzettelijk zijn levensgezel (te weten [aangeefster]), tegen het lichaam heeft geduwd en aan het lichaam heeft getrokken en met haar hoofd tegen een muur heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving een werkstraf op te leggen, rekening houdend met de gedateerdheid van het feit en de de persoonlijkheidsstoornis NAO. Ten aanzien van de eventuele bewezenverklaring van de verkrachting en de mishandeling heeft de verdediging verzocht omrekening te houden met de periode waarin cliënt onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest en de langdurige onzekerheid over de strafvervolging.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving, verkrachting en mishandeling van zijn ex-vriendin. Nadat zij de relatie verbroken had, heeft verdachte aangeefster in haar eigen woning mishandeld en verkracht. Korte tijd hierna heeft hij haar en hun kinderen tegen haar zin meegenomen naar Frankrijk en tenslotte Spanje, waardoor de vrijheidsberoving zeven dagen heeft geduurd. Doordat familie van verdachte, de buren van aangeefster en de school direct na de verdwijning alarm sloegen is verdachte vervolgens in Spanje aangehouden. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk steeds uitsluitend aan zichzelf gedacht, aan het bevredigen van zijn lustgevoelens en aan zijn verlangen tot herstel van de relatie met aangeefster. Het behoeft geen betoog dat zijn gedrag, dat heeft geleid tot vrijheidsberoving, verkrachting en mishandeling voor aangeefster bijzonder angstige en traumatische ervaringen moeten zijn geweest. Verdachte heeft door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van een jonge vrouw. Slachtoffers van dergelijke delicten ondervinden, naar de ervaring leert, veelal langdurig de psychisch nadelige gevolgen van het gebeurde. Bovendien heeft hij door de plotselinge verdwijning van aangeefster en haar kinderen hevige ongerustheid veroorzaakt in grote kring, als gevolg waarvan politie en justitie in binnen- en buitenland in actie hebben moeten komen. Ook dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 juni 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie en politie voor soortgelijke misdrijven in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, ressort Den Haag, d.d. 9 december 2008, opgemaakt door [reclasseringswerker], reclasseringswerker en de resultaten van het milieuonderzoek, d.d. 11 maart 2009, opgemaakt door [onderzoeker]. De reclassering geeft in haar voorlichtingsrapport de rechtbank in overweging om aan betrokkene een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport d.d. 7 maart 2009, opgemaakt door W.J.L. Lander, klinisch psycholoog en het rapport van gelijke datum van drs. R. Thomassen, psychiater. Beide gedragsdeskundigen komen tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven). Een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid doen zij niet in verband met de ontkenning van verdachte.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten, de sectorale richtlijnen en rechterlijke uitspraken met betrekking tot soortgelijke feiten. Aan de hand daarvan heeft de rechtbank voor de onderhavige feiten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt genomen.

Als bijzondere omstandigheden die in dit geval strafverhogend werken heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving is het verdachte aan te rekenen dat een grote politiemacht is ingezet nadat alarm werd geslagen door familie en buren. De vrees voor een nieuw familiedrama heeft grote onrust veroorzaakt in de omgeving van aangeefster.

Ten aanzien van de verkrachting en mishandeling, geldt de uiterst grove en gewelddadige gedraging van verdachte als strafverzwarend.

Als licht strafverminderend houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte en aangeefster een langdurige relatie met elkaar hebben gehad, dat zij samen drie kinderen hebben gekregen, en dat zij elkaar dus goed kennen. De rechtbank overweegt voorts dat het gaat om relatief oude feiten. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte, zoals hierboven eerder is overwogen, een periode van 3 november 2008 tot en met 4 december 2008 onrechtmatig in detentie heeft doorgebracht.

De omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder voor dergelijke delicten is veroordeeld, acht de rechtbank geen strafverminderende omstandigheid omdat dit reeds in het bovengenoemde uitgangspunt voor straftoemeting is verdisconteerd.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 12.667,00.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.000,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 6.000,00, subsidiair 65 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair tot afwijzing van de vordering geconcludeerd. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het feit dat de materiële schade en de immateriële schade onvoldoende onderbouwd zijn en wegens het ontbreken van causaal verband met het ten laste gelegde.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 4.000,00 toewijzen. De rechtbank heeft hiervoor acht geslagen op vergelijkbare uitspraken uit de ANWB Smartengeldgids 2011.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.000,00.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder parketnummer 09/753748 en het onder parketnummer 09/535612-09 onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.000,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 55, 57, 242, 282, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/753748-08 en de bijdagvaarding met parketnummer 09/535612-08 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit parketnummer 09/753748-08:

wederrechtelijke vrijheidsberoving;

ten aanzien van parketnummer 09/535612-08, feit 1:

verkrachting;

ten aanzien van parketnummer 09/535612-08, feit 2:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangeefster], een bedrag van € 4.000,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.000,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs J.M.J. Keltjens, voorzitter,

H.N. Pabbruwe en M.J. Dubelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong en L. van Staden, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2011.

mr. M.J. Dubelaar is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Rechtbank 's-Gravenhage 5 januari 2009, LJN BG8860.

2Het proces-verbaal waarnaar in dit vonnis wordt verwezen betreft - tenzij anders vermeld - het ambtsedig door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie Hollands Midden opgemaakte proces-verbaal met nummer PL1620/08-007993.

3Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 190.

4Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina 31.

5Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2008, pagina 13.

6Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2008, pagina 14.

7Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2008, pagina 19.

8Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 3 september 2008, pagina's 21 en 22.

9Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], pagina 27.

10Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 9 september 2008, pagina 42.

11Brief verdachte, pagina 146 en 147.

12Proces-verbaal (ambtelijk verslag) d.d. 25 september 2008, pagina 9.

13 Proces-verbaal van verhoor aangever [aangeefster] d.d. 25 september 2008, pagina 204

14Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 152.

15Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 153.

16Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 154.

17Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 155.

18Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 157, 158 en 159.

19Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008, pagina 159.

20 Verklaring [getuige 2], 1 okt 08, pagina 237, een na laatste alinea.

21 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2008, pagina 19 - 21.

22 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2008, pagina 22 -25.

23 Proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2008, pagina 26 - 37.

24 Proces-verbaal van verhoor d.d. 18 november 2008, pagina 7-10.

25Het proces-verbaal waarnaar in dit vonnis wordt verwezen betreft - tenzij anders vermeld - het ambtsedig door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie Hollands Midden opgemaakte proces-verbaal met nummer PL1602/08-009074.

26Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 november 2008, pagina 101.

27Brief met medische informatie [aangeefster], ondertekend door drs. S.M. Khargi, arts voor Maatschappij en Gezondheid, Forensisch geneeskundige, naar aanleiding van een aanvraag medische informatie d.d. 17 december 2008, pagina 11.

28Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] d.d. 13 oktober 2008, pagina 33 en 34.

29Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 november 2008, pagina 101 en 103.

30Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 november 2008, pagina105 en 106.

31Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 november 2008, pagina110.

32Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 oktober 2008, pagina 55 ev.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 oktober 2008, pagina 62 e.v.

34Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 2 december 2010.

35Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 15 oktober 2008, pagina 42 en 43.

36Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 19 oktober 2008, pagina 47-49.