Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4212

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
09-900090-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1039, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is zeer hard en slingerend weggereden in haar personenauto, terwijl zij wist dat verbalisant [A] met zijn arm klem zat in haar autoraam. Als gevolg daarvan is de verbalisant een aanzienlijke afstand meegesleept door de personenauto van verdachte waarna hij uiteindelijk is losgekomen en ten val is geraakt. Hij heeft daarbij letsel opgelopen aan zijn schouder. Verdachte is vervolgens onbesuisd doorgereden, waarbij zij onder meer rode stoplichten en verschillende stoptekens van de politie heeft genegeerd. Verdachtes personenauto is tot stilstand gekomen toen zij tegen een geparkeerde auto aanreed. Zij is daarna achteruit gereden en heeft daarbij een politieauto geraakt, terwijl op dat moment verbalisant [B] met één been in de politieauto en één been buiten deze politieauto stond. Desbetreffende verbalisant heeft ten gevolge hiervan een whiplash opgelopen. Verdachte is in haar zwaar beschadigde personenauto wederom weggereden. Uiteindelijk is verdachte in haar personenauto door een aantal politieauto's tot stilstand gebracht. Uit een ademanalyse op het politiebureau bleek dat verdachte haar personenauto had bestuurd met een boven het wettelijk toegestane promillage hoeveelheid alcohol in haar lichaam. Gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; als bijzondere voorwaarde: toezicht door de reclassering, ook indien dat inhoudt een meldingsgebod bij GGZ Reclassering Palier, deelname aan gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/900090-11

Datum uitspraak: 4 augustus 2011

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans gedetineerd in de 'Penitentiaire Inrichting Vrouwen Breda' te Breda.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 juli 2011.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er hebben zich drie benadeelde partijen gevoegd. De benadeelde partijen [A] en [B] worden bijgestaan door hun raadsvrouwe mr. B.S. van der Klauw, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie mr. M.A. Visser heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, en dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 4 ten laste gelegde schuldig wordt verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel. Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde gevorderd verdachte te veroordelen tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren.

Wat betreft de vorderingen benadeelde partij heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [C] tot een bedrag van € 250,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, ten behoeve van [C].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B] tot een bedrag van € 4.277,32 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.277,32, subsidiair 52 dagen hechtenis, ten behoeve van [B].

Ten slotte heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] voor een bedrag van € 5.862,58. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.862,58, subsidiair 64 dagen hechtenis, ten behoeve van [A].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - dat:

1.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten hoofdagent bij het Korps Landelijke Politiediensten, [A], gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening van het leven te beroven, opzettelijk met een (personen)auto weg is gereden, terwijl voornoemde [A] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens is blijven rijden en/of (extra) gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [A], hoofdagent bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (afwijkende beweeglijkheid/functie schouder door botbreuk schouderkop), heeft toegebracht,

door opzettelijk met een (personen)auto weg te rijden, terwijl voornoemde [A] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens te blijven rijden en/of (extra) gas te geven;

art 304 sub/ahf 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A], hoofdagent bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto weg is gereden, terwijl voornoemde [B] zich met zijn arm, althans een deel van het lichaam, in de (raamopening van de) auto bevond en/of met die personenauto vervolgens is blijven rijden en/of (extra) gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 sub/ahf 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd [B], hoofdagent bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een whiplash en/of kneuzing van de nek en/of nekspieren), heeft toegebracht, door opzettelijk met haar (verdachtes) auto, een (politie)auto te rammen en/of tegen een (politie)auto aan te rijden, terwijl die [B] met een been in die (politie)auto stond en met een (ander) been buiten die politieauto;

art. 304 sub/ahf 2 Wetboek van Strafrecht

art. 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [B], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn/diens bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar, verdachtes auto, een (politie)auto heeft geramd en/of tegen een (politie)auto is gereden,

terwijl die [B] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 sub/ahf 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [B], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van

zijn/haar bediening, heeft mishandeld, door met haar, verdachtes auto, een (politie)auto heeft geramd en/of tegen een (politie)auto is gereden, terwijl die [B] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto en/of twee, althans een of meer, (politie)auto's, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [C] en/of Politie Haaglanden en/of het Korps Landelijke Politiediensten, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar

opzettelijk en wederrechtelijk met haar, verdachtes, auto tegen die auto('s) aan te rijden;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (te weten een (personen)auto, Renault Twingo [kenteken]), daarmee rijdende op het Erasmusplein en/of de Midachtenweg en/of de Zijpendalstraat en/of de Troelstrakade, als volgt heeft gehandeld: zij heeft rijdende op diverse wegen te 's-Gravenhage geen gevolg gegeven aan een voor haar rijrichting bestemd rood licht en/of zij is (een) kruising(en) met een (te) hoge snelheid overgestoken en/of zij heeft (een) stopteken(s) (middels een matrixbord en/of verbaal met behulp van een megafoon en/of met een gericht (dienst)pistool) van de politie genegeerd en/of zij heeft (geparkeerde) auto('s) aangereden en/of zij heeft politievoertuig(en) aangereden (terwijl hier een persoon voor een deel in de auto stond)

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

5.

zij op of omstreeks 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat zij geen opzet heeft gehad om verbalisant [A] van het leven te beroven. Zowel uit de verklaring als de gedragingen van cliënte volgt dat zij louter het opzet heeft gehad om langs verbalisant [B] te rijden.

Zij wilde immers niet mee naar het politiebureau. Nu het vereiste opzet op de dood van verbalisant heeft ontbroken, dient cliënte van het onder feit 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Verdachte is op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage aangesproken op haar rijgedrag door verbalisant [A]. Verdachte bevond zich op dat moment in haar personenauto. Vervolgens heeft verbalisant [A] op enig moment zijn arm door verdachtes autoraam aan de bestuurderszijde gestoken, teneinde het portier te openen. Hierop heeft verdachte gas gegeven en is zij weggereden. Verbalisant [A] kreeg op dat moment zijn arm niet uit het autoraam, waardoor hij door de personenauto werd voortgetrokken en hij genoodzaakt werd om met de rijdende personenauto mee te rennen. Verbalisant [A] heeft verdachte meermalen gemaand te stoppen. Verdachte heeft hieraan geen gehoor gegeven. Zij heeft daarentegen juist haar snelheid verhoogd, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting afgespeelde camerabeelden van het voorval. Tevens heeft verdachte met de personenauto een scherpe bocht naar links genomen, terwijl verbalisant [A] zich op dat moment nog aan de linkerzijde van de personenauto bevond en met zijn arm nog vastzat. Direct hierop heeft zij de personenauto naar de linkerzijde van de weg gestuurd, waar op dat moment meerdere geparkeerde auto's en paaltjes stonden. Verbalisant [A] heeft al die tijd moeten meerennen met de auto om niet ten val te komen. Uiteindelijk, toen hij zijn arm kon losmaken, is hij hard ten val gekomen op het wegdek. Verdachte heeft over het voorgaande bij de politie desgevraagd onder meer verklaard dat zij, toen verbalisant [A] 'aan haar raam hing', dacht: 'Wat moet ik hier mee, gewoon doorgassen hij laat vanzelf wel los'.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte is weggereden, terwijl zij wist dat verbalisant [A] zich met één arm in haar auto bevond. Voorts heeft zij haar snelheid verhoogd en een scherpe bocht naar links genomen, terwijl verbalisant [A] zich nog immer aan de linkerzijde van de auto bevond. Ten slotte heeft zij de personenauto in de richting van geparkeerde auto's en enkele paaltjes gestuurd. Door aldus te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verbalisant ofwel onder haar personenauto, ofwel tussen haar personenauto en de geparkeerde auto's en/of paaltjes terecht zou kunnen komen. Zowel naar uiterlijke verschijningsvorm als naar algemene ervaringsregels is hiermee een als aanmerkelijk te beschouwen kans op dodelijk letsel in het leven geroepen. Verondersteld mag worden dat ook bij verdachte ten tijde van het wegrijden wetenschap bestond van de aanmerkelijke kans dat zo'n gevolg kon intreden. Door desondanks te handelen op bovenbeschreven wijze, heeft verdachte die aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman en acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) geeft een opsomming van omstandigheden die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Voor zover voor deze strafzaak van belang betreft het de omstandigheid dat sprake is van ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en de omstandigheid van voortdurende ongeschiktheid tot de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden. Deze bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die omstandigheden het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (zie HR 14 februari 2006, LJN AU8055). Daarbij wegen factoren mee als de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Uit een geneeskundige verklaring d.d. 31 januari 2011 betreffende verbalisant [B] blijkt dat er sprake is van een kneuzing van de nek en nekspieren. Verbalisant [B] heeft op 18 februari 2011 verklaard dat hij ten gevolge van het handelen van verdachte op 23 januari 2011 een whiplash heeft opgelopen, dat hij drie weken niet heeft kunnen werken, dat hij pijn-, vermoeidheids- en concentratieklachten heeft, dat hij in behandeling is bij de huisarts, dat hij orthopedische therapie krijgt en dat de vooruitzichten van de duur van zijn herstel nog onbekend zijn. In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2011 heeft verbalisant [B] gerelateerd dat hij na het ongeval in verband met nek- en rugklachten een aantal weken rust heeft moeten houden, dat hij sindsdien per week slechts 3 dagen van 3 uur werkt, dat de klachten zijn afgenomen, maar dat hij nog steeds pijn- en vermoeidheidsklachten heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verbalisant [B] ten gevolge van het handelen van verdachte serieus letsel heeft bekomen. Teneinde echter te kunnen concluderen dat tevens sprake is van (een van) hiervoor genoemde omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr., biedt het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten. Hiervoor is thans onvoldoende bekend over de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, acht de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en zal zij verdachte hiervan vrijspreken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

1.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [A], hoofdagent bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening van het leven te beroven, opzettelijk met een personenauto weg is gereden, terwijl voornoemde [A] zich met zijn arm in de raamopening van de auto bevond en met die personenauto vervolgens is blijven rijden en extra gas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [B], in dienst bij het Korps Landelijke Politiediensten, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met haar, verdachtes auto, tegen een (politie)auto is gereden, terwijl die [B] met een been in die auto stond en met een been buiten de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto en twee politieauto's, toebehorende aan [C] en/of Politie Haaglanden en/of het Korps Landelijke Politiediensten, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk met haar, verdachtes, auto tegen die auto's aan te rijden;

4.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto, Renault Twingo [k[kenteken]]), daarmee rijdende op het Erasmusplein en de Midachtenweg en de Zijpendalstraat en de Troelstrakade, als volgt heeft gehandeld: zij heeft rijdende op diverse wegen te 's-Gravenhage geen gevolg gegeven aan een voor haar rijrichting bestemd rood licht en zij is kruisingen met een te hoge snelheid overgestoken en zij heeft stoptekens (middels een matrixbord en verbaal met behulp van een megafoon en met een gericht dienstpistool) van de politie genegeerd en zij heeft een geparkeerde auto aangereden en zij heeft politievoertuigen aangereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt;

5.

zij op 23 januari 2011 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich aan een reeks zeer ernstige misdrijven en een overtreding schuldig gemaakt.

Verdachte is op 23 januari 2011 zeer hard en slingerend weggereden in haar personenauto, terwijl zij wist dat verbalisant [A] met zijn arm klem zat in haar autoraam. Als gevolg daarvan is de verbalisant een aanzienlijke afstand meegesleept door de personenauto van verdachte waarna hij uiteindelijk is losgekomen en ten val is geraakt. Hij heeft daarbij letsel opgelopen aan zijn schouder. Verdachte is vervolgens onbesuisd doorgereden, waarbij zij onder meer rode stoplichten en verschillende stoptekens van de politie heeft genegeerd. Verdachtes personenauto is tot stilstand gekomen toen zij tegen een geparkeerde auto aanreed. Zij is daarna achteruit gereden en heeft daarbij een politieauto geraakt, terwijl op dat moment verbalisant [B] met één been in de politieauto en één been buiten deze politieauto stond. Desbetreffende verbalisant heeft ten gevolge hiervan een whiplash opgelopen. Verdachte is in haar zwaar beschadigde personenauto wederom weggereden. Uiteindelijk is verdachte in haar personenauto door een aantal politieauto's tot stilstand gebracht. Uit een ademanalyse op het politiebureau bleek dat verdachte haar personenauto had bestuurd met een boven het wettelijk toegestane promillage hoeveelheid alcohol in haar lichaam.

[A] heeft ter terechtzitting, zichtbaar emotioneel aangedaan, verklaard dat hij op 23 januari 2011 in zijn beleving de dood in de ogen heeft gekeken en nog steeds kampt met zowel lichamelijke als geestelijke klachten. [B] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als gevolg van het voorval tot op heden nog immer lichamelijke klachten ondervindt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat feiten als de onderhavige door slachtoffers als buitengewoon beangstigend en bedreigend worden ervaren en dat te verwachten valt dat zij, zoals ook in deze specifieke situaties, nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is overkomen. Feiten zoals door verdachte begaan, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter met zich mee en brengen daarnaast in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. Dat er als gevolg van het uiterst riskante rijgedrag van verdachte geen overige verkeersongevallen hebben plaatsgevonden, is in het geheel niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft er werkelijk alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie en heeft zich daarbij niets gelegen laten liggen aan de belangen van anderen. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 25 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het recente verleden meermalen is veroordeeld, voornamelijk vanwege vermogensdelicten.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 16 juni 2011 van GGZ Reclassering Palier, opgesteld en ondertekend door [reclasseringswerker], reclasseringswerker, en [leidinggevende], leidinggevende.

De reclassering geeft aan dat verdachte een moeilijke jeugd heeft gehad, die werd beïnvloed door de psychiatrische klachten van verdachtes moeder. Verdachte is op zeer jonge leeftijd moeder geworden en kreeg vervolgens een relatie met een drugsverslaafde en criminele man. Verdachte raakte vervolgens zelf verslaafd en kwam in aanraking met justitie.

Verdachte is thans voornemens om een rustig bestaan op te bouwen. Zij wil een dagbesteding en is bereid behandeling te ondergaan. Deelname aan een leefstijltraining is geïndiceerd, omdat daarmee de kans op recidive wordt verminderd. Gezien de directe samenhang van een persoonlijkheidsstoornis (Niet Anders Omschreven) en de verslavingsproblematiek met het criminele gedrag van verdachte, acht de reclassering een behandeling bij GGZ Palier, afdeling Forensische Polikliniek van belang. De reclassering adviseert dan ook de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een verplicht reclasseringscontact met de bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, deelname een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 16 juni 2011, opgesteld door dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van en persoonlijkheidsstoornis (NAO). Tevens lijkt er sprake van een angststoornis (NAO) en cocaïneafhankelijkheid. Verdachte lijkt tijdens het ten laste gelegde gehandeld te hebben vanuit paniek- en angstgevoelens en sterke gevoelens van wantrouwen, welke gevoelens vooral hevig tot uiting lijken te kunnen komen in stressvolle situaties en bij oplopende druk, zoals ook in de situatie ten tijde van het ten laste gelegde. Het gebruik van alcohol en drugs lijkt geen causale rol te hebben gespeeld in het ten laste gelegde. Gelet op het voorstaande zou verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde kunnen worden beschouwd. Gezien verdachtes persoonlijkheidsstructuur, neiging tot acting-out en verslavingsgevoeligheid, kan de kans dat zij opnieuw in een soortgelijke situatie zal geraken niet geheel uitgesloten worden. Behandeling bij Palier, De Waag of De Brijder Stichting is geïndiceerd. De psycholoog adviseert de oplegging van een verplicht reclasseringscontact, als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

Bij bepaling van de strafoplegging zal de rechtbank in haar oordeel meenemen dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijk strafdeel opleggen, waaraan als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering, ook indien dat inhoudt een meldingsgebod bij GGZ Reclassering Palier, deelname aan gedragsinterventie en een behandelverplichting, zal worden gekoppeld.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde overtreding (feit 4) zal de rechtbank gelijk de vordering van de officier van justitie volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, aangezien strafoplegging voor deze overtreding, gelet op de overige vier bewezen verklaarde misdrijven en de daarbij op te leggen straf, geen meerwaarde heeft.

Nu de verdachte wordt veroordeeld wegens een poging tot het in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, gepleegd met een door haar bestuurd motorrijtuig, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit onder 1 primair bewezen verklaarde feit een ontzegging van de rijbevoegdheid van hierna te melden duur dient te worden opgelegd, teneinde de verdachte in de toekomst te weerhouden van agressief danwel onverantwoordelijk rijgedrag.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[C], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 850,-.

De vordering is namens de verdachte niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

Daar de hoogte van de vordering niet voldoende is onderbouwd, maar de rechtbank - gelet op de foto's in het dossier ter zake van de opgetreden schade - wel wil aannemen dat ten gevolge van het handelen van verdachte schade van enige omvang aan de auto van de benadeelde partij is ontstaan, zal de rechtbank naar redelijkheid de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, ten behoeve van [C].

[B], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.277,32.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 4.000,- toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.277,32.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.277,32, ten behoeve van [B].

[A], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.862,58.

De vordering is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de gehele vordering toewijzen voor een bedrag van € 5.862,58.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.862,58, ten behoeve van [A].

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp (personenauto Renault [kenteken]) verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9a, 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 45, 57, 62, 287, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 4:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

Ten aanzien van feit 5:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3 en 5 tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens de Stichting GGZ Reclassering Palier, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt:

* een meldingsgebod bij GGZ Reclassering Palier op het adres: Johanna van Westerdijkplein 109 te 2521 EN Den Haag, zo frequent als de reclassering dat nodig acht,

* deelname aan een gedragsinterventie en

* een behandelverplichting bij GGZ Palier afdeling Forensische Polikliniek of een soortgelijke instelling;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde:

verklaart verdachte schuldig en bepaalt dat er geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 1 primair voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 3 (DRIE) JAREN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [C] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [C], een bedrag van € 500,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,- ten behoeve van [C];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [B], een bedrag van € 4.277,32;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.277,32 ten behoeve [B];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 52 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], een bedrag van € 5.862,58;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.862,58 ten behoeve van [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 64 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: Personenauto Renault, [kenteken].

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E. Timmermans, voorzitter,

M.C. Bruining en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.I. Hendricks, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2011.