Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4080

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
15-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/1381
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift. Het primaire besluit, de primitieve aanslag erfbelasting, is niet herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Deze aanslag is immers overeenkomstig de in de aangifte verstrekte gegevens en de op het tijdstip van opleggen van de aanslag geldende WOZ-waarde vastgesteld. Aan de latere vermindering van de WOZ-waarde ligt een ambtshalve genomen beslissing op het door de bevoegde heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaarde bezwaarschrift ten grondslag en niet een ten aanzien van eiseres genomen beschikking als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet WOZ. Een dergelijke beschikking zou op grond van het tweede lid van dat artikel vanaf * in de plaats zijn getreden van de ten aanzien van wijlen haar vader genomen beschikking, en zou daarmee in zoverre terugwerkende kracht hebben gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1992
V-N Vandaag 2011/2076
V-N 2011/50.26.15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1381

proces-verbaal van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2011 van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 1 februari 2011 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde aanslag erfbelasting wegens een verkrijging in het jaar 2010 (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 juli 2011.

Eiseres en haar gemachtigde [A] zijn, hoewel behoorlijk uitgenodigd, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [B].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 437;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Overwegingen

1. Bij brief van 27 juni 2011 heeft verweerder te kennen gegeven dat de waarde van het huis van erflater, vastgesteld volgens hoofdstuk IV van deWet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het jaar 2010, het jaar waarin de verkrijging plaatsvindt, met als peildatum 1 januari 2009, is verlaagd naar € 40.000. De in geding zijnde aanslag erfbelasting is op die grond teruggebracht tot nihil. Ter zitting is door verweerder verklaard dat de verminderingsbeschikking inmiddels is uitgegaan en is verwerkt. De rechtbank neemt dit als vaststaand aan.

2. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder geheel aan eiseres tegemoet is gekomen. Het beroep kan derhalve niet meer tot een voor eiseres gunstiger resultaat leiden. Gelet hierop is het beroep wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard. (vergelijk Hoge Raad, 3 december 2010, nr. 09/04397, LJN: BO5988).

3. Anders dan verweerder meent, is er wel aanleiding hem te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder is in beroep geheel tegemoetgekomen aan eiseres. Verwijtbaarheid van het bestuursorgaan is hierbij in beginsel niet van belang. Daarbij komt dat verweerder op de hoogte was van het bezwaar, ingediend namens eiseres tegen de voor 2010 vastgestelde WOZ-waarde van het huis van wijlen haar vader. Doordat verweerder de beslissing van de gemeente met betrekking tot de WOZ-waarde niet wilde afwachten, was eiseres genoodzaakt om beroep in te stellen.

De te vergoeden proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Voor het toekennen van een hogere of andere proceskostenvergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig. Ter zake van de brief van de gemachtigde van eiseres van 7 februari 2011, door deze aangemerkt als conclusie van repliek, kent de rechtbank geen vergoeding toe nu de gemachtigde van eiseres door de rechtbank niet overeenkomstig artikel 8:43 van de Awb in de gelegenheid is gesteld om een dergelijke conclusie in te dienen.

Voor het toekennen van een vergoeding voor het indienen van het bezwaarschrift, waarom namens eiseres is verzocht, bestaat evenmin aanleiding. Niet gezegd kan worden dat het primaire besluit, de primitieve aanslag erfbelasting, is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Deze aanslag is immers overeenkomstig de in de aangifte verstrekte gegevens en de op het tijdstip van opleggen van de aanslag geldende WOZ-waarde vastgesteld en is slechts verminderd op grond van een nieuwe op dat moment nog onbekende omstandigheid. Aan de vermindering van de WOZ-waarde naar € 40.000 ligt, naar de rechtbank begrijpt, immers een ambtshalve genomen beslissing op het door de bevoegde heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaarde bezwaarschrift ten grondslag en niet een ten aanzien van eiseres genomen beschikking als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet WOZ. Een dergelijke beschikking zou namelijk op grond van het tweede lid van dat artikel vanaf 18 juni 2010 in de plaats zijn getreden van de ten aanzien van wijlen haar vader genomen beschikking, en zou daarmee in zoverre terugwerkende kracht hebben gehad.

Aldus vastgesteld door mr. J.W. van der Voort, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. P.C. Stroebel.

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.