Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3946

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/21047 en 11/21048
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel. Verzoekster stelt dat zij vreest dat zij, bij terugkeer naar haar land van herkomst (Guinee), aldaar zal worden besneden. Verweerder heeft haar asielaanvraag afgewezen omdat verweerder niet gelooft dat zij onbesneden is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het namens verzoekster gestelde in de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening (en van het beroep) voor het overgrote deel een herhaling is van hetgeen reeds in de zienswijze naar voren is gebracht (kopieer- en plakwerk). Dat is onvoldoende om te spreken van gronden waarop de voorzieningenrechter dient in te gaan. Desondanks gaat de voorzieningenrechter inhoudelijk op de zaak in. De gemachtigde van verzoekster kan en mag hieraan echter niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat bij een gebrek aan genoegzame gronden een volgende keer wederom inhoudelijk op de zaak zal worden ingegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: Awb 11/21048 (voorlopige voorziening)

Awb 11/21047 (beroep)

Uitspraak in de geschillen tussen:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1991,

van Guinese nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

verzoekster,

gemachtigde: mr. D. de Vries, advocaat te Leeuwarden,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P.A.L.A. van Ittersum, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 14 juni 2011 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 22 juni 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 24 juni 2011 heeft verzoekster hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Bij verzoekschrift van 24 juni 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Bij faxbericht van 28 juni 2011 heeft verzoekster de gronden van het beroep ingediend. Bij faxbericht van eveneens 28 juni 2011 heeft verzoekster de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Voor wat de motivering van de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening betreft, wordt in die gronden verwezen naar de gronden van het beroep.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending daarvan aan verzoekster. Deze stukken zijn op

8 juli 2011 bij de rechtbank ingekomen.

1.5. Het verzoek om een voorlopige voorziening zou aanvankelijk worden behandeld ter openbare zitting van vrijdag 15 juli 2011. Bij faxbericht van 12 juli 2011 heeft de gemachtigde van verzoekster aan de rechtbank verzocht de behandeling van het verzoek aan te houden dan wel het verzoek toe te wijzen omdat geen tolk Mandingo beschikbaar is. In het faxbericht schrijft de gemachtigde van verzoekster: “Bijgaand ontvangt u hierbij de niet leveringsverklaring van het tolkencentrum.” Bedoelde bijlage betreft een faxbericht van donderdag 7 juli 2011 van [A], namens Concorde Group BV, gericht aan de gemachtigde van verzoekster, waarin is vermeld dat voor de op 5 juli 2011 aangevraagde tolkdienst voor 15 juli 2011 Mandingo – Nederlands geen gekwalificeerde tolk beschikbaar is.

Op 13 juli 2011 heeft de griffier telefonisch aan de gemachtigde van verzoekster bericht dat de voorzieningenrechter kan instemmen met aanhouding voor bepaalde tijd, en wel tot uiterlijk vrijdag 22 juli 2011, mede gelet op de, in artikel 45 Vw 2000 vermelde, rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 juni 2011. Vervolgens is, na overleg met de gemachtigde van verzoekster, de nieuwe zittingsdatum bepaald op 22 juli 2011. Daarbij heeft de gemachtigde van verzoekster aangegeven dat hijzelf op 22 juli 2011 is verhinderd wegens vakantie, doch dat hij voor vervanging zal zorgen.

1.6. Bij de bestudering van het dossier van verzoekster voorafgaand aan de behandeling ter zitting van 22 juli 2011 is de voorzieningenrechter gebleken dat de bij faxbericht van

28 juni 2011 ingediende gronden van het beroep (die tevens hebben te gelden als gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening) onvolledig zijn. De griffier heeft hierover telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de gemachtigde van verzoekster.

In het telefoongesprek is de griffier meegedeeld dat, wegens vakantie van mr. De Vries, verzoekster ter zitting van 22 juli 2011 zal worden bijgestaan door mr. W. Spijkstra, advocaat te Beetsterzwaag. Hierop heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met

mr. Spijkstra. Mr. Spijkstra heeft bij faxbericht van 21 juli 2011 de volledige gronden van het beroep ingezonden.

1.7. Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van 22 juli 2011. Verzoekster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Spijkstra, die desgevraagd heeft verklaard waar te nemen voor de gemachtigde van verzoekster, mr. De Vries. De voorzieningenrechter heeft bij de aanvang van de zitting geconstateerd dat geen tolk aanwezig was. Mr. Spijkstra heeft desgevraagd verklaard dat mr. De Vries hem niet heeft opgedragen, zorg te dragen voor de aanwezigheid van een tolk ter zitting.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Asielrelaas

2.2. Verzoekster is afkomstig uit [geboorteplaats] in Guinee. Toen zij nog heel jong was, is haar moeder overleden. Haar vader is daarna gehuwd met een andere vrouw. Toen verzoekster veertien jaar oud was, is ook haar vader overleden. Haar stiefmoeder is vervolgens met een jongere broer van verzoeksters vader gehuwd. Verzoekster woonde bij hen en is door hen als een slaaf behandeld. Zij moest het zware huishoudelijke werk doen. Zij is regelmatig door hen geslagen. In april 2011 vertelde haar stiefmoeder aan verzoekster dat zij zou worden uitgehuwelijkt aan een oudere broer van stiefmoeder. Deze man was al gehuwd met drie andere vrouwen. Verzoekster zou voor het huwelijk besneden moeten worden. Omdat verzoekster niet wilde worden uitgehuwelijkt aan deze man en evenmin besneden wilde worden, is zij op 19 april 2011 gevlucht. Zij is enkele dagen bij een vrouw uit de buurt ondergedoken. Deze vrouw heeft haar helpen vluchten uit Guinee. Op 29 mei 2011 is verzoekster in Nederland aangekomen.

Standpunt van verweerder

2.3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoekster, omdat zij toerekenbaar geen reis- en identiteitsdocumenten en andere bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag heeft overgelegd.

Vervolgens heeft verweerder een aantal elementen uit het asielrelaas opgesomd, op basis waarvan is geoordeeld dat van de verklaringen van eiseres over de dreigende besnijdenis geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder acht de verklaringen van verzoekster hierover derhalve niet geloofwaardig waardoor zij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000. Daartoe heeft verweerder in het bestreden besluit en het daarin vervatte voornemen overwogen dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Guinee van 27 mei 2010 blijkt dat vrouwenbesnijdenis in Guinee wijdverbreid voorkomt en dat bij de etnische groep waartoe verzoekster behoort, de Malinke, besnijdenis bij 97% van de vrouwen voorkomt. Tevens komt uit het ambtsbericht naar voren dat er een grote sociale druk bestaat om meisjes te laten besnijden. Een onbesneden vrouw wordt beschouwd als onvolwassen en zelfs minderwaardig en ongeschikt als huwelijkspartner. Het is in Guinee een belediging om een vrouw “niet-besneden” te noemen. Verzoekster stelt echter, in weerwil van de hiervoor beschreven sociaal-culturele context, niet te zijn besneden.

Het ambtsbericht geeft aan dat het voor vrouwen mogelijk is om zich te onttrekken aan besnijdenis. In de stad is de sociale controle minder sterk en daar hebben vrouwen die hoogopgeleid en economisch zelfstandig zijn of die een partner hebben die hun keus om zich niet te laten besnijden respecteert, meer kans om zich aan genitale verminking te onttrekken en/of besnijdenis van hun dochters te voorkomen. Verzoekster voldoet niet aan dit profiel. Immers, zij stelt laag opgeleid te zijn, economisch van haar stiefouders afhankelijk te zijn en afkomstig te zijn uit [geboorteplaats], een dorp met 9.500 inwoners. Het is niet geloofwaardig dat iemand met de achtergrond als die van verzoekster onbesneden is, aldus verweerder. Nu verzoekster stelt wel onbesneden te zijn, acht verweerder de achtergrond die verzoekster schetst, niet geloofwaardig. Verweerder overweegt vervolgens dat deze conclusie mede wordt gevoed door de wisselende houding die de familie van vaderszijde van verzoekster, althans volgens haar verklaringen, tentoonspreidt. Immers, de familie van de vader van verzoekster kon volgens haar verklaringen wel instemmen met diens eigen huwelijk met een onbesneden [zie hiervoor de correcties en aanvullingen van 18 juni 2011] christen. Gesteld noch gebleken is dat door de familie bij leven van de vader van verzoekster druk is uitgeoefend om verzoekster te laten besnijden, aldus verweerder. Deze progressieve houding, die ook wordt geïllustreerd door de christelijke naam die de islamitische vader aan zijn dochter heeft gegeven, is in de visie van verweerder in tegenspraak met de orthodoxe houding die diezelfde familie thans ten aanzien van verzoekster laat zien.

Voorts heeft verweerder overwogen dat verzoekster wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen ten tijde van haar vertrek. Zo heeft zij eerst verklaard dat zij vóór haar vertrek in het donker spullen heeft verzameld om mee te nemen, terwijl zij later heeft verklaard geen spullen te hebben meegenomen. Hetgeen verzoekster daarover in de correcties en aanvullingen stelt, namelijk dat zij niet heeft verklaard dat zij spullen heeft gepakt, overtuigt verweerder niet. Daarbij acht verweerder van belang dat de bewuste passage in het nader gehoor meer behelst dan enkel de stelling dat zij spullen heeft gepakt. Verzoekster geeft daar namelijk tevens de tijd aan waarin zij de spullen verzamelde – ondertussen – en voegt daar tevens aan toe dat zij de spullen in het donker makkelijk kon verstoppen. Het wekt bevreemding dat verzoekster een specifieke, uitgebreidere verklaring corrigeert met de ontkenning het te hebben gezegd. Dit lijkt op een poging om te anticiperen op de tegenstrijdigheid die in de nadere vraagstelling wordt geconstateerd, aldus verweerder.

Verder heeft verweerder overwogen dat het bevreemding wekt dat verzoekster ondergedoken is geweest bij een vrouw die twee huizen verderop woonde en dat verzoeksters familie daar niet naar haar heeft gezocht, terwijl bekend was dat verzoekster daar vaker kwam. Daarnaast acht verweerder het bevreemdingwekkend dat verzoekster haar buurvrouw, bij wie zij naar gesteld was ondergedoken, zou hebben verteld dat zij niet besneden wilde worden, terwijl uit voornoemd ambtsbericht blijkt dat op het onbesneden zijn een groot taboe rust.

In de zienswijze van 21 juni 2011 heeft verzoekster, onder verwijzing naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 5 juli 2005, gesteld dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van een vreemdeling zoals verzoekster anders moet beoordelen dan verweerder tot nog toe doet en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) haar jurisprudentie op dit onderdeel moet wijzigen. Verweerder overweegt dienaangaande in het bestreden besluit dat hij verzoekster hierin niet volgt. Voorts merkt verweerder in het bestreden besluit op dat voor zover verzoekster in de zienswijze stelt dat in het voornemen de verklaringen van verzoekster niet geloofwaardig worden geacht op basis van tegenstrijdigheden in de periferie van haar relaas, deze stelling door verweerder evenmin wordt gevolgd. In de visie van verweerder ziet de in het voornemen gegeven motivering met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van verzoekster op de hoofdlijnen van haar relaas en de relevante bijzonderheden.

In de zienswijze van 21 juni 2011 heeft verzoekster aangevoerd dat in Guinee sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in Guinee van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen sprake is. Daartoe heeft verweerder verwezen naar de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 3 EVRM [in welk verband verweerder overigens vervolgens verwijst naar een uitspraak van een ander Hof, te weten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, en wel zijn uitspraak van 17 februari 2001, JV2009/111]. Voorts heeft verweerder daartoe verwezen naar eerdergenoemd ambtsbericht inzake Guinee van 27 mei 2010 en rechtspraak van de AbRS. Verder merkt verweerder in dit verband op dat de informatie uit dit ambtsbericht recenter is dan het rapport van Human Rights Watch (HRW) van april 2009. Nu verzoekster verder slechts in algemene zin verwijst naar berichten van Amnesty International en UNHCR, is door haar onvoldoende aangetoond dat er in Guinee sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie, als hier bedoeld, aldus verweerder.

Ten slotte haalt verweerder in het bestreden besluit aan dat verzoekster in de zienswijze heeft gesteld dat verweerder met betrekking tot vreemdelingen afkomstig uit Guinee een categoriaal beschermingsbeleid moet gaan voeren, of ten minste een besluit- en vertrekmoratorium moet instellen. Verweerder overweegt dat hij verzoekster hierin niet volgt, reeds nu verzoekster met betrekking tot deze stelling slechts verwijst naar, niet nader genoemde, rapporten van UNHCR, HRW, US State Department en ICR.

Verhandelde ter zitting

2.4. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de kern van de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster is dat verweerder niet gelooft dat zij onbesneden is. De laatste alinea op pagina 3 van het voornemen moet aldus worden gelezen, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

2.5. Mr. Spijkstra heeft, namens verzoekster, ter zitting naar voren gebracht dat het probleem van verzoekster duidelijk is. Zij is onbesneden, en vreest bij terugkeer naar Guinee te zullen worden besneden. Verweerder gelooft niet dat verzoekster onbesneden is. De vraag is dan waarom verweerder tijdens de AA-procedure in Ter Apel niet een arts inschakelt om te controleren of verzoekster al dan niet besneden is, aldus mr. Spijkstra. Mr. Spijkstra heeft er op gewezen dat verzoekster tijdens het nader gehoor en ook in de zienswijze heeft aangeboden mee te werken aan een dergelijk onderzoek.

2.6. In reactie hierop heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting meegedeeld dat de in Ter Apel aanwezige artsen er in de eerste plaats zijn om vast te stellen of de betrokken vreemdeling kan worden gehoord. Een onderzoek naar het al dan niet besneden zijn valt daar buiten. Het is aan verzoekster om haar verklaring dat zij onbesneden is, aannemelijk te maken. In dat licht bezien is het merkwaardig dat verzoekster zelf geen actie heeft ondernomen om door een arts vastgesteld te krijgen dat zij, zoals zij stelt, onbesneden is, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

Overwegingen met betrekking tot de door de voorzieningenrechter uit te voeren toetsing, gelet op de aangevoerde gronden

2.7. De voorzieningenrechter overweegt allereerst als volgt.

Hetgeen (de gemachtigde van) verzoekster in de gronden van het beroep en van het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren heeft gebracht, is voor het overgrote deel een herhaling van hetgeen reeds in de zienswijze naar voren is gebracht. In de gronden is niet aangegeven in welk opzicht verweerders in het bestreden besluit neergelegde reactie op het in de zienswijze gestelde tekortschiet. Aldus is het overgrote deel van hetgeen in de gronden naar voren is gebracht, onvoldoende om te spreken van gronden waarop de voorzieningenrechter dient in te gaan. Het enige, duidelijke, verschil is dat in de gronden, onder punt 23, is vermeld: “Eiser wil hierbij nog wijzen op een uitspraak van de rechtbank Zwolle van 10 mei jl. (Awb 11/12879 en 11/12873) welke in Update van vluchtelingenwerk is opgenomen. (bijlage)”. In de gronden is niet aangegeven om welke reden(en) deze uitspraak van belang zou zijn in de onderhavige zaak. Reeds hierom is (ook) de verwijzing naar deze uitspraak niet aan te merken als een grond waarop de voorzieningenrechter dient in te gaan.

Overigens heeft de voorzieningenrechter, bij de aanvang van de behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening, ter sprake gebracht dat zij heeft geconstateerd dat de gronden voor het overgrote deel bestaan uit kopieer- en plakwerk. De gemachtigde van verweerder, en ook mr. Spijkstra die ter zitting waarnam voor verzoeksters gemachtigde, hebben ter zitting meegedeeld dat dit aspect ook aan hen is opgevallen.

2.8. Hoewel, zoals hiervoor in 2.7. is overwogen, strikt genomen geen sprake is van gronden waarop de voorzieningenrechter dient in te gaan, zal de voorzieningenrechter in het hiernavolgende inhoudelijk op de zaak ingaan. De voorzieningenrechter heeft hiertoe na ampel beraad besloten, waarbij zij met name het belang van verzoekster voor ogen heeft gehad. Daarbij heeft de voorzieningenrechter laten wegen dat ter zitting geen tolk aanwezig was, zodat de voorzieningenrechter het ervoor houdt dat verzoekster niets heeft meegekregen van hetgeen ter zitting is besproken. Het is de voorzieningenrechter overigens niet duidelijk geworden of verzoekers gemachtigde, met het oog op de zitting van 22 juli 2011, wel (opnieuw) een tolkdienst heeft aangevraagd, in het Mandingo (Malinke) dan wel – hetgeen wellicht ook een optie was geweest – in de Franse taal.

Wel merkt de voorzieningenrechter hierbij nadrukkelijk op dat de gemachtigde van verzoekster aan de omstandigheid dat hieronder inhoudelijk op de zaak wordt ingegaan, niet een gerechtvaardigd vertrouwen kan en mag ontlenen dat een volgende keer, bij een gebrek aan gronden waarop de rechtbank en/of voorzieningenrechter dient in te gaan, wederom inhoudelijk op de zaak zal worden ingegaan (ook niet als geen tolk aanwezig is).

Beoordeling van het verzoek

2.9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van dit artikel, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.10. Niet in geschil is dat verzoekster ter staving van haar aanvraag geen identiteitskaart heeft overgelegd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit aan verzoekster is toe te rekenen, nu volgens meergenoemd ambtsbericht van 27 mei 2010 iedereen in Guinee vanaf 18 jaar verplicht is een identiteitskaart bij zich te dragen die bij controleposten moet worden getoond. Verzoekster heeft onder verwijzing naar het ambtsbericht weliswaar gesteld dat arme en ongeletterde mensen problemen kunnen ondervinden bij het verkrijgen van identiteitspapieren, doch dit is onvoldoende grond om aan te nemen dat zij niet beschikte over een identiteitskaart. Verweerder heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat verzoekster niet heeft verklaard over problemen die zij zou hebben ondervonden bij het aanvragen van een identiteitskaart. Het vorenstaande doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.11. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat verzoekster toerekenbaar geen reisdocumenten heeft overgelegd. In lijn met de uitspraak van de AbRS van 8 oktober 2002 (zaaknummer 200204720/1; LJN: AL4677) kan het feit dat verzoekster afhankelijk was van een reisagent niet afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van haar reisrelaas. Volgens het beleid (zie C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000) van verweerder, zoals dat door de AbRS is uitgelegd in onder meer de uitspraak van 8 april 2008 (zaaknummer 200708959/1; LJN: BC9690), is met het afleggen van consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over de reis op zichzelf nog niet aannemelijk gemaakt dat het afgeven van reispapieren aan de reisagent de vreemdeling niet kan worden toegerekend. Daarvan is eerst sprake indien de documenten onder dwang zijn afgegeven. In navolging van de AbRS acht de voorzieningenrechter dit beleid niet onredelijk of anderszins onjuist.

Verzoekster heeft (op pagina 4 van het eerste gehoor) verklaard dat zij, tijdens haar vliegreis naar Nederland, op verschillende momenten verschillende documenten in handen heeft gehad en dat de blanke reisagent de documenten van haar heeft afgepakt toen zij uiteindelijk klaar waren met de reis. Uit het relaas van verzoekster is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake was van dwang door de reisagent. Dat verzoekster onder instructies van de reisagent heeft gereisd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Bij het voorgaande neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster een eigen verantwoordelijkheid heeft om haar reisverhaal met de daarvoor benodigde stukken te onderbouwen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onder deze omstandigheden terecht met toepassing van het hiervoor weergegeven beleid het ontbreken van deze documenten aan verzoekster toegerekend. Het vorenstaande doet eveneens op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.12. Nu van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder onder f, Vw 2000 sprake is, zal, volgens het door verweerder op grond van artikel 31 Vw 2000 gevoerde beleid, van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan.

2.13. De voorzieningenrechter overweegt, gelet op vaste rechtspraak van de AbRS, dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in het asielrelaas gestelde feiten behoort tot de verantwoordelijkheid van verweerder en dat die beoordeling slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. De maatstaf bij die toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering als neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

2.14. Verweerder acht niet geloofwaardig dat verzoekster, zoals zij stelt, onbesneden is. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de motivering, neergelegd in het bestreden besluit en het daarin vervatte voornemen – zie het hiervoor in 2.3. vermelde –, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoekster positieve overtuigingskracht ontbeert. Hetgeen namens verzoekster in de zienswijze naar voren is gebracht, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd weerlegd.

Hetgeen door mr. Spijkstra ter zitting naar voren is gebracht, leidt de voorzieningenrechter bij gebreke van nieuwe gezichtspunten niet tot een ander oordeel.

2.15. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht.

2.16. Met betrekking tot het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, in samenhang met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.17. Verweerder heeft zich, (onder meer) onder verwijzing naar meergenoemd ambtsbericht inzake Guinee van 27 mei 2010, op het standpunt gesteld dat in Guinee van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen sprake is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster met de algemene verwijzing naar berichten van Amnesty International en UNHCR, in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Guinee sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie, als hier bedoeld. De verwijzing naar het rapport van HRW van april 2009 baat verzoekster evenmin, reeds nu dit rapport dateert van (ruim een jaar) vóór het ambtsbericht, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt.

2.18. Ook de algemene verwijzing van verzoekster naar, niet nader genoemde, rapporten van UNHCR, HRW, US State Department ICR kan niet gelden als een voldoende onderbouwing voor haar standpunt dat verweerder gehouden zou zijn een categoriaal beschermingsbeleid te gaan voeren, of ten minste een besluit- en vertrekmoratorium.

2.19. Verweerder heeft derhalve terecht de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 afgewezen.

2.20. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb ongegrond verklaard.

2.21. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

2.22. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 11/21047 ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 11/21048 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb), één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.

Afschrift verzonden op: