Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3862

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-08-2011
Datum publicatie
01-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/22229
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de omstandigheid dat eiseres niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb onvoldoende is om de maatregel te dragen, gelet op de omstandigheid dat eiseres tijdens het gehoor in het kader van artikel 59 van de Vw haar personalia en adres heeft opgegeven. Aldus is niet gebleken dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De beroepsgrond slaagt.

Wetsartikelen: 59 en 94 van de Vw en 4.21 van het Vreemdelingenbesluit

Trefwoorden: Bewaring, identiteitspapier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 11/22229

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1982], van Nederlandse nationaliteit, eiseres,

gemachtigden: mr. C.J. Ullersma en mr. E. van Kempen, advocaten te Amsterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 juli 2011 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 7 juli 2011 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiseres EU-onderdaan blijkt te zijn.

Op 14 juli 2011 heeft eiseres de rechtbank verzocht vijf getuigen op te laten roepen. De rechtbank heeft dit verzoek op 15 juli 2011 afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 juli 2011. Eiseres heeft bij gemachtigden en verweerder heeft bij gemachtigde het woord gevoerd.

Overwegingen

1. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van dit geschil zich tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

2. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiseres heeft - onder meer - aangevoerd dat slechts één grond aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd, te weten het niet beschikken over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Deze grond is volgens eiseres onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat zij zich zou onttrekken aan uitzetting en dat daarom de openbare orde de bewaring zou vorderen. Om die reden is de bewaring onrechtmatig.

4. Verweerder heeft naar voren gebracht dat in dit geval uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde grond blijkt dat eiseres haar uitzetting ontwijkt of belemmert, nu zij iedere vorm van medewerking om haar identiteit en nationaliteit vast te stellen weigert. Gelet op deze bijzondere omstandigheden is volgens verweerder de grond dat eiseres niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb voldoende om de maatregel te dragen.

5. Uit het op op 6 juli 2011 ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van gehoor in het kader van artikel 59 van de Vw blijkt het volgende: ‘Mijn naam is [eiseres]. Geboren [1982] te [geboorteplaats]. Ik sta ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Ik kan niet bij mijn paspoort komen.’ De rechtbank is gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2002 (LJN: AE3705) en van 15 mei 2011 (LJN: BQ5562) van oordeel dat in dit geval de omstandigheid dat eiseres niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb onvoldoende is om de maatregel te dragen. Gelet op hetgeen eiseres heeft verklaard tijdens het gehoor in het kader van artikel 59 van de Vw is niet gebleken dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De beroepsgrond slaagt.

6. Nu de beroepsgrond van eiseres slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

7. Gelet op het voorgaande en artikel 94, vierde lid, van de Vw is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring vanaf 6 juli 2011 onrechtmatig is.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank acht, gelet op artikel 106 van de Vw, voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor één dag onrechtmatige tenuitvoerlegging van de bewaring ten bedrage van € 105,-. De rechtbank ziet, gelet op het onder 5 genoemde gebrek in de rechtmatigheid van de maatregel, geen aanleiding - zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht - de schadevergoeding te matigen tot nihil.

9. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,- en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding - zoals verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht - de ingestelde beroepen die op de zitting van 18 juli 2011 (rolnummers AWB / 70290 en AWB / 70303) zijn behandeld, als samenhangende zaken aan te merken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de werkzaamheden welke de gemachtigden van eisers in elk van de zaken hebben verricht niet identiek zijn en er ter zitting per zaak is gepleit, waarbij de gronden in de verschillende zaken niet identiek zijn. Bovendien is er geen sprake van identieke besluiten en heeft verweerder zelf ter zitting aangegeven dat per casus afzonderlijk een beoordeling is gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiseres van schadevergoeding tot een bedrag van € 105,-, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. Y. van Wezel, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2011.

De griffier: De rechter:

V. Liemburg mr. Y. van Wezel

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 105,- (zegge: honderdenvijf euro).

Aldus vastgesteld op 1 augustus 2011 door mr. Y. van Wezel.

De rechter

mr. Y. van Wezel

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.