Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3566

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
15/700479-09 en 10/534
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift; rekest; verzoek vergoeding advocaatkosten; verzoek vergoeding kosten raadsman.

Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat verzoekster bij de uitoefening van haar werkzaamheden is afgeweken van hetgeen van haar in het kader van haar werkzaamheden werd verwacht. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat er in beginsel - in overeenstemming met hetgeen het geval was in de hierboven bedoelde vergelijkbare zaak - aanleiding is om ervan uit te gaan dat de in de onderhavige zaak gemaakte kosten van een raadsman niet ten laste van verzoekster, maar van haar werkgeefster De Telegraaf zijn gekomen. De secretaresse van de raadsman heeft de rechtbank laten weten dat de raadsman niet in staat is de vraag van de rechtbank te beantwoorden of de kosten van een raadsman in de onderhavige zaak inderdaad ten laste van verzoekster zijn gekomen. De rechtbank kan dit - namens de raadsman van verzoekster gegeven antwoord op de vraag van de rechtbank - bij gebreke van een andersluidende toelichting niet anders begrijpen dan dat verzoekster weigert de rechtbank daaromtrent te informeren. Bij die stand van zaken kan de rechtbank - gelet op hetgeen in de hiervoor bedoelde uitspraak van de rechtbank van 10 april 2007 is vastgesteld en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet anders dan tot de conclusie komen dat de kosten van een raadsman in de onderhavige procedure niet ten laste van verzoekster zijn gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2011/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Nevenzittingsplaats Haarlem

Sector Strafrecht

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 10/534

Parketnummer: 15/700479-09

Uitspraakdatum: 31 maart 2011

Beschikking (art. 591a Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 9 april 2010 is ter griffie van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Haarlem, ingekomen een door mr. V.L. Koppe, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd maart 2010, van

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

domicilie kiezende te (1017 EM) Amsterdam, Keizersgracht 560-562, ten kantore van mr. V.L. Koppe, advocaat,

Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoekster van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 63.478,72, wegens de door deze met betrekking tot haar strafzaak gemaakte kosten van een raadsman, alsmede tot vergoeding van de kosten van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift.

Op 3 juni 2010 en 13 januari 2011 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld.

Voor verzoekster is telkens verschenen mr. V.L. Koppe, voornoemd.

Tevens was telkens aanwezig de officier van justitie mr. E.D. Harderwijk.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

Naar aanleiding van de door de rechter in raadkamer van 13 januari 2011 aan de raadsman van verzoekster gestelde vraag, of de kosten van een raadsman inderdaad ten laste van verzoekster zijn gekomen, heeft de secretaresse van de raadsman bij brief van 3 februari 2011 aan de rechtbank laten weten dat de raadsman, mr. Koppe niet in staat is de door de rechtbank gestelde vraag te beantwoorden.

2. Beoordeling

De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 26 januari 2010 aan de advocaat van verzoekster waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd vanwege onrechtmatig verkregen bewijs (sepotcode 07).

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

Op de voet van het bepaalde in artikel 591a jo artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan verzoekster - nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te haren laste gekomen kosten van een raadsman.

Van de zijde van verzoekster is er op gewezen dat verzoekster ten behoeve van de strafzaak de in het verzoekschrift opgevoerde kosten van een raadsman heeft gemaakt. Nu de zaak is geseponeerd, is de vraag of verzoekster terecht als verdachte is aangemerkt en de vraag naar de onschuld van verzoekster - aldus de raadsman - voor een beoordeling van een verzoek op grond van artikel 591a Sv irrelevant. Met betrekking tot de kosten voor de door verzoekster en haar werkgeefster De Telegraaf aangespannen klaagschriftenprocedure heeft de raadsman opgemerkt dat hij zowel namens verzoekster als namens haar werkgeefster heeft opgetreden, maar dat het klaagschrift voor 95% op verzoekster zag. De raadsman heeft erkend dat de opgevoerde kosten die zijn gemaakt na 26 januari 2010, kosten zijn, die gemaakt zijn na het sepot. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van vraag of de kosten van een raadsman voor zijn optreden in NOVA noodzakelijk gemaakte kosten zijn voor de strafzaak van verzoekster. Ten aanzien van de stelling van de officier van justitie dat de rekeningen voor de kosten van rechtsbijstand door De Telegraaf betaald zijn, stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat afgegaan moet worden op de stukken waaruit blijkt dat de rekeningen aan verzoekster zijn gestuurd en dat deze ook van haar rekening zijn betaald. Subsidiair heeft de raadsman aangeboden om de vraag of De Telegraaf de advocaatkosten aan verzoekster heeft vergoed aan haar voor te leggen.

De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2007 (LJN: BA4322), op het standpunt gesteld dat de kosten van een raadsman mogelijk niet ten laste van verzoekster zijn gekomen en dat het reëel is van een persoon die een verzoek ex artikel 591a Sv doet, te verlangen dat die vraag beantwoord wordt. Overigens is de officier van justitie van mening dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van een raadsman, nu de zaak tegen verzoekster is geseponeerd wegens onrechtmatig verkregen bewijs, maar de tegen verzoekster gerezen verdenking nog onverkort aanwezig is. Verzoekster heeft - aldus de officier van justitie - in de basis gedaan, wat haar verweten wordt.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de in de artikelen 591 en 591a Sv geregelde vergoedingen, blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, om die kosten en schade gaat, die werkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen of die door hem zijn geleden.

Gelet daarop is de rechtbank - met de officier van justitie en anders dan de raadsman kennelijk meent - van oordeel dat voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 591a Sv - indien er gerede twijfel bestaat of de kosten van een raadsman werkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen - dient te worden onderzocht of zulks het geval is.

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie verwezen naar de hiervoor genoemde beschikking van deze rechtbank van 10 april 2007, waarin de rechtbank in een vergelijkbare zaak het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman heeft afgewezen, omdat deze kosten zijn betaald door de werkgeefster van de betreffende journalist, De Telegraaf.

Gelet daarop was er, nu verzoekster evenals de verzoeker in voormelde beschikking werkzaam was voor De Telegraaf en het om een vergelijkbare zaak ging, aanleiding om nader te onderzoeken of de kosten van een raadsman werkelijk ten laste van verzoekster zijn gekomen.

Bij de beoordeling van de vraag of de kosten van een raadsman in de onderhavige zaak werkelijk ten laste van de verzoekster zijn gekomen, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdenking van de strafbare feiten, in verband waarmee tegen verzoekster een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, te weten verdenking van de misdrijven, strafbaar gesteld bij de artikelen 98 en 98a van het Wetboek van Strafrecht, voortvloeide uit artikelen die in het dagblad De Telegraaf zijn verschenen en die - naar uit hetgeen boven die artikelen is vermeld moet worden opgemaakt - (mede) zijn geschreven door verzoekster in haar hoedanigheid van journalist, werkzaam voor de Telegraaf.

Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verdenking en het naar aanleiding daarvan ingestelde strafrechtelijke onderzoek zijn voortgevloeid uit in de uitoefening van haar beroep door verzoekster verrichte werkzaamheden.

Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat verzoekster bij de uitoefening van haar werkzaamheden is afgeweken van hetgeen van haar in het kader van haar werkzaamheden werd verwacht.

Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat er in beginsel - in overeenstemming met hetgeen het geval was in de hierboven bedoelde vergelijkbare zaak - aanleiding is om ervan uit te gaan dat de in de onderhavige zaak gemaakte kosten van een raadsman niet ten laste van verzoekster, maar van haar werkgeefster De Telegraaf zijn gekomen.

De secretaresse van de raadsman heeft de rechtbank laten weten dat de raadsman niet in staat is de vraag van de rechtbank te beantwoorden of de kosten van een raadsman in de onderhavige zaak inderdaad ten laste van verzoekster zijn gekomen.

De rechtbank kan dit - namens de raadsman van verzoekster gegeven antwoord op de vraag van de rechtbank - bij gebreke van een andersluidende toelichting niet anders begrijpen dan dat verzoekster weigert de rechtbank daaromtrent te informeren.

Bij die stand van zaken kan de rechtbank - gelet op hetgeen in de hiervoor bedoelde uitspraak van de rechtbank van 10 april 2007 is vastgesteld en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet anders dan tot de conclusie komen dat de kosten van een raadsman in de onderhavige procedure niet ten laste van verzoekster zijn gekomen.

Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. R.E.A. Toeter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Brugman, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2011.