Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3437

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
391852 HA RK 11-221 Wrakingnummer 2011/16
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking. Verzoeker stelt dat mr. [X] direct na het openen van de zitting aan verzoeker heeft gevraagd hoe lang hij al in Nederland woonde. Op zijn vraag waarom zij dat vroeg, heeft mr. [X] niet geantwoord. Ook heeft zij hem gevraagd of hij bereid was om in Den Haag te gaan wonen als hem een voorrangsverklaring zou worden toegekend. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat mr. [X] vooringenomen was. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2011/16

rekestnummer: 391852 HA RK 11-221

zaaknummers: AWB 10-8995 BESLU G VC en AWB 10-8996 BESLU G VC

datum beschikking: 10 juni 2011

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen

mr. [X]

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,

verweerster.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 7 april 2011 heeft in de zaak van [verzoeker] tegen Het College van Burgemeester en Wethouders van [woonplaats], sector Middelen en Burgerzaken, Bestuurlijke en Juridische zaken de zitting plaatsgevonden ten overstaan van mr. [X] als voorzieningenrechter. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft mr. [X] medegedeeld dat op 21 april 2011 uitspraak zou worden gedaan, dan wel dat het onderzoek wordt heropend om een nieuwe zitting te plannen. Op 11 april 2011 is ter griffie het wrakingsverzoek ingekomen.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1

Op 2 mei 2011 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden voor mrs. L. Alwin, H.S. Wiarda en I.D. Bellaart. Ter zitting heeft mr. Wiarda zich teruggetrokken als lid van de wrakingskamer. De zaak is vervolgens aangehouden teneinde een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling vast te stellen, waarbij de zaak in een andere samenstelling zou worden behandeld.

2.2

Op 30 mei 2011 heeft ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer de voortzetting van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Verzoeker is ter zitting verschenen en heeft zijn verzoek toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie. Mr. [X] had reeds bij brief van 15 april 2011, ter griffie ingekomen op 19 april 2011, haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt en aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

3. Het standpunt van verzoeker

Het verzoek van [verzoeker] komt - kort zakelijk weergegeven - op het volgende neer. Hij stelt dat mr. [X] direct na het openen van de zitting aan verzoeker heeft gevraagd hoe lang hij al in Nederland woonde. Op zijn vraag waarom zij dat vroeg, heeft mr. [X] niet geantwoord. Ook heeft zij hem gevraagd of hij bereid was om in Den Haag te gaan wonen als hem een voorrangsverklaring zou worden toegekend. Hieruit blijkt dat mr. [X] vooringenomen was. Zij heeft daarmee in strijd met de wet gehandeld.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] geeft aan dat zij ter zitting, mede gezien het "slepende karakter" van de kwestie, veel tijd heeft besteed aan het geven van uitleg en heeft afgetast, voor zover mogelijk, of er wellicht een alternatieve oplossing bereikbaar zou zijn. Voor het overige verwijst zij naar het proces-verbaal van de zitting.

5. De beoordeling

5.1

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van deze rechter kan rechtvaardigen.

5.3

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• verweerder in de hoofdzaak;

• de rechter mr. [X];

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011 door mrs. Y.J Wijnnobel-van Erp,

G.P. van Ham en F.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.