Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
AWB 10-28096, AWB 10-28089, AWB 10-25043 en AWB 10-28092
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

6 EVRM, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding kinderen.

De redelijke termijn is met vijf jaren overschreden. Niet is gebleken dat de twee oudste kinderen geen immateriële schade hebben geleden. Hierbij is van belang dat verweerder niet heeft gesteld dat voormelde kinderen niet op de hoogte zijn geweest van de onderhavige procedure, zodat ook ten aanzien van hen moet worden aangenomen dat zij door de lange duur van de procedure en de daarmee samenhangende onzekerheid, spanning en frustratie hebben ondervonden. Daarom bestaat ook grond om aan hen schadevergoeding toe te kennen.

Met betrekking tot het verzoek namens het jongste kind om verweerder op te dragen ook aan dit kind een schadevergoeding te betalen, overweegt de rechtbank dat hetgeen hiervoor is overwogen niet geldt voor het jongste kind. Redengevend hiervoor is dat het jongste kind ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift van 8 april 2003 nog niet was geboren. Zonder nadere toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet worden aangenomen dat het jongste kind op enig moment van de onderhavige verblijfsprocedure op de hoogte was, zodat van spanning en frustratie in zijn geval niet kan worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/28096 en AWB 10/28089 (beroepen)

AWB 10/25043 en AWB 10/28092 (voorlopige voorzieningen)

V-nrs: 151.002.5100, 130.520.5464

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) in de zaak tussen

1. [eiser sub 1],

geboren op [1967],

2. [eiser sub 2],

geboren op [1970],

mede namens hun minderjarige kinderens

3. [eiser sub 3],

geboren op [1996],

4. [eiser sub 4],

geboren op [1998],

5. [eiser sub 5],

geboren op [2005],

allen van Turkse nationaliteit, eisers en verzoekers (hierna: eisers),

gemachtigde: mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie en Asiel, rechtsopvolger van de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2003 heeft verweerder de aanvraag van eiser sub 1 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) onder de beperking “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juli 2010 ongegrond verklaard, nadat reeds twee eerdere besluiten tot ongegrondverklaring van het bezwaar respectievelijk op 3 september 2008 en 9 oktober 2009 waren ingetrokken.

Bij besluiten van 13 maart 2003 en 10 maart 2009 heeft verweerder de aanvragen van eisers sub 2, 3, 4, en 5 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenoot” dan wel “gezinshereniging bij ouder” afgewezen. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 13 juli 2010 ongegrond verklaard, nadat reeds twee eerdere besluiten tot ongegrondverklaring van de bezwaren respectievelijk op 3 september 2008 en 9 oktober 2009 waren ingetrokken.

Op 9 augustus 2010 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Bij brieven van 14 juli 2010 (inzake eiser sub 1) en 9 augustus 2010 (inzake eisers sub 2, 3, 4 en 5) is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op de beroepen is beslist.

Bij besluiten van 2 maart 2011 zijn de besluiten van 13 juli 2010 ingetrokken en is aan eisers een verblijfsvergunning verleend met ingang van 29 januari 2003, met een geldigheidsduur tot 29 januari 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Eisers sub 1 en 2 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van de beroepen

1.1. Op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

1.2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

1.3. De rechtbank overweegt dat verweerder bij besluiten van 2 maart 2011 de besluiten van 13 juli 2010 heeft ingetrokken, maar dat de besluiten van 2 maart 2011 niet geheel tegemoet komen aan de beroepen. Daarom worden de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen de (nieuwe) besluiten van 2 maart 2011.

Met betrekking tot het verzoek om een dwangsom op te leggen

2.1. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder een dwangsom aan hen dient te betalen, omdat deze rechtbank en nevenzittingsplaats bij uitspraak van 30 juni 2010 (AWB 09/40736 en AWB 09/40737) een dwangsom van € 100,- heeft opgelegd voor iedere dag dat verweerder de gestelde (beslis)termijn zou overschrijden. Deze termijn is twee weken na 30 juni 2010 geëindigd.

2.2. De rechtbank stelt vast dat in voormelde uitspraak van 30 juni 2010 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats in rechtsoverweging 10 tot en met 12 het volgende is overwogen ten aanzien van het opleggen van een dwangsom:

“10. Nu verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren en het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit vernietigen.

11. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op het bezwaar te nemen. Verweerder heeft niet gesteld dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 8:55, derde lid, van de Awb, noch is gebleken dat de naleving van andere wettelijke voorschriften noopt tot het bepalen van een andere termijn.

12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.”

2.3. Gelet op voormelde opdracht heeft verweerder binnen de daarvoor de rechtbank gestelde termijn, namelijk op 13 juli 2010, een nieuw besluit genomen op bezwaar. Dat verweerder dit besluit vervolgens op 2 maart 2011 heeft ingetrokken en daar een nieuw besluit voor in de plaats heeft gesteld waarbij de gevraagde verblijfsvergunningen alsnog zijn verleend, maakt dit niet anders. In dit kader is van belang dat niet is gebleken dat verweerder het besluit op bezwaar van 13 juli 2010 enkel heeft genomen om te voorkomen dat een dwangsom zou worden toegekend. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om alsnog een dwangsom toe te kennen. De beroepen worden dan ook ongegrond verklaard.

Met betrekking tot schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn

3.1. Resteert eisers verzoek om vergoeding van de immateriële schade op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) nu, volgens eisers, de duur van de procedure inzake eisers aanvragen om een verblijfsvergunning de redelijke termijn heeft overschreden. Volgens eisers is deze overschrijding volledig aan verweerder te wijten. Weliswaar hebben sommige rechterlijke fases ook langer geduurd, maar de reden daarvoor was dat vanwege de verkeerde uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend protocol van 23 november 1970, in Nederland in werking getreden op 1 januari 1973 en behorend bij de overeenkomst van 12 september 1963, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, door verweerder werd gewacht op antwoorden op prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, aldus eisers. Overigens hebben eisers ook verwezen naar een brief van de Raad voor de Rechtspraak waaruit volgens eisers blijkt dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen volwassenen en minderjarige kinderen ten aanzien van het recht op schadevergoeding.

3.2. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 3 december 2008 (LJN: BG5910) vloeit uit het rechtszekerheidsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag ligt, voort dat ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen een geschil binnen een redelijke termijn moet worden beslecht. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt spanning en frustratie verondersteld als grond voor vergoeding van immateriële schade, behoudens bijzondere omstandigheden.

3.3. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuur en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

3.4. De Afdeling heeft overwogen dat in zaken die bestaan uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties in beginsel een totale lengte van ten hoogste vijf jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. De behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep mag in beginsel samen niet meer dan drie jaar duren en een vertraging bij één van de behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling (vgl. de uitspraak van de Afdeling 24 december 2008, LJN: BG8294).

3.5. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige procedures als volgt zijn verlopen:

- 20 januari 2003: eisers hebben de onderhavige aanvragen om een verblijfsvergunning ingediend;

- 13 maart 2003: de aanvragen zijn afgewezen;

- 8 april 2003: eisers hebben bezwaar gemaakt;

- 14 april 2005: de bezwaren zijn ongegrond verklaard;

- 15 april 2005: eisers hebben beroep ingesteld (AWB 05/16988 en AWB 05/16994);

- 3 september 2008: verweerder heeft de besluiten op bezwaar ingetrokken.

- 9 oktober 2009: de bezwaren zijn wederom ongegrond verklaard;

- 5 november 2009: eisers hebben beroep ingesteld (AWB 09/40736 en AWB 09/40737);

- 3 juni 2010: verweerder heeft de besluiten op bezwaar ingetrokken;

- 30 juni 2010: uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (AWB 09/40736 en AWB 09/40737).

- 13 juli 2010: de bezwaren zijn wederom ongegrond verklaard;

- 9 augustus 2010: eisers hebben beroep ingesteld (AWB 10/28096 en AWB 10/28089);

- 2 maart 2011: verweerder heeft de besluiten op bezwaar ingetrokken, de bezwaren gegrond verklaard en aan eisers de gevraagde verblijfsvergunningen verleend.

3.6. De rechtbank stelt vast dat de procedures en daarmee de redelijke termijn zijn aangevangen op 8 april 2003 (de datum waarop de bezwaarschriften zijn ingediend). Verder zijn de procedures geëindigd op 2 maart 2011 (de datum waarop in laatste instantie op de bezwaren is beslist en verblijfsvergunningen aan eisers zijn verleend). Op grond van het bovenstaande, en anders dan eisers hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn voor de onderhavige procedure is geëindigd op 8 april 2006. De rechtbank ziet in de complexiteit van de zaak en in het gedrag van eisers geen aanleiding om in dit geval van andere termijnen uit te gaan.

4. De rechtbank dient gelet op het voorgaande vast te stellen wat de hoogte dient te zijn van de vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn en wie voor deze overschrijding verantwoordelijk is. In een situatie als deze, waarbij verweerder hangende beroep tot twee keer toe de bestreden besluiten heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig is toe te schrijven aan verweerder.

5.1. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder voor alle eisers een schadevergoeding van € 500,- per half jaar overschrijding van de redelijke termijn dient te betalen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat enkel aan eiser sub 1 en eiser sub 2 een schadevergoeding dient te worden toegekend en niet aan hun kinderen. Subsdiair heeft verweerder gesteld dat aan eisers sub 1 tot en met 4 schadevergoeding dient te worden toegekend.

5.2. De rechtbank is, anders dan verweerder stelt, van oordeel dat niet is gebleken dat eisers sub 3 en 4 (twee oudste kinderen) geen immateriële schade hebben geleden. Hierbij is van belang dat verweerder niet heeft gesteld dat voormelde kinderen niet op de hoogte zijn geweest van de onderhavige procedure, zodat ook ten aanzien van hen moet worden aangenomen dat zij door de lange duur van de procedure en de daarmee samenhangende onzekerheid, spanning en frustratie hebben ondervonden. Daarom bestaat ook grond om aan eisers sub 3 en 4 schadevergoeding toe te kennen.

5.3 Met betrekking tot het verzoek namens eiser sub 5 om verweerder op te dragen ook aan dit kind een schadevergoeding te betalen, overweegt de rechtbank dat hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.2 niet geldt voor eiser sub 5. Redengevend hiervoor is dat eiser sub 5 ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift van 8 april 2003 nog niet was geboren. Zonder nadere toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet worden aangenomen dat eiser sub 5 op enig moment van de onderhavige verblijfsprocedure op de hoogte was, zodat van spanning en frustratie in zijn geval niet kan worden gesproken.

5.4. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusie. Nu de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank op 8 april 2006 is geëindigd, is de redelijke termijn met vijf jaren overschreden. Dat betekent dat aan eisers sub 1 tot en met 4 ieder een schadevergoeding dient te worden toegekend van 10 keer € 500,- (per half jaar overschrijding van de redelijke termijn), in totaal € 5.000,- euro per persoon. Dit betekent dat het totaalbedrag voor vier personen, eisers sub 1 tot en met 4, € 20.000,- bedraagt.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening toe, aangezien verweerder ter zitting heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen toewijzing van dit verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.311,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummer: AWB 10/28096 en AWB 10/28089,

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eisers 1, 2, 3 en 4 van een schadevergoeding ten bedrage van € 5.000,- per persoon.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 10/25043 en AWB 10/28092,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 300,- (zegge: driehonderd euro) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,- (zegge: dertienhonderdelf euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. van der Wielen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JW

Coll.: AEM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.