Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3414

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/8114 en AWB 11/8113
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf in Zenica gevangenis kan 3 EVRM schending opleveren.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn plaatsing in de Zenica gevangenis in Bosnië een schending van artikel 3 van het EVRM kan opleveren. Eiser heeft dit met diverse stukken onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat deze plaatsing geen reëel risico van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM inhoudt. Uit de diverse, door eiser overgelegde rapporten, blijkt immers dat geweld in de Zenica gevangenis aan de orde van de dag is. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat een schending van artikel 3 van het EVRM ook kan bestaan uit slechte detentieomstandigheden. Nu het geweld aan de orde van de dag is, kan verweerder niet volstaan met de motivering dat slechts sprake is van een ‘mere possibility’. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest Rodic van het EHRM waarin een schending van artikel 3 van het EVRM werd geconstateerd in verband met een verblijf in de Zenica gevangenis. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/8114

AWB 11/8113

V-nrs: [V-nr], [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [1981], eiser

en

[eiseres],

geboren op [1977], eiseres

mede namens haar minderjarig kind:

[het kind],

geboren op [2006],

allen burger van Bosnië en Herzegovina, hierna: eisers,

gemachtigde: mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluiten van 1 april 2009 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 25 maart 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Bij uitspraak van 24 april 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, de ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd (AWB 09/11409 en AWB 09/11411). Bij besluiten van 18 mei 2010 heeft verweerder de aanvragen van eisers wederom afgewezen. Bij uitspraak van 21 december 2010 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd (AWB 10/21350 en AWB 10/21352). Bij besluit van 10 februari 2011 heeft verweerder de aanvragen wederom afgewezen. Op 9 maart 2011 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig T. Coric, als tolk in de taal Servo-Kroatisch.

Asielrelaas

Eisers hebben het volgende relaas aan hun aanvragen ten grondslag gelegd.

Eisers vader is op 11 februari 1991 vermoord in het bos aangetroffen. De doodsoorzaak is onduidelijk en de politie wilde hiernaar geen onderzoek instellen. In 2003 of 2004 heeft eiser een man aangevallen voor een man genaamd [persoon]. Eiser is daarvoor veroordeeld maar hij heeft door de hulp van [persoon] geen gevangenisstraf gekregen maar een boete die [persoon] heeft betaald. In 2006 was er een vechtpartij. Eiser is in verband hiermee eind 2007 veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. De politie viel eiser daarnaast vaak lastig, eiser is ongeveer 50 keer aangehouden. Hij probeerde de hulp in te roepen van de UNHCR, maar die kon niets voor hem doen. In 2007 is eiser naar de politie gegaan om [persoon] aan te geven omdat eiser wist dat [persoon] oorlogsmisdaden had gepleegd. Hij wilde hiermee bereiken dat de politie hem met rust zou laten. De volgende ochtend is de politie zijn huis binnengevallen. Eiser is meegenomen naar het politiebureau en bedreigd door [persoon]. Eiser is in 2007 van Bosnië naar Kroatië vertrokken vanwege zijn vrees voor [persoon]. Familieleden van eiser zijn nadien nog lastiggevallen. In 2009 had hij de mogelijkheid zijn land van herkomst te verlaten met een reisagent. Indien eiser terugkeert naar zijn land van herkomst, zal [persoon] ervoor zorgen dat hij in de Zenica gevangenis terecht komt, de ergste gevangenis van Bosnië.

Overwegingen

Regelgevend kader

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister - voor zover van belang - bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af te wijzen.

2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die vluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. Ingevolge artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000 worden, indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

b. alle relevante gegevens, als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, of er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante gegevens;

c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

e. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

5. In paragraaf C14/2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is artikel 3.35 van het VV 2000 verder uitgewerkt.

Oordeel van de rechtbank

4. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder het geloofwaardig acht dat de vader van eiser in 1991 is vermoord, dat er geen onderzoek is gedaan naar deze moord, dat zijn vader lid is geweest van de Stranka Demokratske Akcije (SDA), dat eiser is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en dat hij deze straf dient uit te zitten in de Zenica gevangenis. Verweerder gelooft echter niet dat er een causaal verband is tussen de dood van eisers vader, diens lidmaatschap van de SDA en de problemen die eiser heeft ondervonden met de politie. Voorts acht verweerder de gestelde ondervonden problemen van [persoon] en het feit dat [persoon] achter de plaatsing van eiser in de Zenica gevangenis zou zitten, ongeloofwaardig.

6. In geschil is de vraag of verweerder het ongeloofwaardig bevonden deel ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Redengevend daartoe is het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ongeloofwaardig bevonden gebeurtenissen op hoofdlijnen niet als geloofwaardig hoefde te beschouwen. Eiser weet geen details te vertellen over [persoon]. Verder heeft hij over de inval in zijn huis tegenstrijdig verklaard met zijn echtgenote en over de vechtpartij tegenstrijdig verklaard met zijn broer. Dat verweerder in het eerder vernietigde besluit van 1 april 2009 de door eiser gestelde problemen met [persoon] wel heeft geloofd, maakt dit niet anders. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat uit de aanvullende gehoren die daarna met eiser hebben plaatsgevonden meer informatie naar voren is gekomen, waarop verweerder dit oordeel heeft gebaseerd. De rechtbank volgt verweerder hierin. Uit de aanvullende gehoren van 6 augustus 2009 en 20 januari 2010 blijkt dat eiser weinig kan vertellen over [persoon].

Eiser heeft met uitdraaien van internet onderbouwd dat de persoon “[persoon]” echt bestaat, maar eiser heeft hiermee niet onderbouwd dat hij ook daadwerkelijk problemen heeft ondervonden van [persoon]. Ook blijkt uit de door eiser overgelegde andere stukken (de overlijdensakte van zijn vader, de verklaring van de politie dat zijn vader vermoord is aangetroffen en een verklaring waaruit blijkt dat hij lid was van de SDA) niet het causale verband tussen de dood van zijn vader en de gestelde problemen.

Voorts heeft verweerder de 50 aanhoudingen niet geloofwaardig hoeven achten. Eiser kan hierover geen bijzonderheden of details vertellen.

Verweerder heeft ook niet geloofwaardig hoeven achten dat [persoon] achter de plaatsing van eiser in de Zenica gevangenis zit. Het is aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken. Zoals verweerder zich op het standpunt heeft gesteld, is het enkele overleggen van het reglement van de Zenica gevangenis onvoldoende om het bevreemdingwekkend te vinden dat eiser in de Zenica gevangenis wordt geplaatst. Gelet op de formulering van het reglement is het niet uitgesloten dat eiser wel valt onder één of meerdere van de daarin genoemde omstandigheden op grond waarvan iemand in deze gevangenis geplaatst kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze onderdelen van het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten.

7.1. Vervolgens is in geschil de vraag of de wel geloofwaardig geachte feiten aanleiding vormen om tot vergunningverlening over te gaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Volgens verweerder is de vijf maanden gevangenisstraf die eiser is opgelegd geen onevenredige straf. Ook de detentieomstandigheden in de Zenica gevangenis kunnen volgens verweerder niet leiden tot vergunningverlening. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de veiligheidsomstandigheden in de Zenica gevangenis erg slecht zijn en dat hij bij plaatsing in deze gevangenis een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7.2. De rechtbank is, gelijk verweerder, van oordeel dat de vijf maanden gevangenisstraf, die eiser zijn opgelegd, geen onevenredige straf is voor geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel, zodat de enkele gevangenisstraf geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Verweerder heeft in dit enkele feit dan ook terecht geen aanleiding gezien om eiser een vergunning te verlenen.

7.3. Ten aanzien van de detentieomstandigheden heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheden in de Zenica gevangenis leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder andere de volgende documenten overgelegd:

- Amnesty International, Bosnia and Herzegovina – Better keep quiet: ill-treatment by the police and in prisons (EUR/63/001/2008);

- United States State Department, 2008 Human Rights Report Bosnia and Herzegovina;

- rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT): Report to the Government of Bosnia and Herzegovina on the visit to Bosnia and Herzegovina carried out by the CPT from 11 to 15 may 2009, van 31 maart 2010 (CPT-rapport); en

- rapport van de ombudsman van september 2009 over de Zenica gevangenis.

Volgens eiser volgt uit deze rapporten dat eiser bij plaatsing in de Zenica gevangenis een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie onvoldoende is om een dergelijk risico aan te nemen. Volgens verweerder is een ‘mere possibility’ onvoldoende, het moet gaan om een reëel risico dat eiser loopt.

7.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser door zijn plaatsing in de Zenica gevangenis geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Redengevend hiertoe is het volgende.

Uit het CPT-rapport (hoofdstuk 2. “Ill-treatment” onder punt 13) blijkt onder meer het volgende:

“13. The information gathered by the delegation at Zenica Prison during the 2009 visit indicated that a culture continues to reign that is conducive to inter-prisoner intimidation and violence, and that the establishment is still not under the effective control of prison staff. The high number of violent incidents brought to the attention of the delegation, which appeared to be a feature of everyday life in Zenica Prison, lent credence to the sentiment expressed by many inmates and staff that they felt unsafe.

For example, in the week before the delegation’s visit, one prisoner was attacked in the admissions department (Pavilion I) by several inmates and ended up in hospital with inter alia a broken nose; another prisoner, who suffered from epilepsy, displayed injuries to his back consistent with having been hit with a long hard object allegedly while he was having a seizure. Other incidents included six prisoners sewing together their lips, two prisoners undertaking a roof-top protest, and one prisoner attempting to hang himself. An examination of the ‘Book of Incidents’indicated that such a series of events was relatively typical.

Further, gangs continue to control significant parts of Zenica Prison, rendering life for other

prisoners particularly dangerous and disagreeable, through the use of threats of violence, protection rackets and drug dealing.

Further, the fundamental weaknesses permitting unchecked inter-prisoner violence to flourish have not been addressed. Notably, the staffing situation remains critical (see Section 4 below); the continued overcrowding (see Section 5 below) does not permit a careful assessment, classification and cell allocation of individual prisoners within the prison population; the persistence of large kolektives containing up to 60 prisoners in multiple dormitories with no staff presence and limited surveillance, results in control of these areas being left in the hands of ‘stronger’ prisoners; and the lack of any other high-security prison in the Federation of Bosnia and Herzegovina makes it difficult to transfer inmates from Zenica to other prison establishments.”

En uit het rapport van de ombudsman blijkt onder meer het volgende:

“In its May 2009 report, the CPT noted that little had changed since its 2007 visit to address the fundamental weakness permitting interprisoner violence. Prisoners and staff felt that the culture of interprisoner violence and intimidation at Zenica prison threatened them. Fights among prisoners and violence between rival gangs organized around ethnic or regions of origin were common.

There were numerous reports, especially at Sarajevo and Zenica, of those convicted of murder and criminal traffic violations incarcerated together. The ombudsman criticized prison administrations throughout the country for not taking ‘risk evaluation’ into consideration when collocating prisoners.”

Tenslotte blijkt uit het mensenrechtenrapport van de US State Department:

“Describing penintiairy life, the HCHR noted that fights among prisoners were ‘everyday features’ that often lead to ‘serious injuries’.”

De rechtbank maakt uit deze rapporten op dat geweld in de Zenica gevangenis aan de orde van de dag is. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) blijkt dat een schending van artikel 3 van het EVRM ook kan bestaan uit slechte detentieomstandigheden (zie onder andere Yankov tegen Bulgarije, van 11 december 2003, nummer 39084/97). Nu uit de rapporten blijkt dat het geweld aan de orde van de dag is, kan verweerder niet volstaan met de motivering dat slechts sprake is van een ‘mere possibility’ en niet van een ‘reëel risico’ van een schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar een arrest van het EHRM van 28 mei 2008 (arrest Rodic and others versus Bosnia and Herzegovina, nummer 22893/05), waarin een schending van artikel 3 van het EVRM werd geconstateerd in verband met verblijf in de Zenica gevangenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser door zijn verblijf in de Zenica gevangenis geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Op grond van het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwt de rechtbank de beroepen van eisers als samenhangende zaken.

10. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, aanwezigheid van

mr. J.C.E. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JK

Coll.: AvT

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.