Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3403

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
10/40571, 10/40572, 10/40573, 10/40574, 10/40567, 10/40569
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling, veilige behandelomgeving in het land van herkomst.

Eiseres heeft PTSS en een psychotische stoornis. Niet is in geschil dat bij gebreke van een medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Partijen houdt verdeeld de vraag of in Armenië sprake is van voldoende medische behandelmogelijkheden. Uit het BMA-advies volgt dat in Armenië een psychiatrisch medisch centrum is alwaar eiseres behandeld kan worden. De behandelend psychiater, dr. Colmans, stelt dat dit niet als een adequate behandeling geldt nu in Armenië per definitie een veilige behandelomgeving ontbreekt en een veilige behandelomgeving als absolute voorwaarde geldt voor het kunnen behandelen van eiseres. Het BMA geeft in haar reactie weer dat de beoordeling van de aan- of afwezigheid van een veilige behandelomgeving buiten de reikwijdte van het medisch advies valt.

De rechtbank is van oordeel dat, nu het BMA niet is ingegaan op de door dr. Colmans gestelde behandelvoorwaarde van een veilige behandelomgeving, verweerder niet zonder nadere onderbouwing kan stellen dat er (dus) voor eiseres wél voldoende behandelmogelijkheden zijn in Armenië, zonder een antwoord te hebben op de verklaring van dr. Colmans. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank immers een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies voor zover het de vraag betreft of er voor eiseres in Armenië voldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/40571 (beroep)

AWB 10/40572 (voorlopige voorziening)

AWB 10/40573 (beroep)

AWB 10/40574 (voorlopige voorziening)

AWB 10/40567 (beroep)

AWB 10/40569 (voorlopige voorziening)

V-nrs: [V-nr], [V-nr], [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [1988], eiseres en verzoekster (hierna: eiseres)

[eiser sub 1],

geboren op [1986], eiser en verzoeker (hierna: eiser sub 1)

[eiser sub 2],

geboren op [1983] eiser en verzoeker (hierna: eiser sub 2)

allen van Armeense nationaliteit,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. D.S. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 5 juni 2009 tot verlening van een verblijfs-vergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “medische noodsituatie” afgewezen. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 17 november 2010 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 of 5 augustus 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser sub 1 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “medische noodsituatie” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 november 2010 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser sub 2 om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser sub 2 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “medische noodsituatie” afgewezen. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 17 november 2010 ongegrond verklaard.

Op 23 november 2010 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers tegen de besluiten van 17 november 2010 ontvangen. Bij brief van eveneens 23 november 2010 is verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de uitzetting van eisers te verbieden totdat op de beroepen is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2011. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

Verweerder heeft bij de voorbereiding van de besluiten van 17 november 2010 advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND aangaande de medische klachten van eisers.

Bij nota van 3 april 2010 heeft het BMA - samengevat weergegeven - het volgende advies opgesteld ten aanzien van eiseres. Eiseres heeft psychische klachten ter zake van een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een psychotische stoornis NAO. Tevens moet rekening gehouden worden met suïcidaliteit. Behandeling bestaat uit cognitieve gedragstherapie en medicatie (antipsychoticum). Bij uitblijven van psychiatrische behandeling is een medische noodsituatie te verwachten. Eiseres kan reizen, mits de voortzetting van de behandeling op de plaats van bestemming is gegarandeerd. Er zijn wel voldoende behandelmogelijkheden in Armenië. De medische behandeling kan namelijk plaatsvinden in het Psychiatrisch Medisch Centrum te Jerevan, Armenië. In Georgië zou de behandeling plaats kunnen vinden in het Mental Clinical Hospital te Tblisi.

Bij aanvullende nota van 7 oktober 2010 heeft het BMA, in reactie op een brief van arts

A. Colmans, het volgende medegedeeld. De beoordeling van de aan- en afwezigheid van een veilige behandelomgeving valt buiten de reikwijdte van het medisch advies. Het gevoel van veiligheid - dat wordt ervaren door de betrokkene - is een subjectief gegeven en is hiermee niet toetsbaar voor de medisch adviseur. Ook is de beoordeling van de algemene veiligheid in een bepaald land een gegeven dat buiten de deskundigheid valt van de medisch adviseur van het BMA.

Bij nota van 3 april 2010 heeft het BMA - samengevat weergegeven - het volgende advies opgesteld ten aanzien van de medische klachten van eiser sub 1. Bij eiser sub 1 is sprake van een onduidelijk psychiatrisch toestandsbeeld. Eiser sub 1 vermijdt communicatie en littekens op zijn armen doen aan zelfverminking denken. Er is sprake van een psychiatrische opname in 2004 wegens een psychotische stoornis NAO. Het psychiatrisch toestandsbeeld lijkt stabiel te zijn maar roept ook vele vraagtekens op. Eiser sub 1 wordt behandeld door een GGZ-arts middels huisbezoeken en krijgt medicatie (antipsychoticum, antidepressivum en sedativum). Het is niet duidelijk hoe lang de behandeling zal duren. Een medische noodsituatie kan nog niet volledig worden uitgesloten. Eiser sub 1 kan wel reizen, mits voortzetting van de behandeling op de plaats van bestemming gegarandeerd is. Begeleiding tijdens de reis, beschikking over de medicatie en een zorgvuldige overdracht aan de toekomstige behandelaars op de plaats van bestemming zijn noodzakelijk. De behandelmogelijkheden in Armenië zijn wel voldoende.

Bij nota van 3 april 2010 heeft het BMA - samengevat weergegeven - het volgende advies opgesteld ten aanzien van de medische klachten van eiser sub 2. Eiser heeft een aanpassingsstoornis met angst. Eiser wordt behandeld door een GGZ-arts met psychomotore activiteit (‘sporttherapie’) en zo nodig met (gedragstherapeutische) gesprekken. De sporttherapie zal per april 2010 worden gestopt en er zullen nog een paar gesprekken volgen. Klachten behorende bij een PTSS worden niet meer genoemd en waargenomen. Er is geen sprake van een medische noodsituatie bij uitblijven van de behandeling. Eiser is voorts in staat te reizen met de gangbare vervoermiddelen. Of behandeling in Armenië aanwezig is, is volgens de medisch adviseur niet van toepassing.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, kan verweerder het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

4. In paragraaf B8/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is onder meer vermeld dat ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling kan worden verleend van het mvv-vereiste indien de terugkeer van de vreemdeling in verband met de medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5. Volgens paragraaf B8/3.1 van de Vc 2000 wordt onder medische noodsituatie verstaan: de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Onder 'op korte termijn' wordt verstaan binnen een termijn van drie maanden.

6. Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ten aanzien van het beroep van eiseres, met zaaknummer AWB 10/40571

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning op medische gronden en het verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen, omdat er gelet op het BMA-advies geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, nu behandeling in Armenië voldoende aanwezig is. Eiseres wordt volgens het BMA-advies voorts in staat geacht te reizen. Daarom is er naar de mening van verweerder geen aanleiding om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste, noch om haar uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

8.1 Eiseres heeft aangevoerd dat een door haar als veilig ervaren behandelomgeving een absolute voorwaarde vormt voor het kunnen behandelen van haar syndroom, zoals blijkt uit de medische verklaring van 3 augustus 2009 van dr. Colmans, welke verklaring eiseres tijdens de bezwaarfase bij brief van 10 augustus 2009 heeft overgelegd. Deze veilige behandelomgeving ontbreekt in Armenië. Deze behandelvoorwaarde is iets geheel anders dan de vraag of de oorzaak van het trauma een behandeling in het land van herkomst in de weg staat, wat verweerder in het bestreden besluit tegenwerpt. Verder is het onjuist dat het BMA ‘als zodanig’ als deskundig moet worden gezien. Wat betreft het concipiëren van medische adviezen en het beantwoorden van vragen in verband daarmee zijn alleen artsen deskundig en niet een ‘stafmedewerker’, die in dit geval de aanvullende nota van 7 oktober 2010 heeft opgesteld. Eiseres verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2010, r.o. 2.11 (JV 2010/334). De medisch adviseur had moeten beoordelen of aan de voorwaarde van een veilige behandelomgeving kan worden voldaan, nu deze door de behandelaar gestelde voorwaarde niet door het BMA is weersproken. Daarom is sprake van een beslissing, gebaseerd op een onvolledig medisch advies. Volgens het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) dienen factoren die debet zijn aan de effectiviteit van de behandeling te worden onderzocht en vermeld in het advies. Eiseres verwijst onder meer naar een uitspraak van het CTG van 22 januari 2010 (JV 2010/145). Het gaat hier om een medische beoordeling en niet om niet-medische factoren.

8.2 Verweerder heeft aangevoerd dat het CTG in zijn uitspraak van 22 januari 2010 heeft aangegeven dat een medisch adviseur ófwel onderzoek moet doen naar de stelling dat een veilige behandelomgeving noodzakelijk is en daar geen sprake van is in het land van herkomst van de vreemdeling, en de bevindingen daaromtrent moet weergeven, ófwel indien dit niet mogelijk is, de vragen van verweerder niet moet beantwoorden, en de redenen daarvoor vermelden. Dat laatste heeft het BMA in dit geval gedaan in de nota van 7 oktober 2010. Het BMA heeft daarin immers aangegeven dat het gevoel van veiligheid - dat wordt ervaren door de betrokkene - een subjectief gegeven is en niet toetsbaar is voor de medisch adviseur, alsook dat de beoordeling van de algemene veiligheid in een bepaald land buiten de deskundigheid valt van de medisch adviseur. Derhalve wordt voldaan aan de zorgvuldig-heidseisen zoals die zijn geformuleerd door de tuchtrechter.

8.3 De rechtbank overweegt dat, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (de Afdeling), het BMA-advies een deskundigenadvies is aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze te zijn opgesteld. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

8.4 De rechtbank stelt vast dat in de verklaring van 3 augustus 2009 van dr. Colmans is vermeld dat de oorsprong van het ontstaan van het psychiatrisch toestandsbeeld van eiseres in Armenië ligt en dat terugkeer naar deze omgeving de ernst van het toestandsbeeld zal doen toenemen. Deze omgeving zal door eiseres beslist niet als veilig worden ervaren. De essentiële voorwaarden voor de traumabehandeling van eiseres zijn in Armenië dan ook niet aanwezig. De rechtbank constateert verder dat het BMA in zijn algemeenheid heeft gereageerd op de stelling dat een veilige behandelomgeving noodzakelijk is, met de overweging dat de aan- en afwezigheid van een veilige behandelomgeving in het land van herkomst buiten de reikwijdte van het medisch advies valt en dat het BMA daar niets over kan zeggen.

8.5 De rechtbank is van oordeel dat, nu het BMA niet is ingegaan op de door dr. Colmans gestelde behandelvoorwaarde van een veilige behandelomgeving, verweerder niet zonder nadere onderbouwing kan stellen dat er (dus) voor eiseres wél voldoende behandelmogelijk-heden zijn in Armenië, zonder een antwoord te hebben op de verklaring van dr. Colmans. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank immers een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies voor zover het de vraag betreft of er voor eiseres in Armenië voldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn. Het standpunt van verweerder ter zitting dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is bevonden en dat daarom, zo begrijpt de rechtbank, aan de conclusie van dr. Colmans moet worden getwijfeld, is onvoldoende aanleiding om te oordelen dat geen sprake is van een aanknopingspunt voor twijfel aan het BMA-advies. De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op dat niet kan worden ingezien waarom een ongeloofwaardig bevonden asielrelaas de mogelijkheid dat de oorzaak van het trauma in Armenië ligt, zou uitsluiten.

Reeds hierom is het beroep gegrond en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

8.6 Uit het voorgaande volgt dat de conclusie van verweerder dat eiseres niet dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wegens haar gezondheidssituatie berust op ondeugdelijke gronden en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het beroep van eiser sub 1, met zaaknummer AWB 10/40573

9.1 Eiser sub 1 heeft aangevoerd, dat voor hem ook geldt dat voor de behandeling van zijn medische problemen noodzakelijk is dat er een veilige behandelomgeving in Armenië aanwezig is en dat het BMA gehouden was die behandelingsvoorwaarde van een veilige behandelomgeving te onderzoeken. Eiser sub 1 verwijst onder meer naar de zinsnede in een brief van 18 maart 2011 van psychiater-psychotherapeut V.J. van Petegem, waarin staat dat voor de behandeling van PTSS een voorwaarde is dat er eerst een veilige en voorspelbare leefsituatie wordt gecreëerd, met een zekere continuïteit, en dat de traumatisering stopt en ook niet weer terugkomt. Eiser sub 1 verwijst daarnaast naar de antwoorden van

23 september 2005 van verweerder op Kamervragen over getraumatiseerde asielzoekers (TK 2005-2006, Aanhagsel, p. 39-41), waarbij verweerder heeft bevestigd dat er voor een effectieve behandeling van PTSS veiligheid en vertrouwen moeten zijn. De medisch adviseur heeft over de noodzaak van een veilige behandelomgeving als behandelvoorwaarde echter geen uitspraak gedaan, aldus eiser.

9.2 Verweerder heeft aangevoerd dat de zinsnede in de brief van 18 maart 2011 van de behandelaar van eiser sub 1, niet specifiek ziet op de medische behandeling van eiser. Verweerder blijft subsidiair bij het standpunt dat het BMA niets kan zeggen over of er in Armenië een veilige behandelomgeving aanwezig is.

9.3 De rechtbank herhaalt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is waarvan verweerder - indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld - bij beoordeling van een aanvraag van mag uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De rechtbank overweegt dat eiser niet middels een medische verklaring heeft onderbouwd dat voor zijn behandeling een veilige behandelomgeving een basisvoorwaarde is en dat die basisvoorwaarde in Armenië niet aanwezig is. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het BMA-advies volgt dat onduidelijk is wat de precieze medische problemen van eiser sub 1 zijn en dat de behandeling bestaat uit verstrekking van medicatie en mantelzorg. In een dergelijke situatie is de enkele verwijzing naar algemene inzichten over de behandeling van PTSS in de Tweede Kamer en bij psychiater Van Petegem onvoldoende om een aanknopingspunt voor twijfel aan het BMA-advies op te leveren. De beroepsgrond faalt dan ook.

10.1 Eiser sub 1 heeft daarnaast aangevoerd dat in het hem betreffende BMA-advies van

3 april 2010 specifieke reisvoorwaarden zijn gesteld, waaronder een zorgvuldige overdracht van de behandeling aan de toekomstige behandelaars op de plaats van bestemming. Verweerder heeft zich er ten onrechte niet van vergewist of aan die reisvoorwaarde kan worden voldaan. Verweerder heeft zich uitsluitend in algemene zin laten informeren door de Dienst Terugkeer en Vertrek. Eiser verwijst naar twee uitspraken van de Afdeling van

4 september 2008 (JV 2008/393) en van 21 november 2008 (JV 2009/112).

10.2 Verweerder heeft ter zitting erkend dat aan het bestreden besluit om die reden een motiveringsgebrek kleeft, maar heeft de rechtbank verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van het volgende. Uit een uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011 (zaaknummer 201007028/1/V1) volgt dat verweerder het gebrek kan herstellen. Verweerder verwijst ter zitting naar het Psychiatrisch Medisch Centrum te Jerevan, genoemd in de informatie bij het BMA-advies, waarmee contact zal worden opgenomen voor de overdracht van eiser, zodra zijn uitzetting ter hand zal worden genomen.

10.3 De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft voldaan aan de vergewisplicht ten aanzien van de reisvoorwaarde dat er in Armenië een zorgvuldige overdracht aan de toekomstige behandelaars op de plaats van bestemming dient plaats te vinden. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder heeft echter wel ter zitting aangegeven met welke concreet bij naam genoemde behandelaar in het land van herkomst contact zal worden opgenomen teneinde aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarde te voldoen, namelijk het Psychiatrisch Medisch Centrum te Jerevan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met die verwijzing alsnog heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht. Anders dan eiser sub 1 heeft betoogd, is het aanwijzen van dit medisch centrum voldoende specifiek, nu uit het bron-document AM-1606-2009 blijkt dat dit Psychiatrisch Medisch Centrum één instelling is, met drie verschillende afdelingen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen blijven. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010 (LJN: BO6324).

11.1 Eiser sub 1 heeft voorts een beroep gedaan op het recht op eerbiediging van het gezinsleven dat hij in Nederland uitoefent met eiseres (zijn schoonzus) en eiser sub 2 (zijn broer), zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres zal immers niet zonder in een medische noodsituatie te geraken kunnen terugkeren naar Armenië. Eiser sub 1 meent dat hem daarom op grond van het uitoefenen van gezinsleven verblijf in Nederland dient te worden toegestaan.

11.2 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het bestreden besluit zal moeten worden herzien, indien het beroep van eiseres of eiser sub 2 gegrond zal worden verklaard, gelet op het gezinsleven dat eiser sub 1 met hen uitoefent.

11.3 De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande en op het feit dat het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dat het beroep van eiser sub 1 eveneens gegrond dient te worden verklaard in verband met het beroep op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank merkt voorts ten overvloede op dat een nieuwe beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM eventueel consequenties heeft voor de vraag of voor eiser sub 1 voldoende mantelzorg in Armenië aanwezig is.

12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het beroep van eiser sub 2, met zaaknummer AWB 10/40567

13.1 Eiser sub 2 heeft - onder andere - aangevoerd dat voor hem ook geldt, dat voor de behandeling van zijn medische problemen noodzakelijk is dat er een veilige behandel-omgeving in Armenië aanwezig is en dat de medisch adviseur had moeten beoordelen of aan die voorwaarde van een veilige behandelomgeving kan worden voldaan. Eiser verwijst naar de brief van 3 augustus 2009 van dr. Colman. Eiser heeft een aanpassingsstoornis met angst. Uit de ‘verklaring omtrent medische situatie vreemdeling’ van 15 januari 2009 blijkt dat de angstgevoelens de aard van de klachten bepalen. Ten tijde van het bestreden besluit is dat nog steeds aan de orde. Daarom is het al dan niet aanwezig zijn van een door hem als veilig ervaren behandelingsomgeving doorslaggevend. Verder kan bij het staken van de medische behandeling nog steeds een psychotische ontregeling worden verwacht, zoals eiser sub 2 heeft aangevoerd in de gronden van bezwaar. Dat er volgens het BMA-advies sprake is van een positieve ontwikkeling in het herstel en dat er geen typische PTSS-klachten meer worden genoemd, is onvoldoende om aan te nemen dat voormelde ontregeling niet zal optreden bij het staken van de behandeling. Onvoldoende is gemotiveerd dat staken van de behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie, aldus eiser sub 2. Daarom had verweerder hem moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000.

13.2 Verweerder heeft aangevoerd dat uit het BMA-advies van 3 april 2010 betreffende eiser sub 2 blijkt, dat er in het geval van eiser sub 2 geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. Ook heeft het BMA aangegeven dat eiser in staat wordt geacht te reizen met de gangbare vervoermiddelen en zijn daarbij geen reisvoorwaarden gesteld.

13.3 De rechtbank overweegt dat uit het BMA-advies van 3 april 2010 blijkt dat eiser sub 2 - op een aantal gedragstherapeutische gesprekken na - geen specifieke medische behandeling meer ontvangt. De beroepsgronden dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of er voor eiser sub 2 in Armenië een veilige behandelomgeving aanwezig is en dat onvoldoende is gemotiveerd dat er geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, kunnen reeds om die reden niet slagen. De enkele verwijzing naar het BMA-advies, waarin is opgenomen dat eiser nog enkele gedragstherapeutische gesprekken krijgt, is onvoldoende voor de conclusie dat hij nog onder behandeling staat of dat verweerder hem op grond van de hardheidsclausule had moeten vrijstellen van het mvv-vereiste.

14.1 Eiser sub 2 heeft voorts aangevoerd dat hij op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste, nu hij in gezins-verband samenleeft met (onder meer) eiser sub 1 en eiseres zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

14.2 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het besluit zal moeten worden herzien, indien het beroep van eiser sub 1 of van eiseres gegrond zal worden verklaard, gelet op het gezinsleven dat tussen eiser sub 2, eiser sub 1 en eiseres wordt uitgeoefend.

14.3 De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande en op het feit dat de beroepen van eiseres en eiser sub 1 gegrond worden verklaard, dat het beroep van eiser sub 2 eveneens gegrond dient te worden verklaard in verband met het beroep op artikel 8 van het EVRM.

15. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

16. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

17. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

18. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorzieningen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 3933,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor elk beroepschrift, 1 punt voor elk verzoekschrift, 1 punt per persoon voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

19. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 10/40571, AWB 10/40573, AWB 10/40567

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 10/40572, AWB 10/40574, AWB 10/40569

- wijst de verzoeken af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 300,-- (zegge: driehonderd euro) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 3933,-- (zegge: drieduizendnegenhonderddrieëndertig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 juli 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.: AS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.