Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3395

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/8236 en AWB 11/8237
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag, Turkse zelfstandige, voorwaarde levensvatbaarheid.

Betreft een herhaalde aanvraag van een Turkse zelfstandige. De rechtbank stelt vast dat het bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) nr. 2007/39 ingevoerde zogenoemde puntensysteem bij Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, nr. WJZ/9201649 ten aanzien van Turkse zelfstandigen weer is afgeschaft. Daargelaten de vraag of met de invoering van deze Beleidsregel aldus reeds geen sprake is van relevant nieuw recht voor eiser, stelt de rechtbank vast dat het thans door verweerder toegepaste beleid verschilt van het beleid zoals dat van toepassing was bij de eerste aanvraag van eiser in 2005. Het beleid in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zoals dat gold ten tijde van de eerste aanvraag hield immers in dat categorisch geen advies werd gevraagd aan de minister van Economische Zaken bij aanvragen voor Turkse en Marokkaanse bakkerijen en winkels in deegspecialiteiten. Verweerder heeft bij de thans in geding zijnde aanvraag wel advies gevraagd aan de minister van EL&I en heeft ter zitting toegelicht bij de beoordeling van de aanvragen thans, uit zorgvuldigheid, altijd advies te vragen. Nu er sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht, komt de rechtbank toe aan toetsing van het bestreden besluit.

Het is de rechtbank niet duidelijk wat in het advies wordt bedoeld met de term “levensvatbaarheid op termijn” en hoe dit zich verhoudt tot de voorwaarden voor toelating die golden op 1 januari 1973, de datum van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 (LJN: BN9181) volgt dat op 1 januari 1973 de voorwaarde werd gesteld dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang werd gediend en dat een wezenlijk Nederlands belang slechts aanwezig werd geacht indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Van een dergelijke bijdrage was slechts sprake indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. De rechtbank stelt vast dat in het advies van 6 april 2011 is vermeld dat aan de producten van eiser behoefte bestaat. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen toelichten hoe de in het advies genoemde “levensvatbaarheid op termijn” dient te worden gezien in verhouding met de door de Afdeling genoemde voorwaarden zoals die op 1 januari 1973 werden gesteld. Daarbij is voorts van belang dat het bedrijf van eiser al sinds 27 juni 2000 bestaat. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/8236 (beroep)

AWB 11/8237 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [1978], van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. H. Dogan, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.L.W. Schwarz, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 14 december 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “het verrichten van arbeid als zelf-standige” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 februari 2011, voor de tweede keer, ongegrond verklaard.

Op 10 maart 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van eveneens 10 maart 2011 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Bij brief van 11 maart 2011, ontvangen op 11 april 2011, heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Verweerder heeft bij brief van 17 mei 2011, door de rechtbank ontvangen op 18 mei 2011, een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2011. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden.

De voorzieningenrechter/rechtbank (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is vennoot in het bedrijf genaamd Erol specialiteitenbakkerij. Blijkens het door hem overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is hij sinds 9 november 2005 toegetreden tot de vennootschap. De datum van vestiging van de onderneming is 27 juni 2000.

Eiser heeft eerder op 29 november 2005 een aanvraag tot verlening van een verblijfs-vergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “het verrichten van arbeid als zelfstandige” ingediend. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2008 (AWB 09/695) is de afwijzing van die aanvraag in rechte komen vast te staan.

Op 20 december 2010 heeft de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) op verzoek van verweerder advies uitgebracht, welk advies aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. In dit advies staat vermeld dat eiser niet heeft aangetoond dat er een substantiële behoefte bestaat aan zijn bedrijf en dat hij evenmin de levensvatbaarheid van de onderneming heeft aangetoond. Daartoe is in het advies vermeld dat het ondernemingsplan summier is en geen marktanalyse of concurrentieanalyse bevat. Verder is in dezelfde straat reeds een bakkerij aanwezig. Uit de cijfers van de eerste drie kwartalen van 2010 blijkt voorts van een omzetdaling ten opzichte van 2009. Hierdoor valt de jaarlijkse ondernemers-beloning per vennoot onder het minimumloon.

Op 6 april 2011, na de instelling van het beroep, heeft de minister van EZ&I opnieuw advies uitgebracht, waarin is vermeld - samengevat weergegeven - dat, hoewel uit aanvullende gegevens van 17 december 2010 en 15 februari 2011 blijkt dat er behoefte bestaat aan de producten van eiser, nog altijd niet aannemelijk is gemaakt dat de onderneming levens-vatbaar is. De vennoten genereren onvoldoende inkomen en het bedrijfsresultaat is de laatste jaren dalend. Daarnaast is sprake van een stijgend negatief eigen vermogen van de aanvrager.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1 De rechtbank stelt vast dat eiser eerder een aanvraag tot verlening van een verblijfs-vergunning regulier voor het verrichten van arbeid als zelfstandige ten behoeve van hetzelfde bedrijf heeft ingediend, die is afgewezen. De onderhavige aanvraag is dus een herhaalde aanvraag.

1.2 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager in geval van een herhaalde aanvraag gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) te vermelden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat voor de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag, de rechtbank, los van de stellingen van partijen, direct moet treden in de vraag of zich sinds het eerdere besluit een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan dan wel dat aan de aanvraag nieuw gebleken feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

1.3 De rechtbank stelt vast dat het bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/39 ingevoerde zogenoemde puntensysteem bij Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, nr. WJZ/9201649 ten aanzien van Turkse zelfstandigen weer is verlaten. Daargelaten de vraag of met de invoering van deze beleidsregel reeds geen sprake is van relevant nieuw recht voor eiser, stelt de rechtbank vast dat het thans door verweerder toegepaste beleid verschilt van het beleid zoals dat van toepassing was bij de eerste aanvraag van eiser. Het beleid in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zoals dat gold ten tijde van de eerste aanvraag hield immers in dat categorisch geen advies werd gevraagd aan de minister van Economische Zaken bij aanvragen voor Turkse en Marokkaanse bakkerijen en winkels in deegspecialiteiten. Verweerder heeft bij de thans in geding zijnde aanvraag wel advies gevraagd aan de minister van EL&I en heeft ter zitting toegelicht bij de beoordeling van de aanvragen thans, uit zorgvuldigheid, altijd advies te vragen. Nu er sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht, komt de rechtbank toe aan toetsing van het bestreden besluit.

2.1 De rechtbank stelt verder vast dat verweerder na de totstandkoming van het bestreden besluit, op verweerders verzoek, een nieuw advies heeft ontvangen van de minister van EL&I inzake eisers bedrijfsactiviteiten, dat afwijkt van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder, alvorens een besluit op bezwaar te nemen eerst de door eiser in bezwaar overgelegde stukken ter nadere advisering aan de Minister van Economische Zaken had dienen voor te leggen en dat er in dat opzicht een zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit kleeft. Het beroep is derhalve gegrond.

2.2 Verweerder heeft de rechtbank verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit desondanks in stand te laten, nu uit het nieuwe advies nog altijd blijkt dat met de bedrijfs-activiteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend.

2.3 De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, gelet op het volgende. Doordat verweerder het nieuwe advies van 6 april 2011 pas op 18 mei 2011 in het geding heeft gebracht, heeft eiser geen gelegenheid gehad om ter zitting adequaat op het advies te kunnen reageren. Verder is het nieuwe advies naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk daar waar met betrekking tot het inkomen van eiser een netto bedrijfsresultaat met een bruto minimum jaarloon wordt vergeleken. Tot slot is het de rechtbank onduidelijk wat in het advies wordt bedoeld met de term “levensvatbaarheid op termijn” en hoe dit zich verhoudt tot de voorwaarden voor toelating die golden op 1 januari 1973, de datum van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 september 2010 (LJN: BN9181) was door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat op 1 januari 1973 de voorwaarde werd gesteld dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang werd gediend en dat een wezenlijk Nederlands belang slechts aanwezig werd geacht indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Van een dergelijke bijdrage was slechts sprake indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie. De rechtbank stelt vast dat in het advies van 6 april 2011 is vermeld dat aan de producten van eiser behoefte bestaat. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen toelichten hoe de in het advies genoemde “levensvatbaarheid op termijn” dient te worden gezien in verhouding met de door de Afdeling genoemde voorwaarden zoals die op 1 januari 1973 werden gesteld. Daarbij is voorts van belang dat het bedrijf van eiser al sinds 27 juni 2000 bestaat. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank derhalve geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.4 Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

3. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder

aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/8236,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/8237,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 304,-- (zegge: driehonderdvier euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-- (zegge: dertienhonderdelf euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 juli 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.: AG

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.