Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3272

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
09-752657-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld, gepleegd op 18 december 2010. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juli 2011 blijkt dat verdachte op 29 december 2010 werd veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens een poging tot afpersing en een voltooide afpersing. Nu verdachte schuldig verklaard zal worden aan een misdrijf dat vóór de strafoplegging van 29 december 2010 is gepleegd, heeft het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: artikel 63 Sr) te gelden. Dit betekent dat de rechtbank rekening zal houden met de samenloopregeling uit titel VI van het Wetboek van Strafrecht, in die zin dat zij is nagegaan wat de maximaal op te leggen gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld, waarna zij zich ervan heeft vergewist dat geen hogere straf wordt opgelegd dan op grond van die samenloopregeling mogelijk is. Nu het bewezen verklaarde twee dagen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 15 december 2010 heeft plaatsgevonden - en verdachte na het aanhoren van de feitenbehandeling, het requisitoir en de strafeis in elk geval vanaf dat moment een 'gewaarschuwd man' was - heeft de rechtbank zich bij de straftoemeting niet gehouden gevoeld een lagere straf op te leggen dan de straf die gewoonlijk in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dwingt artikel 63 Sr hiertoe overigens ook niet. Evenmin heeft de rechtbank zich - gezien de volgorde waarin voornoemde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden - geroepen gevoeld aansluiting te zoeken bij de 'laatste kans'-gedachte achter het eerdere vonnis, zoals door de raadsman voorgesteld. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/752657-10

Datum uitspraak: 27 juli 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 25 april 1990,

feitelijke verblijfplaats: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting1

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 juli 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van der Zwan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. T. Felix, advocaat te

's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 17 december 2010 tot en met 18 december 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een laptop (merk Dell) en/of een laptop (merk Acer) en/of een bankpas (ING) en/of een simkaart en/of twee fototoestellen (merken Olympus en Trust) en/of een horloge en/of een zonnebril (Rayban) en/of twee Afrikaanse maskers en/of een aansteker (merk Zippo) en/of twee tassen en/of aftershave (Ungaro) en/of kleding en/of een blik met munten en/of een schilderij ([naam]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- (op dwingende en/of agressieve toon) zeggen tegen die [A] om op een matras te gaan liggen en/of

- (vervolgens) (meermalen) slaan in het gezicht van die [A] en/of

- (vervolgens) (terwijl die [A] op een matras lag) slaan en/of schoppen in het gezicht en/of tegen het lichaam van die [A] en/of

- (vervolgens) (aan de rugzijde) vastbinden van de handen van die [A] en/of vastbinden van de voeten van die [A];

2.

hij op of omstreeks 12 november 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [B] heeft gedwongen tot de afgifte van twee (gouden) oorbellen en/of een (gouden) ketting, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (dreigend) met opgeheven arm en/of gebalde vuist aflopen op en/of staan voor die [B] en/of (daarbij) zeggen tegen die [B] dat hij, verdachte, die [B] in elkaar zou slaan als die [B] niet deed wat hij, verdachte, wilde en/of dat hij, verdachte, die [B] wat aan ging doen wanneer die [B] de politie zou bellen;

en/of

hij op of omstreeks 12 november 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (stempel)ring, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (dreigend) met opgeheven arm en/of gebalde vuist aflopen op en/of staan voor die [B] en/of (daarbij) zeggen tegen die [B] dat hij, verdachte, die [B] in elkaar zou slaan als die [B] niet deed wat hij, verdachte, wilde en/of dat hij, verdachte, die [B] wat aan ging doen wanneer die [B] de politie zou bellen;

3.

hij op of omstreeks 12 november 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen bankpas en/of enig(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [B], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- (dreigend) met opgeheven arm en/of gebalde vuist is afgelopen op en/of is gaan staan voor die [B] en/of

- (daarbij) gezegd tegen die [B] dat hij, verdachte, die [B] in elkaar zou slaan als die [B] niet deed wat hij, verdachte, wilde en/of

dat hij, verdachte, die [B] wat aan ging doen wanneer die [B] de politie zou bellen en/of

- (vervolgens) die [B] heeft gezegd zich aan te kleden en/of zijn pinpas te pakken en/of te zeggen/aan te duiden dat die [B] met hem, verdachte, mee moest gaan en/of

- (daarbij, althans na het uitspreken van vorengenoemde woorden) (dreigend) aan die [B] een broodmes heeft getoond, althans een broodmes in de handen heeft gehad,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met geweld diverse goederen heeft gestolen van [A].2 Daarnaast zou hij [B] enerzijds een gouden ketting en twee gouden oorbellen hebben afgeperst en anderzijds zou hij van [B] onder bedreiging van geweld een gouden ring hebben gestolen.3 Tot slot wordt verdachte ervan verdacht dat hij gepoogd heeft van voornoemde [B] onder bedreiging van geweld een bankpas en geld weg te nemen.4

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het hem onder 3 tenlastegelegde en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1 en 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van het hem onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2010 betreffende de camerabeelden alsmede de daaruit voortvloeiende herkenningen van verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu, kort gezegd, deze camerabeelden onrechtmatig zijn verkregen. Daarnaast moet de verklaring van aangever [A] met de nodige behoedzaamheid worden bekeken, nu [A] zich - in zijn verklaring op enkele punten, namelijk ter zake van de (aantallen) bierblikjes, simkaarten en mobiele telefoons - aantoonbaar heeft vergist. Nu [A] over deze zaken onjuist heeft verklaard, kan niet worden uitgesloten dat hij zich ten aanzien van de zaken die zogeheten 'dadersporen' op hebben geleverd - het bierblikje waarop DNA werd aangetroffen dat overeenkomt met dat van verdachte en de bankpas die op naam staat van verdachte - eveneens heeft vergist.

Ten aanzien van de feiten 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief en 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens gebrek aan overtuigend bewijs. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de fotoconfrontatie met [B], waarin verdachte als dader is aangewezen, niet bruikbaar is voor het bewijs. Ook heeft hij gesteld dat het signalement dat getuige [getuige 1] heeft gegeven van de man die hij uit de woning van zijn overbuurman zag wegrennen, op belangrijke punten afwijkt van het signalement dat aangever [B] van de dader heeft gegeven.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verdachte onder 1 tenlastegelegde het volgende.

Aangever [A] heeft over het gebeurde in de nacht van 17 op 18 december 2010 als volgt verklaard.

Aangever is rond middernacht met een hem tot dan toe onbekende man naar zijn woning te 's-Gravenhage gegaan. Nadat hij twee uur met de man had gesproken en blikjes bier met hem had gedronken, werd aangever door die man meermalen in zijn gezicht geslagen. Op aangeven van de man ging aangever vervolgens op een matras in de woonkamer liggen. Liggend op de matras werd aangever meermalen geslagen en geschopt in het gezicht en tegen het lichaam, waarbij hij voornamelijk in het gezicht werd geraakt. Vervolgens werd aangever met het snoer van de oplader van zijn elektrische tandenborstel met zijn handen op zijn rug geboeid. Zijn voeten werden geboeid met een telefoonsnoer. Aangever hoorde dat de man de vertrekken van zijn woning doorzocht. Toen de man weg was, zag aangever dat er twee laptops (merken Acer en Dell) waren weggenomen, evenals een ING bankpas en een simkaart.5 Voorts werden er twee fototoestellen (merken Olympus en Trust), een horloge, een Ray Ban zonnebril, twee Afrikaanse maskers, een Zippo aansteker, twee tassen, aftershave (merk Ungaro), kleding (waaronder een hoed), een blik met (buitenlandse) munten en een schilderij ([naam]) weggenomen.6 Al deze goederen behoorden aangever in eigendom toe.7 De dader had krullend halflang haar, aldus aangever.8

Rond 04:40 uur die nacht zag een buurman van aangever, getuige [getuige 2], blijkens zijn verklaring bij zijn thuiskomst een man uit de lift stappen. Deze man droeg een bril en een hoed en had twee tassen bij zich. Voorts had de man zwart krullend haar dat lang was op de schouders. De man vroeg aan [getuige 2] of hij naar de elfde etage ging.9

Nu uit de verklaring van aangever kan worden afgeleid dat enkele uren na middernacht uit diens woning onder meer een hoed, een (zonne)bril en twee tassen zijn weggenomen door een man met halflang krullend haar en nu aangever blijkens zijn verklaring10 bovendien op de elfde etage woont, houdt de rechtbank het ervoor dat [getuige 2] die nacht de man heeft gesproken die even tevoren uit de woning van aangever een aantal goederen heeft weggenomen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de aangifte op het punt van de daarin omschreven gewelddadigheden wordt ondersteund door het letsel zoals dat in het gezicht en op de polsen van aangever door een deskundige van het bureau forensische opsporing is geconstateerd.11

Voorts hebben de verbalisanten die nacht op de grond in de woonkamer van de woning van aangever een oplader van een elektrische tandenborstel met wit snoer en een telefoonsnoer aangetroffen met daarin enkele lussen12, omstandigheden die de aangifte op het punt van het daarin omschreven geweld verder ondersteunen.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat aangever die nacht in zijn woning op gewelddadige wijze is beroofd door een man met halflang, krullend haar.

Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid hierbij stelt de rechtbank voorop dat zij het verweer betreffende de camerabeelden zoals gevoerd door de raadsman verder onbesproken zal laten, nu zij het betreffende proces-verbaal noch de daaruit voortvloeiende processen-verbaal zal gebruiken voor het bewijs.

Over het daderschap van verdachte overweegt de rechtbank vervolgens dat zij ter terechtzitting heeft vastgesteld dat verdachte donker krullend haar heeft, dat in de nek tot op de schouders reikt.13 Dit komt overeen met het eerder genoemde signalement van de dader zoals aangever en getuige [getuige 2] dat hebben gegeven.

Daar komt bij, dat [A] in zijn woning een bankpas van Fortis heeft gevonden die niet aan hem toebehoorde. Deze bankpas zat in een tas die gevuld was met goederen en die mogelijk door de dader was klaargezet om mee te nemen.14 Uit onderzoek is gebleken dat de bankpas op naam staat van verdachte en gekoppeld is aan een rekening die eveneens op zijn naam staat.15

Voorts heeft de politie in een vuilnisbak in de keuken van de woning van aangever diverse blikjes bier aangetroffen, die zijn bemonsterd.16 Onderzoek heeft uitgewezen, dat op één van de bierblikjes een afgeleid DNA-hoofdprofiel is aangetroffen, dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.17

Voornoemde omstandigheden - het signalement, het bankpasje en de DNA-match - in samenhang bezien, brengen de rechtbank tot de slotsom dat het verdachte was, die [A] in de nacht van 18 december 2010 op gewelddadige wijze in zijn woning heeft beroofd. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank stelt ten aanzien van de onder 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief en 3 tenlastegelegde feiten vast dat er behalve de aangifte van [B] - al dan niet bezien in combinatie met diens herkenning van verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie - geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat verdachte bij deze feiten is betrokken. De signalementen die aangever [B] en buurtgenoot [getuige 1] hebben opgegeven wijken teveel van elkaar af om elkaar te ondersteunen. [getuige 1] heeft bovendien niets van het aan verdachte tenlastegelegde verwijt waargenomen. Nu de aangifte en de herkenning van verdachte bij de fotoconfrontatie uit één en dezelfde bron voortkomen en steunbewijs uit andere bron dat wijst op de betrokkenheid van verdachte ontbreekt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de feiten 2 en 3, zijnde deze feiten niet wettig bewezen. Het verweer zoals gevoerd door de raadsman betreffende het eventuele gebruik van voornoemde fotoconfrontatie behoeft hierdoor geen verdere bespreking.

3.4 De bewezenverklaring

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging dat:

1.

hij op 18 december 2010 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een laptop (merk Dell) en een laptop (merk Acer) en een bankpas (ING) en een simkaart en twee fototoestellen (merken Olympus en Trust) en een horloge en een zonnebril (Rayban) en twee Afrikaanse maskers en een aansteker (merk Zippo) en twee tassen en aftershave (Ungaro) en kleding en een blik met munten en een schilderij ([naam]) toebehorende aan [A], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen [A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken , welk geweld bestond uit het:

- meermalen slaan in het gezicht van die [A] en

- vervolgens (terwijl die [A] op een matras lag) slaan en schoppen in het gezicht en tegen het lichaam van die [A] en

- vervolgens (aan de rugzijde) vastbinden van de handen van die [A] en vastbinden van de voeten van die [A].

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - voor het geval de rechtbank ten aanzien van één of meer van de ten laste gelegde feiten tot een bewezenverklaring komt - bij wijze van subsidiair betoog bepleit dat rekening moet worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu verdachte op 29 december 2010 werd veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte werd hierbij een kans geboden zijn leven te beteren, welke kans hij nooit heeft kunnen grijpen door zijn aanhouding in januari 2011. De raadsman verzoekt de rechtbank aansluiting te zoeken bij voormelde gedachte uit het eerder gewezen vonnis en verdachte alsnog die kans te bieden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarnaast overweegt de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Verdachte heeft daarbij het slachtoffer meermalen geslagen, meermalen geschopt en bij zijn handen en voeten gekneveld in zijn eigen woning. Verdachte was in goed vertrouwen meegenomen naar de woning van het slachtoffer voor een gezellig vervolg van de avond. Verdachte heeft na enkele uren te hebben genoten van de gastvrijheid van het slachtoffer grof misbruik gemaakt van deze gastvrijheid, door het slachtoffer te beroven. De rechtbank rekent dit alles verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juli 2011 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in 2009 werd veroordeeld wegens een vermogensdelict. Ook blijkt hieruit dat verdachte op 29 december 2010 werd veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens een poging tot afpersing en een voltooide afpersing.

Nu verdachte schuldig verklaard zal worden aan een misdrijf dat vóór de strafoplegging van 29 december 2010 is gepleegd, heeft het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: artikel 63 Sr) te gelden. Dit betekent dat de rechtbank rekening zal houden met de samenloopregeling uit titel VI van het Wetboek van Strafrecht, in die zin dat zij is nagegaan wat de maximaal op te leggen gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld, waarna zij zich ervan heeft vergewist dat geen hogere straf wordt opgelegd dan op grond van die samenloopregeling mogelijk is. Nu het bewezen verklaarde twee dagen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting op 15 december 2010 heeft plaatsgevonden - en verdachte na het aanhoren van de feitenbehandeling, het requisitoir en de strafeis in elk geval vanaf dat moment een 'gewaarschuwd man' was - heeft de rechtbank zich bij de straftoemeting niet gehouden gevoeld een lagere straf op te leggen dan de straf die gewoonlijk in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dwingt artikel 63 Sr hiertoe overigens ook niet. Evenmin heeft de rechtbank zich - gezien de volgorde waarin voornoemde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden - geroepen gevoeld aansluiting te zoeken bij de 'laatste kans'-gedachte achter het eerdere vonnis, zoals door de raadsman voorgesteld.

De rechtbank heeft vervolgens bij de straftoemeting betrokken het reclasseringsadvies d.d. 21 april 2011 betreffende verdachte, waaruit naar voren komt dat verdachte op alle door de reclassering benoemde leefgebieden, waaronder alcohol-, softdrugs- en harddrugsgebruik, problemen ervaart. De reclassering merkt op dat zonder een juiste psychiatrische diagnostiek geen plan van aanpak of hulpverleningstraject kan worden opgesteld of aangevangen. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de brief van 15 maart 2011 van psychologen drs. Van der Hoorn en drs. Keppel, waaruit blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan enig psychologisch onderzoek. Ook ter terechtzitting heeft verdachte geen enkel inzicht in zijn beweegredenen of psyche willen verschaffen.

Zoals al overwogen, is aan verdachte op 29 december 2010 reeds een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht opgelegd. Hierin, alsmede in voormelde rapportage van de reclassering ziet de rechtbank aanleiding om niet opnieuw over te gaan tot oplegging van een voorwaardelijke straf, al dan niet met reclasseringstoezicht. Dit geldt temeer nu verdachte zich, behoudens een opmerking over het werk dat hij hoopt te gaan verrichten, door te zwijgen volledig op de vlakte heeft gehouden.

De rechtbank acht gelet op al het vorenstaande een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Wel zal zij, nu zij tot vrijspraak van het tweede feit is gekomen, afwijken van de eis van officier van justitie in voor verdachte gunstige zin.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot (circa) € 3.000,-.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu hij vrijspraak heeft verzocht van het onder 1 tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de som van de schadeposten geen € 3.000,- maar € 2.598,50 bedraagt. Voorts heeft de raadsman verzocht de vordering betreffende enkele posten wegens volledige afschrijving en het ontbreken van onderbouwing niet-ontvankelijk te verklaren en daarnaast de posten 2 en 3 af te waarderen wegens, kort gezegd, afschrijving tot een bedrag van in totaal € 164,-. De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat de kosten die samenhangen met de vervanging van de bankpas kunnen worden toegewezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij [A] rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Ter zake van de gevorderde (materiële) schade merkt de rechtbank op dat de benadeelde partij bij het opstellen van zijn vordering - behoudens het onder 11 genoemde bedrag van € 7,50 voor de vervanging van een bankpas - geen onderbouwing van de waarde van de gestolen goederen heeft gegeven en geen rekening heeft gehouden met de eventuele afschrijving daarvan. De raadsman heeft aangevoerd dat hij als vervangingswaarde van posten 2 en 3 - een laptop van het merk Acer en een camera van het merk Trust - € 139,- en € 25,- billijk acht. De rechtbank schaart zich achter de onderbouwing van de raadsman betreffende deze twee posten. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de vordering van de benadeelde partij betreffende de posten 2, 3 en 11 toewijsbaar tot een bedrag van € 171,50. Betreffende de overige goederen - te weten de posten 1 en 4 tot en met 10 zoals genoemd op het originele voegingsformulier en de bij separate brief opgesomde, ongenummerde posten - merkt de rechtbank op dat zij de (vervangings)waarde hiervan naar billijkheid schat op € 328,50 en dit deswege toewijsbaar acht.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-. Naar het oordeel van de rechtbank levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij wat betreft die schade niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A]. De rechtbank zal daarbij bepalen dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A] een bedrag van € 500,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (TIEN) DAGEN;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. J.T.W. van Ravenstein voorzitter,

J. Eisses en E.C.M. Bouman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Janssens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Daar waar verwezen wordt naar paginanummers wordt verwezen naar de doorgenummerde bundels processen-verbaal, (telkens) voorblad nr. PL1521 2010256992-1, van politie Haaglanden (p. 1 t/m 262).

2 Feit 1.

3 Feit 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief.

4 Feit 3.

5 Proces-verbaal van aangifte door [A], PL1521 2010256992-1, d.d. 18 december 2010, p. 35 t/m 38.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever [A], PL1521 2010256992-9, d.d. 20 december 2010, p. 43 t/m 44.

7 Proces-verbaal van aangifte door [A], PL1521 2010256992-1, d.d. 18 december 2010, p. 37; proces-verbaal van verhoor aangever [A], PL1521 2010256992-9, d.d. 20 december 2010, p. 43 t/m 44.

8 Proces-verbaal van aangifte door [A], PL1521 2010256992-1, d.d. 18 december 2010, p. 36, laatste alinea..

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], PL1521 2010256992-42, p. 173 t/m 174.

10 Proces-verbaal van aangifte door [A], PL1521 2010256992-1, d.d. 18 december 2010, p. 35, tweede alinea.

11 Proces-verbaal van aangifte door [A], PL1521 2010256992-1, d.d. 18 december 2010, p. 37; proces-verbaal van bevindingen, met fotobijlagen, d.d. 16 februari 2011, p. 193 t/m 206.

12 Proces-verbaal van bevindingen, PL1521 2010256992-2, d.d. 18 december 2010, p. 57 t/m 58; proces-verbaal van bevindingen, PL1521 2010256992-5, d.d. 18 december 2010, p. 59 t/m 60.

13 Eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 13 juli 2011.

14 Proces-verbaal van verhoor aangever [A], PL1521 2010256992-9, d.d. 20 december 2010, p. 44.

15 Proces-verbaal van bevindingen, PL1521 2010256992-19, d.d. 11 januari 2011, p. 71.

16 Proces-verbaal van bevindingen, PL1521 2010256992-2, d.d. 18 december 2010, p. 57 t/m 58; proces-verbaal van bevindingen, PL1521 2010256992-5, d.d. 18 december 2010, p. 59 t/m 60.

17 Forensisch technisch proces-verbaal d.d. 4 mei 2011, p. 207 t/m 212 alsmede een geschrift getiteld 'Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een diefstal met geweld gepleegd in Den Haag op 18 december 2010', van het Nederlands Forensisch Instituut, nummer 2011.02.03.140, d.d. 19 april 2011, p. 243 t/m 248.