Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 43172
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge de Richtlijn 2004/38/EG is een verwijderingsbesluit noodzakelijk om rechtmatig verblijf van een EU-burger te doen eindigen. Het (niet beëindigde) rechtmatig verblijf in aanmerking nemende is terecht op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag achterwege gelaten. Van een uitzondering in het kader van het Aznar Protocol is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10 / 43172

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.J. Verwers. Namens verweerder is verschenen mr. R.P.G. van Bel. Als tolk was ter zitting aanwezig I.P.Wolters- Nazarova.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op 23 april 1973 en in het bezit van de Litouwse nationaliteit, heeft op 17 december 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000

(Vw 2000).

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen onder verwijzing naar artikel

30, eerste lid aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser is in het bezit van de Litouwse nationaliteit en heeft derhalve, aldus verweerder, rechtmatig verblijf op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Uitzetting zal op die grond dan ook achterwege blijven. Omdat eiser de bescherming van de Nederlandse staat geniet, bestaat er voor verweerder thans nog geen aanleiding de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat in het geval van een burger van de Europese Unie (EU) diens rechtmatig verblijf slechts eindigt indien er sprake is van een verwijderingsbesluit. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar rechtsoverweging 45 en 46 van het arrest van het Hof van Justitie van de EG (thans EU geheten) van 7 september 2004 in de zaak [naam], alsmede naar de inhoud van de Richtlijn 2004/38/EG. Onder 5 van het bestreden besluit (rechtsgevolgen van deze beschikking) is weliswaar gesteld dat de afwijzing van de aanvraag de gevolgen heeft als opgesomd in artikel 45 van de Vw 2000 en dat eiser op basis van de onderhavige procedure niet langer rechtmatig in Nederland verblijft op grond van de onderhavige procedure,

maar dat dit onverlet laat dat eiser op grond van een andere procedure rechtmatig verblijf heeft. Kennelijk is met dit laatste gedoeld op rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan.

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn verblijfsrecht van beperkte duur is namelijk voor de periode dat hij volgens de Europese regelgeving in Nederland mag verblijven voor het zoeken naar werk, te weten drie maanden. Gerekend vanaf de datum van binnenkomst is deze termijn echter reeds verstreken, waarmee de rechtmatigheid van zijn verblijf is komen te vervallen, aldus eiser. Daarnaast eindigt rechtmatig verblijf volgens eiser op het moment dat hij ten laste komt van de staat vanwege genoten asielvoorzieningen. Het standpunt van verweerder dat eiser nog altijd rechtmatig in Nederland verblijft, heeft verweerder in de ogen van eiser dan ook onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft eiser betoogd dat artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een inbreuk betekent op bepalingen van internationaal asielrecht en met name het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), (Vluchtelingenverdrag) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat voor de toepassing hiervan (één ieder, elk persoon) - in tegenstelling tot de nationale wetgeving - geen beperkingen worden gesteld. Voorts heeft eiser in dit verband verwezen naar het Aznar Protocol dat bepaalt dat een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat niet in behandeling wordt genomen, tenzij er sprake is van een duidelijk risico van een ernstige inbreuk op onder andere de beginselen van vrijheid, democratie, respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden in het land van herkomst. Eiser heeft naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of een dergelijke situatie zich in zijn geval voordoet.

4. Artikel 30, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien;

(…)

b. de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l;”

5. Ingevolge artikel 8, onder e, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Niet in geschil is dat eiser, waarvan zijn Litouwse nationaliteit onbestreden is, een gemeenschapsonderdaan is. De rechtbank is vervolgens, in tegenstelling tot eiser, van oordeel dat niet is gebleken dat het rechtmatig verblijf van eiser, inmiddels is geëindigd.

De rechtbank volgt in deze het standpunt van verweerder dat ingevolge de Richtlijn 2004/38/EG en met name artikel 15 van die Richtlijn juncto de artikelen 30 en 31 een verwijderingsbesluit noodzakelijk is om dit rechtmatig verblijf te doen eindigen. De weigering om eiser een verblijfsvergunning te verlenen is echter niet een zodanig besluit. In dat besluit is bovendien uitdrukkelijk vermeld dat eiser niettegenstaande de afwijzing van zijn aanvraag rechtmatig verblijf heeft behouden.

Gesteld noch gebleken is verder van een onderzoek door verweerder wat heeft geleid tot besluitvorming omtrent een eventueel einde van dat rechtmatig verblijf al dan niet vanwege het verstrijken van de zogenoemde vrije termijn en/of het aanspraak maken op asielvoorzieningen. Het (niet beëindigde) rechtmatig verblijf van eiser in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag van eiser achterwege heeft gelaten en de aanvraag van eiser heeft afgewezen. De nationale wetgeving vormt in dat opzicht naar dezerzijds oordeel ook geen inbreuk, laat staan een ontoelaatbare inbreuk, op bepalingen van internationale regelgeving. De rechtbank betrekt hierbij dat de nationale wetgeving en met name artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, eiser slechts uitsluit van de nationale asielprocedure gedurende de periode van rechtmatig verblijf. Eiser heeft gedurende dat rechtmatig verblijf immers ook niet te vrezen voor bedreigingen waartegen het internationaal asielrecht bescherming beoogt te bieden. Indien het rechtmatig verblijf komt te vervallen, kan eiser alsnog verzoeken om asiel en zal zijn aanvraag tot een inhoudelijke beoordeling kunnen leiden. Van schending van het internationaal asielrecht kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn.

8. Mitsdien zal de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaren.

9. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van mr.

P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 juli 2011.

w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 juli 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.