Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2467

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
10 - 31408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet draagkrachtig gemotiveerd dat de handelingen die aan eiser worden verweten, te weten marteling, gepleegd zijn als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. Uit de door verweerder aangehaalde informatie, noch uit de verklaring van eiser zelf, blijkt dat het martelen van arrestanten en gevangenen, ten einde een bekentenis af te dwingen, voorkwam in het vooronderzoek, dan wel dat hieraan een vooropgezet plan ten grondslag lag en dat de handelingen werden uitgevoerd volgens een vast patroon. Verweerder heeft dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat artikel 1(F), aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Er is geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen, omdat verweerder op goede gronden artikel 1(F), aanhef en onder b en c Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die is verboden in artikel 3 EVRM.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wordt geoordeeld dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 8 januari 2002. De redelijke termijn is met vier jaar, vijf maanden en acht dagen overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 31408

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 juli 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 15 juli 2000 een aanvraag ingediend tot toelating als vluchteling. Op 8 januari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 1 mei 2002 (AWB 02/4308) is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en doorgestuurd naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift. Op 16 september 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 26 november 2002 (AWB 02/70972) is het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en is verweerder opgedragen voor 1 maart 2003 een beslissing op de aanvraag te nemen.

1.2 Op de voet van artikel 6:20, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder vervolgens bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2003 op de aanvraag van 15 juli 2000 beslist. In dat besluit heeft verweerder verzoekers aanvraag om toelating als vluchteling op grond van artikel 117 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Op 18 augustus 2004 heeft verweerder het voormelde besluit ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder de aanvraag bij beslissing op bezwaar van 5 februari 2008 wederom afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dat besluit op 4 maart 2008 beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingediend.

1.3 Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 4 juli 2008 (AWB 08 / 7846) is het verzoek toegewezen in die zin dat verweerder is verboden eiser Nederland uit te zetten tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

1.4 Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 26 maart 2009 (AWB 08 / 7844) is het beroep gegrond verklaard. Hiertegen is door verweerder hoger beroep ingesteld.

1.5 Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 september 2010 (200902995/1/V2) is het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 26 maart 2009 vernietigd en is de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is.

2.2 In artikel 1, aanhef en onder 1, Vw, is bepaald dat onder verdragsvluchteling wordt verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1954, 88), gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76), en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn (hierna: Vluchtelingenverdrag).

2.3 Ingevolge artikel 1, onderdeel F, (1(F)) Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen (1(F)(a));

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten (1(F)(b));

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties (1(F)(c)).

2.4 Ingevolge artikel 7, eerste lid van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (hierna: het Statuut van Rome), voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van dit Statuut onder misdrijf tegen de menselijkheid elke van de volgende handelingen verstaan, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: (…)

(…)

f. marteling

2.5 Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, Statuut van Rome, betekent voor de toepassing van het eerste lid “aanval gericht tegen een burgerbevolking”: een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een Staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft.

2.6 Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, Statuut van Rome, voor zover hier van belang, betekent “marteling” het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt.

2.7 Voor de vraag of sprake is van artikel 1(F) aanhef en onder b, is allereerst van belang of het misdrijf een politiek karakter heeft of niet. In paragraaf C4/3.11.3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is bepaald dat ondermeer foltering als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b) Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt, ook indien de pleger zich beroept op de politieke aard van het delict. Een ernstig niet-politiek misdrijf voldoet bij voorbaat niet aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit waaraan volgens de predominantietest moet worden getoetst en kan derhalve nimmer worden beschouwd als een politiek misdrijf.

2.8 In paragraaf C4/3.11.3.3 Vc is vermeld dat, teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, de ‘personal and knowing participation test’ wordt toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is volgens dit beleid in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikelen 25 en 27 tot en met 33).

Van ‘knowing participation’ is, voor zover hier van belang, sprake, indien betrokkene werkzaam was voor een onderdeel van een regerings- of overheidsorgaan, bijvoorbeeld voor een onderdeel van het leger, de veiligheidsdienst of de politie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) heeft gepleegd in de periode dat betrokkene daar werkzaam was. Van ‘personal participation’ is, voor zover hier van belang sprake, indien uit verklaringen van betrokkene of uit ontvangen informatie blijkt dat betrokkene het misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) persoonlijk heeft gepleegd dan wel daaruit blijkt dat het misdrijf onder verantwoordelijkheid van betrokkene is gepleegd.

2.9 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Hij heeft in de periode van 1997 tot [datum] 1999 voor de Justitiële Politie in Iran gewerkt. Hij verrichtte deze werkzaamheden in de plaats [naam], in de provincie [naam]. [functieomschrijving]. In deze functie was hij verantwoordelijk voor het afhandelen van strafdossiers, zoals moord, doodslag en verkrachting. Bij belangrijke arrestaties was eiser zelf aanwezig en de belangrijke verhoren deed eiser ook zelf. De overige zaken delegeerde hij aan collega’s. Tijdens de verhoren van de Justitiële Politie was het gebruikelijk dat er werd mishandeld om verklaringen los te krijgen. Eiser is zelf ook een keer bij zo’n mishandeling geweest. Daarnaast werden verschillende intimidatietechnieken gebruikt om informatie los te krijgen. De rechtbank gaf meestal de opdracht voor deze praktijken.

Begin en medio 1999 ontving eiser brieven van de Sazman-e Hefazat-e wa Etalaát Keshwari, de inlichtingen- en veiligheidsdienst (hierna: Hefazat) waarin hem verzocht werd met deze organisatie samen te werken. In juli 1999 vertrok eiser vervolgens in opdracht van de Hefazat naar Teheran om dossiers op te halen. Het was de bedoeling dat eiser een aantal personen zou verhoren. De twee personen om wie het ging hadden naar het oordeel van eiser niets verkeerd gedaan. Het betrof personen die zich inzetten voor de strijd voor vrijheid. Zij hadden pamfletten in een drukkerij laten afdrukken. Eiser heeft aan de rechtbank gerapporteerd dat de twee personen vrijgesproken moesten worden. Echter, de twee zijn ondanks eisers rapportage veroordeeld tot respectievelijk de doodstraf en levenslange gevangenisstraf. Met hulp van een vriend heeft eiser ervoor gezorgd dat de twee personen konden ontsnappen uit de gevangenis. Direct daarna is eiser ondergedoken en enkele maanden later is hij Iran ontvlucht.

2.10 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Aan eiser wordt het gestelde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Eiser wordt in verband gebracht met het folteren van verdachten teneinde een bekentenis te verkrijgen. Deze gedraging maakt deel uit van een wijdverbreide of systematische aanval die is gericht tegen de burgerbevolking. Voorts zijn de door eiser begane folteringen aan te merken als absoluut niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De handelingen van eiser zijn daarnaast aan te merken als handelingen in strijd met de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag. Verder is er ten aanzien van eiser sprake van ‘personal and knowing participation’. Verweerder meent voorts dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling welke in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat het deel van het relaas waaraan eiser de vrees voor die behandeling ontleent, niet geloofwaardig wordt geacht.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.11 In de uitspraak van 26 maart 2009 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats, kort weergegeven, geoordeeld dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door verweerder aan eiser verweten handelingen de kwalificatie ‘foltering’ kunnen dragen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de door verweerder aangehaalde rapporten en ambtsberichten niet blijkt dat het onderdeel waarvoor eiser werkte, de Justitiële Politie, op systematische wijze of op grote schaal 1(F)-misdrijven heeft gepleegd. De rechtbank oordeelde dan ook dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat artikel 1(F)(a) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.

2.12 De Afdeling heeft in hoger beroep, kort weergegeven, geoordeeld dat de verklaringen van eiser voldoende zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat eiser opzettelijk pijn of ernstig lijden heeft veroorzaakt bij personen die zich in zijn macht bevonden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder gelet hierop voldoende heeft gemotiveerd dat de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, vallen onder artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van het Statuut van Rome, zodat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De Afdeling heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank voor de behandeling van het beroep.

2.13 Aldus staat thans in rechte vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan marteling in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van het Statuut van Rome. Voor de beoordeling of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond daarvan artikel 1(F)(a) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, zal de rechtbank, alvorens te kunnen toekomen aan de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser voor voormelde gedragingen individueel verantwoordelijk kan worden gehouden, eerst moeten beoordelen of die gedragingen zijn gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking.

2.14 In haar uitspraak van 31 augustus 2005 (geregistreerd onder nummer 200502650/1) heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“De Engelstalige tekst van artikel 7, eerste lid, van het Statuut is op dit punt gelijkluidend aan die van artikel 3 van het Statuut voor het Rwanda Tribunaal. Het International Criminal Tribunal for Rwanda (…) heeft in de rechtsoverwegingen 579 en 580 van de uitspraak van 2 september 1998 in Case No. ICTR-96-4-T (zaak Akayesu) ten aanzien van laatstbedoelde bepaling als volgt overwogen:

“The Chamber considers that it is a prerequisite that the act must be committed as part of a widespread or systematic attack and not just a random act of violence. The act can be part of a widespread or systematic attack and need not be a part of both.

The concept of ‘widespread’ may be defined as massive, frequent, large scale action, carried out collectively with considerable seriousness and directed against a multiplicity of victims. The concept of ‘systematic’ may be defined as thoroughly organised and following a regular pattern on the basis of a common policy involving substantial public or private resources. There is no requirement that this policy must be adopted formally as the policy of a state. There must however be some kind of preconceived plan or policy.”

Mede gelet op deze uitspraak, moet een stelselmatige aanval in de zin van artikel 7, eerste lid, van het Statuut worden aangenomen, indien aan de desbetreffende handelingen een vooropgezet plan ten grondslag ligt of deze worden uitgevoerd volgens een vast patroon. Anders dan bij een wijdverbreide aanval, is voor een stelselmatige aanval niet een groot aantal slachtoffers vereist. Wel volgt uit artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van het Statuut dat de desbetreffende handelingen meermalen moeten zijn gepleegd.”

2.15 In paragraaf C4/3.11.3.3 Vc is neergelegd dat de bewijslast voor het aantonen van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een bijzondere is. Verweerder moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag van toepassing is hoeft niet te worden bewezen volgens de in het strafrecht gehanteerde maatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd.

2.16 De rechtbank stelt voorop dat, gelet op hetgeen verweerders gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft verklaard, verweerder zich niet op het standpunt stelt dat de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, deel hebben uitgemaakt van een wijdverbreide aanval op de burgerbevolking, maar dat deze gedragingen gelet op de stukken en de verklaringen van eiser deel uitmaken van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking.

2.17 Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.13 is aangehaald, moet de vraag of sprake is van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking worden beantwoord aan de hand van de volgende criteria:

- de handelingen moeten ‘thouroughly organised’ zijn, en worden uitgevoerd volgens een vast patroon op basis van een ‘common policy’, waarmee substantiële publieke of private middelen zijn gemoeid. Er hoeft daarbij geen sprake te zijn van een formeel beleid, maar wel van een bepaalde mate van vooropgezette planning of gedragslijn;

- de handelingen moeten meermalen zijn gepleegd en

- de handelingen moeten zijn gericht tegen (een deel van) de burgerbevolking.

2.18 Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de handelingen van eiser deel uit maakten van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking de volgende rapportages ten grondslag gelegd:

- rapportage van de Special Representative van de Verenigde Naties van 11 februari 1997 met kenmerk E/CN.4/1997/63;

- update to the UNHCR CDR Background Paper on refugees and asylum seekers from Iran van 1 mei 1997;

- rapportage van de Special Representative van de Verenigde Naties van 28 december 1998 met kenmerk E/CN.4/1999/32;

- Amnesty International Annual Report van 1999;

- Country Reports on human rights practices Iran 1999 van het US Department of State 1999;

- Amnesty International Annual Report van 2000;

- ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot Iran van 5 maart 1998 en 9 december 1998.

Daarnaast baseert verweerder zich op de verklaringen van eiser.

2.19 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in de periode van 1997 tot [datum] 1999 voor de Justitiële Politie in Iran heeft gewerkt [functieomschrijving]. Voor zover de informatie die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd dateert van vóór deze periode, kan deze informatie derhalve niet worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de Justitiële Politie in de periode dat eiser daar werkzaam was, betrokken was bij een stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Dat betekent dat de rapportage van de Special Representative van 11 februari 1997 niet in deze beoordeling kan worden betrokken, nu deze rapportage, gelet op de datum waarop deze is geschreven, gebaseerd is op informatie die dateert van vóór de periode waarin eiser voor de Justitiële Politie werkzaam is geweest. Hetzelfde geldt voor het Background Paper van de UNHRC van 1 mei 1997, aangezien dat op het punt van mishandeling is gestoeld op informatie van Amnesty International van 1995 en 1996, de rapportage van de Special Representative van 11 februari 1997 en de UN Commission on Human Rights van 16 januari 1995.

2.20 Ten aanzien van de rapporten van Amnesty International van 1999 en 2000 heeft verweerder overwogen dat hieruit blijkt dat de rechten van gevangenen in de periode dat eiser bij de Justitiële Politie werkte veelvuldig werden geschonden en dat vooral tijdens de eerste periode van detentie vaak martelingen plaatsvonden om verdachten een bekentenis af te dwingen.

2.21 In het rapport van Amnesty International van 1999 wordt in het algemeen opgemerkt dat “[r]eports of torture and ill-treatment continued to be received and judicial punishments of flogging and stoning continued to be imposed”. Vervolgens komt in dat rapport de zin, “Torture and ill-treatment continued to be reported” voor.

In het rapport van Amnesty International van 2000 wordt in het algemeen opgemerkt dat “[t]here were continued reports of torture and ill-treatment…”. Vervolgens wordt in een aparte passage, onder het kopje “Torture and ill-treatment”, gerapporteerd dat “[s]everal defendants facing trial before Revolutionary Courts stated that they were tortured during detention, prior to trial or release on bail.”

2.22 Nog afgezien van het feit dat uit de informatie die uit deze rapporten blijkt niet kan worden geconcludeerd dat vooral tijdens de eerste periode van detentie vaak martelingen plaatsvonden om een bekentenis af te dwingen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank uit deze informatie niet kunnen afleiden dat sprake was van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Immers, slechts in het algemeen wordt opgemerkt dat marteling en mishandeling werd gerapporteerd. Hieruit blijkt niet dat aan de mishandeling een vooropgezet plan ten grondslag lag en dat de handelingen werden uitgevoerd volgens een vast patroon, noch op welke schaal of met welke frequentie mishandeling plaatsvond. Het voorgaande geldt evenzeer voor de rapportage van de Special Representative van 28 december 1998. In deze rapportage is onder het kopje ‘Torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment’ opgenomen dat “[t]he Special Representative continues to receive reports of torture committed in Iran. It is safe to say that torture has been practised in Iran for a very long time. The Special Representative notes that it exists, notwithstanding a specific provision in the Iranian Constitution banning it.”

2.23 Onder verwijzing naar het Country Report van 1999 heeft verweerder overwogen dat hierin geconcludeerd is dat in de grondwet van Iran vermeld staat dat folteren verboden is, maar dat het eveneens bekend is dat de veiligheidsdiensten en het personeel van gevangenissen voortdurend de rechten van gearresteerden en gedetineerden schenden door het toepassen van folteringen.

2.24 In het Country Report van 1999 is onder het kopje ‘Torture and other cruel, inhuman, or degrading treatment or punishment’ het volgende opgenomen: “The Constitution forbids the use of torture; however there are numerous, credible reports that security forces and prison personnel continue to torture detainees and prisoners.” Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze informatie dat marteling en mishandeling van arrestanten en gevangenen door personeel van veiligheidsdiensten en gevangenissen nog steeds plaatsvindt maar niet, zoals verweerder suggereert door gebruik van het woord ‘voortdurend’, met grote regelmaat of op grote schaal. Afgezien hiervan, blijkt uit deze informatie evenmin dat de martelingen en mishandelingen plaats vonden in het vooronderzoek teneinde bekentenissen te verkrijgen, noch dat hieraan een vooropgezet plan ten grondslag lag en dat de handelingen werden uitgevoerd volgens een vast patroon. Verweerder heeft ook op grond van deze informatie niet tot de conclusie kunnen komen dat de handelingen van eiser deel uitmaakten van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking.

2.25 Verder heeft verweerder in het bestreden besluit informatie uit de ambtsberichten van 5 maart en 9 december 1998 aangehaald. De rechtbank oordeelt dat uit deze informatie slechts valt af te leiden dat “soms” mishandeling en marteling plaatsvond en dat in de eerste periode van detentie grove schendingen van mensenrechten “kunnen” plaatsvinden. Voorts blijkt ook uit deze informatie niet dat het martelen van arrestanten en gevangenen teneinde een bekentenis af te dwingen daadwerkelijk voorkwam bij de Justitiële Politie of elders in het vooronderzoek, noch dat hieraan een vooropgezet plan ten grondslag lag en dat de handelingen werden uitgevoerd volgens een vast patroon. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, hoewel verweerder kan worden nagegeven dat in de door verweerder aangehaalde informatie een zorgelijk beeld wordt geschetst van de situatie van de rechtspleging in Iran in het algemeen en de misstanden die daarbij voor kunnen komen, verweerder hiermee onvoldoende draagkrachtig en zorgvuldig heeft gemotiveerd dat het martelen en mishandelen van arrestanten of gevangenen door eiser teneinde hen een bekentenis af te dwingen, deel heeft uitgemaakt van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking. Uit de door verweerder aangehaalde informatie blijkt immers niet dat de Justitiële Politie dan wel een ander orgaan in het vooronderzoek zich schuldig heeft gemaakt aan het martelen en mishandelen van arrestanten of gevangenen teneinde hen een bekentenis af te dwingen, noch anderszins dat de door eiser gepleegde handelingen deel hebben uitgemaakt van een stelselmatige aanval op de burgerbevolking.

2.26 Verweerder heeft zich bij de beoordeling van de vraag of artikel 1(F), aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag van toepassing is, ook gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor en tijdens het gehoor van 9 januari 2003 bij de ambtelijke commissie van verweerder dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaarschrift.

2.27 Tijdens het nader gehoor heeft eiser, voor zover hier van belang, blijkens pagina 9 van het rapport van nader gehoor het volgende verklaard:

“Het is eigenlijk bij de Justitiële Politie gebruikelijk om mensen te mishandelen, slaan en zo een bekentenis te krijgen, maar dat was niet mijn manier van werken. Ik werkte heel rustig en probeerde angst te wekken en zo heel rustig de verdachte tot een verklaring te brengen. […]

Er is een zaak geweest waar mishandeling bij aan te pas kwam. Dat was een gewapende overval in een woning waarbij de vrouw werd vermoord. Alle spullen van die mensen werden meegenomen door de overvallers. Er was nog een klein kind in het huis en die heb ik persoonlijk meegenomen naar het archief en ik heb een foto aan dat kind laten zien en dat kind bevestigde dat de persoon op de foto de dader was. Bij zijn arrestatie hebben we hem drie tot vier uur geslagen totdat hij een bekentenis aflegde en vertelde waar hij deze spullen had verborgen. Wij hebben hem zwaar mishandeld.”

2.28 Tijdens het gehoor van 9 januari 2003 heeft eiser, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“Betrokkene: Ik gaf de voorkeur aan een rustige manier van verhoren om zo het vertrouwen te kunnen winnen. De verhoren verliepen gemoedelijk en rustig.

Voorzitter: Wat deed u als iemand niet reageerde op uw aanpak?

Betrokkene: Ik heb het altijd succesvol kunnen doen.

Voorzitter: Tijdens het nader gehoor heeft u op pagina 9 verklaard dat u angst probeerde te wekken. Wat bedoelde u daarmee?

Betrokkene: Daarmee bedoelde ik dat de rechtbank de politie de bevoegdheid geeft mensen te slaan. Dat gaat alleen om professionele misdadigers: moordenaars, verkrachters bijvoorbeeld. Zij mochten volgens de wet geslagen worden. Er stond dan een notitie in het dossier. […] Eén keer heb ik een dergelijk dossier gehad. […] Dit dossier ging over een persoon die een huis leeggeroofd had en de vrouw des huizes had vermoord. […] We hebben de verdachten gevonden en het dossier naar de rechtbank gestuurd. Een officier, het hoofd van de recherche, en nog drie andere hoge officieren vroegen en kregen de bevoegdheid van de rechtbank om deze personen te slaan. Ik was bij dat verhoor aanwezig. […] De mishandeling had plaatsgevonden tijdens het verhoor, waar ik aanwezig was. Ik heb echter niet geslagen, maar was erbij aanwezig. Ik was geen officier van een afdeling, die die bevoegdheid had. Tijdens dat verhoor is die man geslagen en werd ik erop aangesproken, omdat ik er bij aanwezig was. … Ik heb hem gewoon verhoord en dat heb ik tegen de rechtbank gezegd. Mijn verhoren vond de rechtbank niet voldoende. Ze wilden meer. Als iemand van de rechtbank verantwoordelijk wordt gesteld, zet dat mijn bevoegdheid opzij. Op basis van sporen en bewijzen was het de politie duidelijk dat hij de schuldige was. Hij ging huilen. Ik vond dat er genoeg bewijzen waren en het dossier naar de rechtbank gestuurd. Toen zei de rechtbank dat de verdachte moest bekennen en dat de gestolen goederen en het moordwapen gevonden moesten worden.

Voorzitter: U heeft eerder verklaard dat u angst probeerde te wekken. Hoe ging dat in zijn werk?

Betrokkene: Bij personen die voor het eerst gepakt waren, was er weinig voor nodig. Ik zei tegen deze personen dat als zij bekenden het nog wel goed met hen zou komen. Dan bekenden ze vanzelf.

Voorzitter: Hoe ging het dan met mensen die niet voor het eerst gepakt waren?

Betrokkene: Ik legde dan hun situatie uit, namelijk dat zij reeds antecedenten hebben. Ik probeerde dan op een vriendelijke manier met hen te praten en zei dat ik belast was met het onderzoek. Als zij op een normale manier meewerkten, beloofde ik dat ik alles zou onderzoeken en zou proberen strafvermindering te geven. Als ze dan niet meewerkten, zei ik dat ik het dossier dan moest overdragen en dat ze hen dan zover zouden krijgen dat zij hardhandig tot een bekentenis zouden komen. Sommigen maakte ik op deze manier bang. Wat ik ook wel deed was dat ik twee andere officieren de opdracht gaf om een slaanscène te spelen in een kamer naast de verhoorkamer. Nadat sommige verdachten de geluiden daar hoorden, wilden zij meteen bekennen. Als ze bang waren en begonnen te huilen had ik met hen te doen. Dat heeft in mijn voordeel gewerkt.

Voorzitter: Aan welke afdeling zou het dossier dan overgedragen worden?

Betrokkene: Dat zei ik alleen om ze bang te maken. Ik zei dat er anderen waren die zouden gaan slaan, maar dat was niet zo. […] Wat ik net vertelde waren aangaande jonge delinquenten, waarmee het nog wel eens goed zou kunnen komen. Met zware criminelen probeerden we zoveel mogelijk bewijzen te verzamelen. […]

We hebben verschillende organisaties in Iran. Hier is maar één politie. Als mensen binnen andere afdelingen sloegen, kon ik er niets tegen doen. Ik wist wel dat dat gebeurde. Bij de afdeling verdovende middelen werd er geslagen. Als ze iemand met verdovende middelen pakte dan werd deze persoon geslagen en ze probeerden op die manier ook iedereen op te pakken. Maar daar heb ik zelf nooit gewerkt. […] Ik wilde van jongs af aan bij de politie gaan werken om misdaden te bestrijden. Dat is niet iets slechts.”

2.29 Bij brief van 15 oktober 2003 heeft eiser zijn verklaringen in het nader gehoor middels gecorrigeerd en aangevuld. Uit deze correcties en aanvullingen blijkt, voor zover hier van belang, dat eiser aangeeft dat zijn verklaringen op pagina 9, alinea 6, van het rapport van nader gehoor niet correct zijn weergegeven. Eiser stelt te hebben gezegd dat “als de rechtbank toestemming gaf tot geweld dan mensen worden mishandeld. Dit was niet gebruikelijk bij de afdeling onderzoek. Geweld is ook niet nodig. Soms is er ander bewijsmateriaal zoals sporen en getuigen. Het dossier gaat dan meteen naar de rechter. Ik zette de verdachte onder druk.”

2.30 Deze correcties en aanvullingen komen overeen met hetgeen in het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 21 december 1999 met betrekking tot Iran, dat door verweerder in het verweerschrift is aangehaald, is vermeld. In dit ambtsbericht is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“In eerdere ambtsberichten is melding gemaakt van grove schendingen van mensenrechten in de eerste periode van detentie. Het is niet eenvoudig te preciseren in verband met welk delict de kans op foltering toeneemt. In algemene zin kan worden aangenomen, dat deze grove schendingen eerst pas (kunnen) voorkomen bij een ernstig delict of bij ernstige politieke zaken met het doel om een verklaring los te kunnen krijgen. Dit belang is bij een ‘gewoon’ commuun delict niet of nauwelijks aanwezig.”

2.31 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook met de verwijzing naar de verklaringen van eiser evenwel niet draagkrachtig gemotiveerd dat de martelingen door eiser gepleegd zijn als onderdeel van een stelselmatige aanval die was gericht op de burgerbevolking. Uit de verklaringen van eiser, in onderlinge samenhang en in samenhang met genoemde ambtsberichten bezien, valt immers niet op te maken dat de door hem beschreven praktijken gangbaar waren in de organisatie waarvoor eiser werkte, danwel elders in het vooronderzoek. Derhalve valt daaruit niet af te leiden dat sprake is geweest van ‘thouroughly organised’ handelen en dat is gehandeld volgens een vast patroon op basis van een ‘common policy’.

2.32 Nu blijkens het voorgaande noch uit de door verweerder aangehaalde informatie, nochuit de verklaringen van eiser zelf kan worden afgeleid dat de handelingen van eiser deel uit maakten van een stelselmatige aanval die was gericht op de burgerbevolking, kunnen deze handelingen niet worden gekwalificeerd als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7, eerste lid, van het Statuut van Rome. Verweerder heeft dan ook onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat artikel 1(F), aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.

2.33 In zoverre slaagt de beroepsgrond. De rechtbank zal het bestreden besluit evenwel niet vernietigen. Daartoe is het volgende redengevend.

2.34 Verweerder heeft niet alleen aan eiser tegengeworpen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, Vluchtelingen verdrag, maar ook aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b en c, Vluchtelingenverdrag. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat eiser zich, zoals in rechte thans vaststaat, heeft schuldig gemaakt aan marteling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder e, van het Statuut van Rome, dat marteling naar zijn aard een absoluut niet-politiek misdrijf is, dat in strijd is met de beginselen en doelstellingen van de Verenigde Naties, en dat sprake is van ‘personal and knowing participation’, onder meer aangezien eiser wist dat marteling (ook naar de Iraanse grondwet) verboden is en heeft erkend zelf gemarteld te hebben. Eiser heeft hiertegen in beroep slechts aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat sprake was van ‘knowing participation’ en dat hij nimmer persoonlijk enig misdrijf heeft gepleegd. Dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf marteling staat thans echter in rechte vast. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn beroepsgrond dat hij nimmer persoonlijk enig misdrijf heeft gepleegd. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat sprake was van ‘knowing participation’, door aan eiser tegen te werpen dat hij als hoogopgeleide man heeft moeten weten dat marteling volgens de Iraanse grondwet verboden was.

2.35 Nu voor het overige geen beroepsgronden zijn aangevoerd tegen de tegenwerping van artikel 1(F), aanhef en onder b en c, Vluchtelingenverdrag, leidt het voorgaande tot de conclusie dat verweerder deze artikelleden op goede gronden aan eiser heeft tegengeworpen. Dit betekent dat verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag terecht op eiser van toepassing heeft geacht en eiser derhalve niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

2.36 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of eiser bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.37 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Verweerder acht het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt, omdat aan de verklaringen van eiser omtrent de gebeurtenissen, die voor hem aanleiding zouden hebben gevormd om Iran te verlaten -te weten de gestelde activiteiten voor de Hefazat en zijn hulp aan verdachten van staatsgevaarlijke activiteiten- geen geloof wordt gehecht. Aan het door eiser overgelegde arrestatiebevel dat op zijn naam zou zijn uitgevaardigd, kan geen waarde worden gehecht. Na onderzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het individueel ambtsbericht van 4 mei 2005, blijkt dat het overgelegde arrestatiebevel niet authentiek is.

2.38 Eiser heeft op dit punt, samengevat weergegeven, aangevoerd dat verweerder de verklaringen van eiser in redelijkheid niet ongeloofwaardig heeft kunnen achten. De verklaringen van eiser zijn consistent en komen overeen met hetgeen uit andere bronnen bekend is. Dat het overgelegde arrestatiebevel niet authentiek is, is onvoldoende voor de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is.

2.39 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eisers verklaringen met betrekking tot de gestelde werkzaamheden voor de Hefazat en het helpen ontsnappen van twee gevangen, ongeloofwaardig zijn. Hierbij heeft verweerder in redelijkheid kunnen betrekken dat niet geloofwaardig is dat eiser niets wist van de activiteiten van de Hefazat, terwijl verschillende familieleden blijkens hun verklaringen politiek actief waren en ervaringen met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben gehad. Eiser heeft deze verklaringen niet betwist tijdens het gehoor van 8 oktober 2007.

2.40 Voorts heeft verweerder het onaannemelijk kunnen achten dat eiser gedurende enkele maanden meerdere malen de verdachten heeft verhoord, maar weinig weet te verklaren met betrekking tot de achtergronden van de verdachten of de reden waarom zij zijn gearresteerd. De enkele stelling van eiser, dat politiek hem niet interesseert, is onvoldoende verklaring voor eisers onwetendheid, nu in redelijkheid verwacht kan worden dat tijdens een verhoor dergelijke details duidelijk zullen worden.

2.41 Verder heeft verweerder het niet aannemelijk kunnen achten dat juist eiser door een organisatie als Hefazat werd gevraagd voor het verhoren van verdachten en hiervoor drie maanden de tijd kreeg. Zijn verklaring dat dit verband houdt met de resultaten die hij als rechercheur had behaald en om de verhoortactiek die hij in zijn werk toepaste, behoefde verweerder niet tot een andere conclusie te leiden. Eiser heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank geenszins aannemelijk gemaakt dat hij de door hem gestelde werkzaamheden voor de Hefazat heeft uitgevoerd, noch dat hij twee gevangenen heeft geholpen te ontsnappen.

2.42 Verder heeft verweerder hierbij in redelijkheid kunnen betrekken dat het overgelegde arrestatiebevel verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen, nu dit bevel niet authentiek is bevonden. Een individueel ambtsbericht is een deskundigenbericht dat door verweerder bij de beoordeling van het geval mag worden betrokken, mits dat bericht op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Dit is slechts anders indien er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit onderzoek. Het enkele plaatsen van kritische kanttekeningen bij het onderzoek is daartoe onvoldoende.

2.43 Eiser heeft in zijn gronden van bezwaar aangegeven af te zien van een contra-expertise nu eiser is gebleken dat dit document niet authentiek kan zijn. Gelet hierop is niet gebleken van het bestaan van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het onderzoek. Dat eiser ter zitting, evenals bij de eerdere zitting van 20 juni 2008, heeft gesteld dat hij wel degelijk concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals ter zitting en ter zitting van 20 juni 2008 is verzocht, de voor eiser oncontroleerbare aantijgingen uit het individueel ambtsbericht te controleren middels een zogenoemde “8:29-procedure”, nu eiser in zijn bezwaarschrift erkent dat hem is gebleken dat het document niet authentiek kan zijn.

2.44 Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat eiser vanwege zijn werkzaamheden voor de Hefazat en zijn hulp aan verdachten van staatsgevaarlijke activiteiten bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met het gestelde in artikel 3 EVRM en heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

2.45 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiser ongegrond zal worden verklaard.

2.46 Met betrekking tot eisers verzoek om schadevergoeding geldt het volgende.

Bij brief van 26 oktober 2010 heeft eiser aanspraak gemaakt op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en daartoe aangegeven dat de redelijke termijn op 8 januari 2002 is aangevangen. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat de redelijke termijn in ieder geval op 28 februari 2003 is aangevangen.

2.47 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1, vangt de redelijke termijn in zaken waarin een bezwaarschriftenprocedure bestaat aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Voorts is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

2.48 In de uitspraak van 7 april 2010 (200906777/1/H2) heeft de Afdeling geoordeeld dat in asielzaken, gelet op de uitsluiting van de bezwaarschriftenprocedure in die zaken, ingevolge artikel 80 Vw, een termijn van ten hoogste vier jaar redelijk is. Nu de aanvraag van eiser echter is gedaan vóór de datum van inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, te weten 1 april 2001, is op de aanvraag van eiser het procedurele recht van vóór die datum van toepassing.

2.49 De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op 8 januari 2002, de datum waarop eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op dat moment was duidelijk dat sprake was van een geschil. Dat dit beroepschrift aan verweerder is doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift en door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, niet-ontvankelijk is verklaard, maakt niet dat het materiële geschil niet reeds op die datum een aanvang heeft genomen. Dat betekent dat de totale duur van de procedure thans negen jaar, vijf maanden en acht dagen beslaat. De redelijke termijn is derhalve met vier jaar, vijf maanden en acht dagen overschreden.

2.50 Naar het oordeel van de rechtbank geven de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang, geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd te achten.

2.51 Derhalve komt eiser in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan verweerder is toe te rekenen. Hierbij merkt de rechtbank op dat de procedure voor de rechtbank en de Afdeling thans in totaal drie jaar, drie maanden en twaalf dagen bedraagt en derhalve de termijn van vier jaren voor de procedure in beroep en in hoger beroep in totaal (nog) niet is overschreden.

2.52 Uitgaande van de jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de eerder aangehaalde uitspraak van 24 december 2008, dat per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden een vergoeding van € 500,- dient te worden toegekend, waarbij de overschrijding naar boven zal worden afgerond, wordt het totaal van de schadevergoeding vastgesteld op € 4.500,-. Dit bedrag dient in zijn geheel door verweerder aan eiser te worden voldaan.

2.53 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 bepaalt dat verweerder aan eiser dient te vergoeden wegens overschrijding van de redelijke termijn, een bedrag van € 4.500,- (zegge: vierduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van gehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter en mrs. J.I. de Vreese - Rood en S. Kleij, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.