Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2449

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
09/900346-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een secretaresse van de sector Kanton van de rechtbank Rotterdam en de medewerkers van de rechtbank Rotterdam bedreigd. Hij heeft daarbij verwezen naar een schietincident met dodelijke afloop dat enkele dagen eerder in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn had plaatsgevonden. Werkstraf voor de duur van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de reclassering Nederland, toezichtunit Rotterdam, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een behandeling bij de forensisch-psychiatrische polikliniek Het Dok.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Nevenvestigingsplaats 's-Gravenhage

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/900346-11

Datum uitspraak: 20 juli 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Rotterdam, nevenzittingsplaats 's-Gravenhage, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.A.R. Dijkers, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 april 2011 te Rotterdam [A] en/of (de medewerkers van) de Rechtbank Rotterdam heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] en/of (de medewerkers van) die Rechtbank dreigend de woorden toegevoegd: "Als mijn klacht niet serieus genomen wordt hebben jullie straks problemen. Dan hebben we straks zoiets als in Alphen aan den Rijn. Ik sta niet voor mezelf in. Ik woon in de buurt van de rechtbank en sta straks bij jullie op de stoep", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in een telefoongesprek met de secretaresse van de sector Kanton van de rechtbank te Rotterdam haar en (de overige medewerkers van) die rechtbank heeft bedreigd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te kunnen komen. Verdachte geeft weliswaar toe dat hij felle bewoordingen heeft gebruikt in het telefoongesprek met [A], maar ontkent ten stelligste dat hij verwezen heeft naar een recent schietincident in Alphen aan den Rijn waarbij dodelijke slachtoffers waren gevallen. Het is dan ook niet aannemelijk te achten dat hij die woorden heeft gebezigd. De overige uitlatingen van verdachte, zoals tenlastegelegd, kunnen, mede gelet op de verdere inhoud van het telefoongesprek, niet als bedreigend worden aangemerkt.Zo heeft verdachte enkel aangegeven dat hij wilde dat er excuses jegens hem zouden worden gemaakt en heeft verdachte het telefoongesprek beëindigd met de woorden dat hij de volgende dag zou terugbellen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. 1

Verdachte heeft op 13 april 2011 naar de rechtbank in Rotterdam gebeld en gesproken met [A], secretaresse van de sector Kanton van voornoemde rechtbank.2

Aangeefster [A] heeft verklaard dat verdachte tijdens dit gesprek luid en dwingend sprak en dat hij tegen haar heeft gezegd "Als mijn klacht niet serieus genomen wordt hebben jullie straks problemen. Dan hebben we straks zoiets als in Alphen aan de Rijn. Ik sta niet voor mijzelf in. Ik woon in de buurt van de rechtbank en straks sta ik bij jullie op de stoep". Aangeefster heeft verdachte dit meerdere malen horen zeggen, waarbij hij steeds dwingender ging praten.Aangeefster is erg geschrokken van de woorden van verdachte en vatte deze woorden op als een directe bedreiging van de rechtbank Rotterdam en haar medewerkers. Zij heeft dit incident dan ook bij de eerste zich voordoende gelegenheid aan haar sectorvoorzitter gemeld.3

Verdachte heeft over dit telefoongesprek verklaard dat hij boos is geworden aan de telefoon en met stemverheffing heeft gesproken. Verder heeft hij aangegeven dat hij nog weet dat hij in een van de gesprekken met een medewerker van de rechtbank heeft gezegd dat een kat in het nauw rare sprongen maakt en dat hij niet meer voor zichzelf instaat.4 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad in dit telefoongesprek tegen [A] heeft gezegd dat als zijn klacht niet serieus zou worden genomen, hij bij de rechtbank op de stoep zou staan.5

Wat betreft de door verdachte geuite verwijzing naar het schietincident in Alphen aan den Rijn d.d. 9 april 2011 overweegt de rechtbank in het bijzonder als volgt.

Ondanks dat verdachte ten stelligste ontkent dat hij tijdens het telefoongesprek met [A] heeft gerefereerd aan eerdergenoemd schietincident in Alphen aan den Rijn, ziet de rechtbank geen enkele reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte op dit punt. De rechtbank vindt in het dossier geen aanknopingspunt dat [A] verdachte op enigerlei wijze verkeerd zou hebben verstaan of begrepen, terwijl verdachte juist, zoals hij zelf ook tijdens het verhoor inbewaringstelling heeft aangegeven, tijdens de gesprekken met [A] voornoemd dingen heeft gezegd waar hij achteraf bezien spijt van heeft en die hij niet meende. Dit betekent dat de rechtbank ook op dit onderdeel waarde hecht aan de door [A] gedane aangifte, zodat zij bewezen acht dat verdachte (mede) deze woorden tegen aangeefster heeft geuit.

Wat betreft het (bedreigende) karakter van de door verdachte geuite bewoordingen geldt dat [A] op het moment dat zij telefonisch contact had met verdachte, geen idee had met wat voor persoon zij te maken had. Met het uitspreken van de hiervoor weergegeven woorden, geplaatst in de context van het gesprek dat door verdachte met [A] werd gevoerd, te weten grote verontwaardiging en/of frustratie over een bij de sector Kanton doorlopen procedure, heeft naar het oordeel van de rechtbank bij [A] gerechtvaardigd de vrees kunnen ontstaan dat verdachte naar de rechtbank in Rotterdam toe zou komen en daarbij het recente schietincident in Alphen aan den Rijn zou herhalen. Voorts geldt dat, gelet op het verloop van het telefoongesprek waarin verdachte steeds dwingender werd, en de geuite bewoordingen in onderlinge samenhang bezien, het ook niet anders kan dan dat verdachte hierbij ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij zijn gesprekspartner en de (overige medewerkers van) de rechtbank die vrees zou ontstaan. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 april 2011 te Rotterdam [A] en de medewerkers van de Rechtbank Rotterdam heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] dreigend de woorden toegevoegd: "Als mijn klacht niet serieus genomen wordt hebben jullie straks problemen. Dan hebben we straks zoiets als in Alphen aan den Rijn. Ik sta niet voor mezelf in. Ik woon in de buurt van de rechtbank en sta straks bij jullie op de stoep".

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij de forensisch-psychiatrische polikliniek het Dok.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien zij in weerwil van het gevoerde bewijsverweer tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte slechts een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder wordt het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [A] en de medewerkers van de rechtbank Rotterdam bedreigd. Hij heeft daarbij verwezen naar een schietincident met dodelijke afloop dat enkele dagen eerder in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn had plaatsgevonden. Het betreft hier een gerichte bedreiging jegens medewerkers van een overheidsinstantie. Het uiten van dergelijke woorden veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving en bij het/de slachtoffer(s) zelf. Verdachte heeft met deze verwijzing genoemde gevoelens van onveiligheid in de samenleving gebruikt om zijn eigen woorden kracht bij te zetten. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Over verdachte is door psycholoog drs. W.J.L. Lander op 28 juni 2011 gerapporteerd. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven). Daarnaast is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een aanpassingstoornis met een gemengd angstige en depressieve stemming. Als gevolg van de persoonlijkheidsstoornis is verdachte minder in staat om stresserende gebeurtenissen te hanteren. Als gevolg van de aanpassingsstoornis was verdachte prikkelbaarder en psychisch minder belastbaar. Op grond van die stoornissen, waarvan ten tijde van het bewuste telefoongesprek bij verdachte ook sprake was, heeft verdachte zijn wil en gedrag in behoorlijke mate niet in vrijheid kunnen bepalen. Verdachte dient dan ook ten aanzien van het strafbare feit als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. De kans op recidive ter zake van een soortgelijk delict wordt door rapporteur als reëel aanwezig geschat. Rapporteur acht het van belang dat verdachte behandeld wordt met betrekking tot zijn persoonlijkheidsproblematiek waarbij hij leert om op een adequate wijze met stresserende gebeurtenissen om te gaan. Hij adviseert aan verdachte bij bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verwijzing naar de forensische polikliniek Het Dok.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies betreffende verdachte van de Reclassering Nederland, toezichtunit Rotterdam, gedateerd 28 juni 2011, opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker en [leidinggevende], leidinggevende. Blijkens genoemd rapport wordt het van belang geacht dat verdachte een behandeling ondergaat bij Het Dok, omdat het delictgedrag van verdachte in relatie staat tot het emotionele welzijn, het gedrag en de denkpatronen van verdachte. De behandeling is reeds opgestart, het psychiatrisch en persoonlijkheidsonderzoek loopt. Middels een reclasseringtoezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling zou de reclassering kunnen toezien op het (verdere) verloop van de behandeling. Gelijk de psycholoog adviseert de reclassering dan ook aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank houdt tot slot rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 7 juni 2011 niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Een gedeelte daarvan wordt voorwaardelijk opgelegd. Daarbij zal als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden opgelegd, waarbij verdachte een behandeling dient te ondergaan bij de forensisch-psychiatrische polikliniek Het Dok. Met rapporteurs acht de rechtbank een (vervolg van het ingezette) behandeltraject aangewezen om begeleiding van verdachte mogelijk te maken en zo de kans op herhaling terug te dringen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) uren niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de reclassering Nederland, toezichtunit Rotterdam, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt een behandeling bij de forensisch-psychiatrische polikliniek Het Dok;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.H.Th. de Boer, voorzitter,

M.C. Bruining en M.M. Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.C. Sadal, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal met nummer PL1710 2011114875 (niet doorgenummerd), opgemaakt door de Politie Rotterdam-Rijnmond in de wettelijke vorm, door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [A] d.d. 15 april 2011, p. 2 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2011, p. 2.

3 Proces-verbaal van aangifte [A] d.d. 15 april 2011, p. 2-3.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2011, p. 3.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 juli 2011.